In gesprek met Matthias Weischer

In het oosten van Duitsland bestaat er een figuratieve schildertraditie die nooit, zoals in het westen, door conceptuele experimenten onderbroken is geweest. ‘De nadelen van de Muur zijn bekend, maar als voordeel zou je kunnen noemen dat wij de mogelijkheid hadden om te werken in de traditie van Cranach en Beckmann. We werden beschermd tegen de invloed van Joseph Beuys,’ aldus Arno Rink, een belangrijke vertegenwoordiger van de zogenaamde Leipziger Schule. Vorige week ontmoette ik in de voormalige katoenfabriek van Leipzig, momenteel een broedplek voor artistiekelingen, de wereldwijd gevierde kunstenaar Matthias Weischer. Hij is een leerling van Neo Rauch, aan wie de Fundatie in Zwolle momenteel een overzichtstentoonstelling wijdt. Hoewel de doeken van Weischer al gauw een paar ton opleveren en in beroemde collecties over de hele wereld vertegenwoordigd zijn, heeft er in Nederland nog geen overzichtstentoonstelling van zijn werk plaatsgevonden. Wel kun je Weischers meest recente schilderijen eens in de zoveel tijd bij Galerie Grimm te Amsterdam bezichtigen.

 

Tijdens een uitgebreid gesprek in Weischers atelier kom ik erachter dat de Hochschule für Grafik und Buchkunst, bekend als het centrum van de Leipziger traditie, na de Wende een ambivalente houding heeft aangenomen tegenover de technisch hoogwaardige schilderkunst waarin veel van haar leerlingen uitblinken. Weischer en zijn studiegenoten, onder wie David Schnell, Tilo Baumgärtel en Christoph Ruckhäberle, werden niet bepaald gestimuleerd in hun ‘verlangen om te leren hoe je moet schilderen, hoe je het materiaal moet hanteren, hoe je moet tekenen. We studeerden halverwege de jaren ’90, toen nieuwe media heel populair waren en men overwoog om de Hochschule tot een school voor nieuwe media te transformeren, om af te rekenen met schilderen, want dat was achterhaald en te zeer verbonden met de kunst uit de DDR. Ze zeiden: we willen niet achteruit, maar vooruit kijken, en dat hing voor hen samen met dat nieuwe mediaspul.’

 

Hoewel Weischer nooit serieus heeft overwogen om het figuratieve schilderen op te geven en abstract te gaan werken of nieuwe media te gaan gebruiken, geeft hij toe dat hijzelf van alle ontwikkelingen en experimenten uit de twintigste eeuw heeft geprofiteerd. ‘Ik ben heel blij met mensen die ergens doorheen breken, die nieuwe mogelijkheden openen.’ Wel heeft hij moeite met de pretenties van sommige Avant Gardekunstenaars: ‘“Dit is het einde van de kunst, nu hebben we de enige juiste manier gevonden, nu maak ik alleen nog maar witte kubussen.” Dat is altijd een soort eindpunt, een doodlopende weg. Voor hen is het leuk om te zeggen: “Ik ben het einde van…”, maar wat komt daarna? Ze dachten er nooit over na om iets mee te geven aan de volgende generatie. Ik vind het heel egoïstisch om te beweren: “Ik heb het gevonden, wat ik doe is het begin en het einde.” Voor mij is dat niet interessant. Ik houd ervan om altijd in contact met de traditie te staan en mensen te inspireren om verder te blijven zoeken.’

 

Pure abstractie heeft in Weischers ogen bovendien iets claustrofobisch. ‘Natuurlijk zijn er goede abstracte schilderijen, ik geloof ook dat daarmee een bepaalde spirituele dimensie kan worden opgeroepen, maar je hebt tegelijk zo weinig mogelijkheden. Mijn eigen inspiratie komt vanuit de wereld, niet uit mijzelf, uit mijn gevoelens en verbeelding, want ik ben als persoon maar heel beperkt. Liever ga ik erop uit en leer van de eindeloze natuur; daarin vind ik altijd iets nieuws, altijd een nieuw gezichtspunt, altijd nieuwe ideeën.’ Weischer vertelt dat hij tien jaar geleden, na een periode van crisis en gebrek aan inspiratie, het tekenen naar de natuur herontdekte als basis voor zijn schilderijen. ‘Het was een manier om opnieuw met de wereld verbonden te zijn. Veel van mijn werken tot die tijd waren vanuit mijn verbeelding geschilderd. Het waren echte studiowerken, een soort collages, waarin ik allerlei fragmenten samenbracht. Maar ik kreeg een steeds sterkere drang om de natuur in te gaan, naar parken, en dat kon heel goed in Rome, waar ik eindeloos op bankjes heb gezeten en schetsen maakte.’

 

Na zijn verblijf in Rome heeft Weischer het tekenen nooit meer opgegeven: ‘Tekenen is het begin van alles.’ Momenteel nodigt hij geregeld modellen uit in zijn atelier, van wie hij portretten tekent en schildert. Tot nu toe waren menselijke figuren in zijn schilderijen juist opvallend afwezig; sporadisch zag je een mensachtige schim die in de achtergrond leek te verdwijnen. ‘Een figuur is in mijn ogen het allermoeilijkste om te maken. Het creëert een barrière tussen het tafereel en de kijker, die als het ware een voyeur wordt en buiten blijft staan. Terwijl ik altijd wilde dat de kijker zélf de figuur zou zijn, door de ruimte uitgenodigd en omarmd. Het is echter zo dat ik altijd verder wil gaan, op zoek naar nieuwe uitdagingen, naar een volgende stap. Tot nu toe cirkelde ik altijd om mensfiguren heen. Misschien is dat niet erg, misschien moet ik gewoon geen mensen in mijn schilderijen maken, maar ik wil het nu toch gaan proberen. Het is natuurlijk mogelijk dat het mislukt; dan zal ik teruggaan naar hoe ik voorheen heb gewerkt.’

 

Een groot voorbeeld voor Weischer is David Hockney, voor wie hij enkele jaren geleden live heeft geposeerd. ‘Ik vond het heel inspirerend om te zien hoe Hockney een portret maakt. Hij observeert gewoon en probeert geen verhaal te vertellen.’ Aan de wanden van Weischers atelier hangen twee reproducties van een fresco van een andere kunstenaar die hij bewondert, Fra Angelico, de vijftiende-eeuwse schilder-frater uit Florence. Diens Annunciatie gebruikt hij als voorbeeld voor een serie schilderijen waarin hij serene, spirituele ruimtes verbeeldt, met sobere pastelkleuren aan de wanden en elegante gewelven aan het plafond. ‘Er bestaat bijzondere architectuur die maakt dat je helemaal stilvalt als je er binnentreedt. Dat is althans mijn ervaring, en ik denk dat het ook zo kan werken met een schilderij van een bepaald soort ruimte. Dat het een staat van meditatie in je oproept, ik weet niet precies. Je stopt met denken. Het gebeurde mij toen ik het San Marcoklooster in Florence en vroegchristelijke kerken in Rome bezocht. Onmiddellijk was daar een soort spirituele dimensie, en ik vroeg me af: heeft dit met de christelijke mythologie te maken, of zit het in de ruimte zelf, in de architectuur? Dat probeer ik nu te onderzoeken.’

 

Als ik vraag of Weischer religieus is opgevoed, vertelt hij dat hij uit een heel katholiek gezin uit het westen van Duitsland komt. ‘Ieder weekend gingen we naar de kerk.’ Hoewel hij dat al lange tijd niet meer doet, leeft er binnenin hem nog steeds ‘een soort spirituele idee, die moeilijk te beschrijven valt. Niet dat ik neig naar een specifieke religieuze traditie. Ik sta best open voor spiritualiteit, maar niet voor doctrines. Ook aan mijn werk kun je wel zien dat ik open ben, misschien zelfs zoekende, en dat ik oplossingen voor mezelf probeer te vinden.’ Op de vraag of kunst een vorm van zingeving kan bieden, antwoordt hij: ‘Ja, in het beste geval is dat zo. Aan de andere kant is kunst natuurlijk ook gewoon een visueel spektakel en willen mensen vermaakt worden. Ook kerken hebben altijd verschillende functies gehad. Mensen gingen echt niet alleen naar de kerk om te bidden, maar ook om zichzelf te laten zien.’ Over de drukte tijdens de open dag in de Spinnerei, het ateliercomplex in de voormalige katoenfabriek, zegt hij: ‘Het is grappig om te zien hoeveel mensen er op zoiets afkomen. In vroeger tijden waren die vermoedelijk naar een kerk gegaan.’

 

Hieronder volgen enkele schilderijen van Matthias Weischer met aantekeningen en opmerkingen.

Paneel, 2008
Paneel, 2008
 In het eerste decennium van deze eeuw verwierf Matthias Weischer bekendheid met zijn collageachtige interieurs vol speelse, surrealistische elementen en verwijzingen naar meesterwerken uit de kunstgeschiedenis. Zo hangen er op dit Chinese kamerscherm reproducties van een tekening van Vincent van Gogh en een schilderij van Lucio Fontana.
Zonder titel, 2004
Zonder titel, 2004
Een galeriehoudster uit Leipzig roemde Weischers talent om zelfs de kleinste schilderijtjes een betoverende intensiteit te geven, zodat je als kijker het tafereel ingezogen wordt. Weischers fotografische realisme botst in dit doek met de dikke penseelstreken op de achterwand van de afgebeelde ruimte, die daardoor wel in een zeelandschap lijkt over te gaan, met bruine golven die de kamer binnenstromen.
Carré 2, 2015
Carré 2, 2015
Carré is geïnspireerd op een foto van een fresco uit Pompeii,’ aldus Weischer. Ongeveer in deze periode begon hij schilderijen te produceren in tweetallen, waaraan hij gelijktijdig werkt. Het biedt de mogelijkheid om verschillende ingrepen met elkaar te vergelijken. Momenteel hangt Weischers atelier vol kleine doekjes van kloosterachtige ruimtes, allemaal in paren van twee. Het effect van de uitstekende randen creëert hij door een dikke laag verf aan te brengen en die vervolgens, terwijl het nog nat is, naar de zijkant te schrapen. In dit schilderij wordt daardoor het effect van de doorgang aan de linkerkant versterkt. Bovendien ontstaat er een associatie met het – voor eeuwenoude fresco’s karakteristieke – afbladderen van verf.
Primavera, 2017
Primavera, 2017
‘Als ik grote kunst zie waarvan ik onder de indruk ben, denk ik altijd: ik wil iets soortgelijks proberen. Uiteraard eindig ik altijd met mijn eigen interpretatie, anders zou het saai worden.’ In dit doek, waarvan de titel gebaseerd is op Botticelli’s meesterwerk Primavera (‘lente’), heeft Weischer gewerkt met lieflijke pasteltinten, die de zachtheid van de lente symboliseren. De onderste laag van het schilderij bestaat echter uit onvermengde primaire kleuren, zoals die in het kleurenpalet aan de linkerkant weergegeven zijn. Op de plek van de bloesems heeft Weischer met een mesje de pastelkleurige lagen weggekrabt, zodat de felle onderlaag feestelijk doorschemert. De pose van de vrouwfiguur herinnert aan de liefdesgodin in Botticelli’s beroemdste schilderij, De geboorte van Venus.

 

Klik hier voor de website van matthias Weischer voor meer informatie.