Mister Motley heeft een boek gemaakt. Koop hier 'Dit is een vertaling'.

Image

“Ik ben een archeoloog van onze foute tijd” — kunstenaarsgesprek Guillaume Bijl 


06-01-2020 Alex de Vries

In oktober 2019 exposeerde Guillaume Bijl (Antwerpen, 1946) in de nieuwe expositieruimte Het Blauwe Paviljoen van Galerie Mieke van Schaijk in ’s-Hertogenbosch. De kunstenaar uit België liet er onder meer een ‘Sorry-installatie’ zien: een monumentale beschilderde bronzen meeuw gesitueerd in een golfterrein. Op de finissage sprak Alex de Vries met de oude meester die vanaf het eind van de jaren zeventig furore maakt met zijn ‘Transformatie-installaties’, ‘Situatie-installaties’ en ‘Compositions Trouvées’ waarin hij realiteit en niet-realiteit met elkaar vermengd. Onder het publiek bevond zich Henk Visch die door Bijl regelmatig wordt aangesproken. Centrale vraag is waar Bijl met zijn ‘Sorry-installaties’ nu eigenlijk excuses voor maakt.
 

De ‘Sorry-installatie’ in Galerie Mieke van Schaijk is misschien wel een nieuw hoogtepunt in uw oeuvre. Kijkt u er zelf zo naar?
Nee, de meeste van mijn grote installaties vind ik allemaal even goed, al veertig jaar.

Deze installatie heeft u oorspronkelijk toch gemaakt op uitnodiging van Natuurpark Zwin bij Knokke?
De provincie West-Vlaanderen, die de productie heeft betaald, heeft me ervoor gevraagd. Het is een artificieel tuintje, een kitsch-tuin. Het is een monumentale meeuw met een half-vis half-vrouw figuur ontleend aan René Magritte, en toeristische figuurtjes van zeeleeuwen en dergelijke. De installatie in het Zwinpark was aan het strand en verschilde in die zin van de presentatie hier. Daar was het vooral een installatie in het zand aan zee met een geluidstoevoeging van zeemeeuwen. Hier is de installatie veel kleiner met kunstgras uitgevoerd in de gerenoveerde kapelruimte.

Elders in de tentoonstelling is er een voorstudie van te zien, met in toeristenwinkels gekochte figuurtjes van zeemeeuwen en zeehonden met de vrouw-vis figuur uit het schilderij van Magritte.
Ook dat is een ‘Sorry-werk’.

'Sorry-installatie’, Mieke van Schaijk Galerie, ’s-Hertogenbosch, 2019
'Sorry-installatie’, Mieke van Schaijk Galerie, ’s-Hertogenbosch 2019


Welke positie hebben de ‘Sorry’s’ in uw werk?
’t Is zo dat ik hoofdzakelijk ben begonnen met transformaties van kunstruimten. Daarmee reageerde ik op de tendens dat in opdracht van de staat bestaande kunstruimten zogezegd werden getransformeerd tot meer functionele ruimten. Er was bij wijze van spreken nog nauwelijks belangstelling voor kunst, en die ruimten gaf ik dan een andere invulling: een reisagentschap, een autorijschool of een schietoefenzaal, of een vergaderzaal van een ambitieuze politicus. Ik ben dus begonnen met heel realistisch decors, maar na een tiental jaren, startte ik ook een nieuwe reeks. Die werken hebben een meer abstracte, een meer absurde, een meer surrealistisch samenstelling, zowel in het klein als in het groot. Omdat ze zo afwijken van wat men van mij gewend was, heb ik ze ‘Sorry-installaties’ genoemd. Er klopt iets niet.. Deze kleine ‘Sorry’ bestaat dus uit beeldjes die ze verkopen in van die souvenirwinkels in badplaatsen. Ik heb daar iets surrealistisch aan toegevoegd. Dat is die Magrittevrouw, zo’n beeldje dat ze tegenwoordig namaken van meesterwerken. Daar heb ik feitelijk een vergroting van gemaakt met die beschilderde bronzen beelden. Mijn Composition Trouvées zijn anders, want dat zijn scenes die je als etalage kunt aantreffen of als een hoekje in een antiekwinkel.

Kunstruimten werden zogezegd getransformeerd tot meer functionele ruimten.

Die Magrittevrouw, uit ‘L’Invention Collective’, een beroemd schilderij uit 1934, is dus een vorm van kunstmerchandising, want het is niet speciaal door u vervaardigd.
Inderdaad, dat beeldje heb ik gewoon gekocht. Je kunt me zien als voornamelijk een ready made kunstenaar, maar ik laat soms beelden maken van was, polyester of brons. Voor de rest is het allemaal gevonden en gekocht in winkels, wat ik dan zelf regisseer tot een Compositie. Ik zie mezelf als een soort regisseur van grote en kleine realistische decors.

Nu heeft Michel Draguet van het Magritte Museum, een onderdeel van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, gezegd dat merchandising heel vanzelfsprekend is voor het werk van Magritte omdat de kunstenaar zelf in de jaren twintig in de reclame heeft gewerkt. Hoe denkt u daarover?
Ja, dat zeggen ze allemaal achteraf. Jeff Koons doet het ook en dan maken ze ik weet niet hoeveel multiples. Nou ja, ik maak zelf ook wel multiples soms, maar ik probeer toch wel een variatie in mijn oeuvre aan te brengen.

Is het maken van een multiple niet een verdubbeling van uw intenties?
Ik weet dat niet. Er zijn kunstenaars die er goed in zijn en die ik fantastisch blijf vinden. Neem nu Ben Vautier, die maakt T-shirts en weet ik wat niet allemaal, als merchandising van zichzelf als merk: Ben. Hij speelt daarmee, zoals Jeff Koons dat ook doet. Ik kan er wel tegen. Ik ben niet zo bekend als Koons of Damien Hirst, maar ik heb ook wel een T-shirt gedaan en een horloge ook. Ik heb daar – in de zin van een multiple - niets op tegen.

Wat vindt u dan de museumshops waar al dergelijk soort producten als souvenirs worden verkocht?
Ik vind dat een beetje verschrikkelijk. Ik heb iets tegen te veel design en merchandising, behalve die van Ben Vautier.

Portret Guillaume Bijl
Portret Guillaume Bijl


Als we terugkeren naar het begin van uw loopbaan valt op dat u geen kunstopleiding hebt gevolgd, maar u bent in de jaren negentig wel hoogleraar Beeldhouwkunst geweest aan de Kunstacademie van Münster.
Ja, ik ben een ongeschoolde die professor is geworden. Ik ben zelfs een paar jaar vice-rector in Münster geweest. Daar had ik als collega Henk Visch (die hier zojuist is binnengekomen). Wij waren collega’s in Münster en aan de Jan van Eyck Academie in Maastricht. Door een samenloop van omstandigheden ben ik tien jaar fulltime professor geweest. Van het een komt het ander. Ik ben tamelijk ongeschoold hoewel ik op mijn zestiende wel reeds al de musea in Europa bezocht.

U laat uw werk in ambachtelijke zin dan ook door anderen uitvoeren.
Ja, ik doe niet veel, want ik kan niet veel. Maar mijn hoofd blijft altijd min of meer helder.

Wat vindt u ervan dat als een kunstenaar iets niet zelf heeft gemaakt dat dan op de kwaliteit ervan wordt afgedongen?
Ik weet daar niks van dat daar op zou worden afgedongen. Het is toch een bekend gegeven? Rembrandt had ook al assistenten. Rubens had ook een stuk of dertig man. Damien Hirst heeft er honderdvijftig voor hem werken. Dat wordt ze toch niet nagedragen, ik denk zelfs integendeel. Ik werk zelf ook met assistenten al zijn het er niet zo veel. Jimmy Durham heeft wel gezegd, dat als je meer dan anderhalf assistenten hebt, er iets verkeerd is gegaan in je kunstpraktijk. Henk Visch werkt bijvoorbeeld nooit met assistenten en toch staan overal in Nederland, België en Duitsland zijn prachtige bronzen. Ja, ik maak maar reclame, hè Henk! Hij doet het allemaal op z’n eigen, ongelooflijk. Ik bewonder zijn ambachtelijke zijde.

Wat is dan uw ambachtelijke kant?
Ik heb geen ambachtelijke zijde. Toen ik naar New York afreisde om er twee installaties te maken was het enige wat ik meenam dubbelklevende kleefband. Dat is het enige waarmee ik werken kan, het kleefband waarmee je tapijten op de grond bevestigt.

Ik heb geen ambachtelijke zijde. Het enige waarmee ik kan werken is het kleefband waarmee je tapijten op de grond bevestigt.

Uw eerste werken kregen nog wel wat kritiek te verduren omdat men het te theatraal vond. Waar ligt het aan dat theatraliteit in de beeldende kunst als iets negatiefs wordt gezien?
Theatraal; ik vind dat goed. Mijn installatie is bewust theatraal. Sorry, hè. Ik heb daar geen moeilijkheden mee. Ik weet niet waarom dat kritisch wordt bedoeld.

Toen u in een beursstand op de kunstbeurs in Basel een lampenwinkel liet zien, klonk er in delen van de kunstkritiek enige verontwaardiging, zachtjes uitgedrukt.
Nou nee, er was niet zozeer sprake van afwijzing door de kunstkritiek en zeker ook niet door kunstenaars. Dat moment met die pseudo lampenstand in Basel in 1984, dat was een beetje gelijk een bom, vormelijk. Maar ik ben nooit zozeer echt vormelijk bezig geweest, hoewel ik me er wel bewust van ben. Ik ben altijd vertrokken vanuit de inhoud. Meestal is dat sarcastische of ironische maatschappijkritiek, niet zozeer filosofisch en zeker niet symbolisch. Het is eerder een afrekening met onze tijd door installaties als een atoomschuilkelder en een schietoefenzaal of de introductie van een nieuwe ambitieuze politicus. Dat heb ik ook in lichtere vormen gedaan met een pruikenwinkel of een change office in 1998 in het Shaffy Theater in Amsterdam. Ik weet natuurlijk dat ik een soort van avant-gardist was of nog altijd ben. Ik noem dat de archeologie van onze – tussen aanhalingstekens – beschaving. Ik laat een archeologie zien van mijn tijd, ook in de ‘Sorry’s’, omdat ik meestal ready made kunst maak.

Installatie ‘Lustrerie Media’, Artbasel, 1984
Installatie ‘Lustrerie Media’, Artbasel, 1984


Dat is dan met Duchamp begonnen. Josph Kosuth die ‘Art after Philosophy’ schreef, zei dat alle kunst na Duchamp conceptuele kunst is. Onderschrijft u dat?
Ik denk wel dat dat zo is, maar tegelijkertijd hadden Rembrandt of Frans Hals ook al conceptuele elementen in hun werk. Maar zeker en vast is dat sinds Duchamp het geval. Ik ben hoogstwaarschijnlijk een klein kleinkind van Duchamp, maar ik ben beïnvloed door heel de kunstgeschiedenis, niet speciaal door een bepaald persoon en ook niet per se door de Dadaïsten. Ik ben in de jaren zestig beïnvloed door popartiesten zoals Ton Wesselmann, Jim Dine en Edward Kienholz. Ik ben zeker ook beïnvloed door de conceptuelen. In 1969 heb ik de tentoonstelling ‘Op losse schroeven’ in het Stedelijk Museum in Amsterdam gezien als jonge, aankomende, potentiële kunstenaar. Dat was een revolutie. De integratie van fictie en realiteit vond ik fantastisch. Dat is niet zo duidelijk in deze ‘Sorry-installatie’ omdat het meer een surrealistisch werk is, maar in mijn composities en transformaties is dat duidelijker.

Van uw werk is wel gezegd dat u een alternatief hebt gezocht voor de conceptuele kunst.
Ik heb niks gezocht. Ik heb gevonden. Dat heeft Picasso eens gezegd. Wat ik fantastisch vond in 1969 was de integratie met het publiek, het spel met fictie en realiteit: de vraag of iets echt is of niet. Zoals Stanley Brouwn die mensen in Amsterdam de weg vroeg en ze vroeg dat te tekenen en hun plattegrondje dan met bestempelde met de tekst ‘This Way Brouwn’. Ik vond dat geweldig, de wisselwerking tussen museumpubliek, buitenstaanders en het werk zelf. Wie mij ook beïnvloed heeft is Vito Acconci met een straffe performance getiteld ‘Following Piece’ waarbij hij onaangekondigd iemand ging volgen en fotografeerde. Brouwn en Acconci hebben mij meer beïnvloed dan Marcel Duchamp.

Ik heb niks gezocht. Ik heb gevonden.

Over de wisselwerking tussen de fictie en de realiteit zegt u dat u met de Transformatie-installaties het realistische in de niet-realiteit plaatst en in de Situatie-installatie doet u het omgekeerde. Hoe verhouden die werken zich tot elkaar?
Dat is me pas achteraf opgevallen, nadat ik een aantal jaren met een serie werken ben bezig geweest. Met die Transformatie ging ik in op de situatie dat een galerieruimte werd verhuurd aan een tapijtenwinkel of iets dergelijks. Dat was feitelijk een realiteit - fictie in een onrealiteit. Daarmee heb ik de kunstruimte beschouwd als een niet-functionele ruimte. Er worden bijvoorbeeld geen kostuums of stoelen gemaakt, vandaar dat het een onfunctioneel karakter heeft. In een kunstgalerie of een kunstmuseum wordt niets gemaakt ten behoeve van onze gebruiksbehoeften. Als ik ergens buiten een situatie maak, zoals in Hoorn tien opgezette meeuwen – dus met pluimen - in die toeristische omgeving, heb ik een onrealiteit in de realiteit, hier een haven aangebracht, een stilleven als het ware.

Alles is eigenlijk begonnen met uw ‘Art Liquidation Project’ in 1979 waaraan u al refereerde door het failliet van de kunst te benoemen. Hoe is wat dat betreft de situatie in België nu?
Tien keer slechter dan in Nederland, waar het nog steeds een paradijs is voor kunst en kunstenaars. Don’t forget it. In België is de laatste vijftig jaar wel ongelooflijk veel talent ontstaan. Maar het is zeker niet zo dat Nederlandse kunstenaars, omdat er tien keer meer ondersteuning is, minder succesvol zijn of minder goed zouden zijn. Ik ga niet mee in die filosofie dat in België, door het feit dat het allemaal krap is - slechte subsidiëring en slechte behandeling van de kunstenaars - dat ze daardoor beter zouden zijn, omdat ze dan meer “lijden”.

U verzet zich altijd tegen dergelijke clichés.
Ja, wat ik bijvoorbeeld opvallend vind is dat er in Nederland meer goede kunstenaars zijn dan in Frankrijk de laatste twintig, dertig jaar. In Duitsland zijn wel weer veel meer goede kunstenaars. Maar ook in Spanje zijn er heel weinig goede hedendaagse kunstenaars. Veel minder dan in Nederland en in België. Het is gewoon een constatering. In Frankrijk en Spanje komt het omdat ze alleen hun eigen taal goed spreken. Hetzelfde geldt voor Italië, daar is na de Arte Povera en de transavantgarde ook niet veel meer gebeurd. De rijkdom van Vlaamse kunstenaars – oh dat woord ‘Vlaams’ wil ik niet meer uitspreken vanwege die verschrikkelijk fascistische partijen in België tegenwoordig -  is dat ze vier talen spreken. Dat zou een kleine verklaring kunnen zijn. Je beeldtaal is dan ook ruimer. Als je Engelse filmsterren in de cinema nog nooit Engels hebt horen spreken, zoals in Frankrijk, dan is dat een beperking. Bijgevolg is hun blik op de wereld benauwder. Het is misschien een belachelijke verklaring, maar omdat je het me nu toch vraagt…

Het is gewoon een constatering dat ze alleen hun eigen taal goed spreken. Bijgevolg is hun blik op de wereld benauwder.

Bij wie voelt u zich in de hedendaagse kunst het meest thuis. Het is opvallend dat u met veel generositeit over uw collega’s spreekt.
Ik vind alle goede kunstenaars in de wereld inspirerend. Ik ken ze natuurlijk niet allemaal, maar ik heb er wel een paar ontmoet. Ik ben vooral een artist’s artist en niet zo’n galeriekunstenaar. Er zijn veel kunstenaars die bekender zijn en financieel ook beter kunstmarktwaardig zijn, zoals Luc Tuymans of Rinus van de Velde. Maar die beginnen nu wel mijn werk te kopen, van hun oude meester bij wijze van spreken. Ik weet me gewaardeerd door andere kunstenaars en ik heb de beste complimenten gehad van mensen als Christian Boltanski en Gerhard Richter, van Sigmar Polke, Kippenberg en Henk Visch. Die complimenten zeggen me meer dan het oordeel van de kunstkritiek of van curators.

In de jaren negentig heeft u het galeriewezen grotendeels achter u gelaten en bent u gaan werken aan de academie van Münster. Vanwaar die stap?
Mijn eerste installatie maakte ik toen ik drieëndertig was, dus ik ben een tamelijk laatbloeier. Na vijf jaar had ik wel mijn eigen stijl en vorm gevonden, en werd ik beschouwd als een van de pioniers van de revival van de ready made. Bijgevolg werd ik ook internationaal bekend. Ik ging in 1988 naar de Biënnale van Venetië en in 1992 naar de Documenta in Kassel. Ik was een ‘hot artist’ geworden. Ineens had ik vijftien galeries in de wereld en dat werd ik zo beu, al die kunstgaleries. Daarmee ben ik opeens gestopt. Toen ben ik voor mezelf begonnen. Dat was misschien verkeerd. Ik had er een paar moeten aanhouden, want mijn prijzen zijn niet bepaald kunstmarktmatig in de hoogte gegaan sinds de jaren tachtig. Gelukkig kon ik nog wel altijd mijn werk tentoonstellen. Maar nu heb ik weer een stuk of zes, zeven galerijen. Ik mag niet klagen. ’t Is okay. 

Installatie ‘Dogsalon Daisy’, Pinktie Bowtie, Antwerpen, 2019
Installatie ‘Dogsalon Daisy’, Pinktie Bowtie, Antwerpen, 2019


Een van de werken in Nederland waar we u goed van kennen is uw ‘Feestelijke beeldenreeks’ uit 2014 bij de RAI in Amsterdam, ook geschilderde bronzen beelden van onder anderen illusionisten.
Ja, voor die bronzen beelden heb ik een aantal opdrachten gekregen de laatste jaren, weliswaar niet zoveel als Henk Visch, maar toch. Die bronzen beschilderde beelden zijn een late roeping gebleken. Het zijn sculptuurtaferelen. Ik had al wel wassen beelden laten maken en polyester beelden, maar toen was er een prijsvraag in Wuppertal voor een kunstwerk en daar heb ik een voorstel gedaan voor een beschilderd bronzen beeld. Daaruit is een nieuwe reeks werken ontstaan. In Amsterdam was het de tweede opdracht waaraan ik zo invulling heb gegeven, maar dan met aluminium beelden. De keuze ervoor komt voort uit de omstandigheid dat ik als kunstenaar een realist ben. Ik heb ook in mijn andere installaties altijd de neiging gehad de levendige figuur uit te beelden. Dat is begonnen met etalagepoppen en polyester beelden en een wassenbeeldenmuseum dat ik heb gemaakt in 1992. Dat was na de conceptuelen en de nieuwe schilders nog niet zo evident. Ze waren nog een beetje vies van realistische, figuratieve beelden. Geschilderd brons bleek daar erg geschikt voor.

Het lijkt erop dat u de etalagepoppen in de Sorry-installatie in deze galerie een extra vervreemdend uiterlijk hebt gegeven.
Nee, ik heb die zo gekocht. Tegenwoordig maken ze in die poppenhandel bijvoorbeeld een sporter helemaal in de sporthouding. Ik heb ze wel in het grijs besteld en ze daarna laten schilderen. Ik heb geen schilderkunstige pretenties of dat ze dat duurzamer of ambachtelijker zou maken. Ze zijn gewoon geschilderd, pft.

In de tentoonstelling bevinden zich een aantal ‘Compositions Trouvées. Waar treft u dergelijke objecten aan?
In Brussel, in Berlijn en in New York… Ja, je vindt zo van die handels. In de compositie van witte, gipsen beelden in deze tentoonstelling is de hele geschiedenis opgenomen: Napoleon, Elvis Presley, Marilyn Monroe, de Grieken en de Romeinen. Maar ik ben niet zo bezig met connotaties en symboliek. Het is een fragmentje uit een handel uit de twintigste eeuw. De andere compositie van een verzameling bruidsparen zou een etalage kunnen zijn in een toeristenwinkel. Ik heb ze gekocht in Italië. En in Antwerpen zijn goede antiekwinkels.

Gaan de prijzen omhoog in die winkels als ze zien dat u er belangstelling voor heeft?
Nee, ik maak die composities meestal in die winkels zelf. Ik heb nooit een atelier gehad. Dan maken ze in zo’n winkel een muurtje vrij. Thuis heb ik ook wel een hoekje waar ik eens iets in probeer, maar meestal direct in de galerie of in de winkel zelf. Ik ben een in situ kunstenaar.

Ik maak die composities meestal in die winkels zelf. Ik heb nooit een atelier gehad.

De presentatie van de composities heeft wel iets van een tentoonstelling in een natuurhistorisch museum, van uitgestorven dieren op sterk water.
Ja, ik maak er een stukje antiekwinkel van om een fenomeen van onze tijd te laten zien. Het zijn fragmenten van deze tijd, hoe mensen tripten op bepaalde beelden, zoals in die vitrine van hondenspeeltjes. Ik heb in 2016 voor Manifesta in Zürich een hondensalon gemaakt ‘Dogsalon Bobby’ en nu heb ik een Belgische hondensalon gemaakt, ‘Dogsalon Daisy’. Daarvoor moet ik dan wel op zoek en zo kom ik in al die winkels en dat is dan nieuw voor mij, want ik heb nooit een hond gehad. Ik heb een kat. Dan zie ik al die speeltjes en dan denk ik, dat is toch niet mogelijk. Daarom heb ik er een compositie van gemaakt. Ik ben een archeoloog van onze foute tijd.

Is er nog sprake van beschaving in die foute tijd?
Ik vind van niet. De mensen wordt iets wijs gemaakt, maar ze maken ook zichzelf wat wijs, alsof ze in een ideale maatschappij leven. Ik vind dat niet. Tweederde van onze producten wordt geproduceerd door een soort slaven in slechte omstandigheden. We leven in een ‘kick’ maatschappij. Dat speelt in mijn gedachten over mijn werk altijd mee. Ik wil er niets mee te maken hebben en dat laat ik zien. 

Installatie ‘Romeinse Straat’, Middelheimprark, Antwerpen, 1994
Installatie ‘Romeinse Straat’, Middelheimprark, Antwerpen, 1994


In Münster Skulptur Projekte 2007 heeft u een archeologische opgraving gemaakt van een kerk. Waar kwam dat idee vandaan?
In begin jaren negentig heb ik eens een Romeinse straat gezien, ik weet niet meer waar. Ik vond dat merkwaardig, maar er kwamen zoveel mensen naar kijken die dat als cultureel toerisme gewoon vonden om te bezichtigen, als een educatieve voorstelling. Ik heb ook wel van die banale kitscherige museumpjes gemaakt, zoals een Lederhosenmuseum, een Bidetmuseum, een Stemhokkenmuseum in een reeks die ik later cultureel toerisme genoemd heb. Zo heb ik dus ook een Romeinse straat gemaakt in Middelheim, het Antwerps sculpturenpark, een aanrader voor iedereen; ook Henk Visch is daar met zijn werk aanwezig. Ik heb ook nog een archeologische opgraving van een huis uit de twaalfde eeuw gemaakt op de Busan Biënnale in 2006 in Korea, waarbij Henk nog heeft geholpen. Het is een spel over echtheid en fictie. Het is een draad door mijn werk. In die reeks van archeologische sites heb ik ook dat werk in Münster gemaakt van die opgegraven kerk.

Het kleine werk van een pollepel met een biljartbal erin, wat was daar de aanleiding voor?
Dat is een sorry’tje. Als kunstenaars zijn we vaak genereus en doen we mee aan veilingen van ons werk voor een goed doel - kankerbestrijding en zieke kinderen -  zo is dit werk ook tot stand gekomen. Eerder had ik in 1987 een vogelnestje gemaakt met in plaats van eieren drie biljartballen. Verleden jaar werd ik gevraagd voor een veiling in Kortrijk van een pollepelfirma en die wilde dat we iets deden met een pollepel. Zo gaat dat. Zo ontstaan nieuwe werken vanuit die zeer vreemde vragen. Er hebben wel dertig kunstenaars aan meegedaan. Het werd ook verkocht. Dus ik heb mijn bijdrage aan het goede doel geleverd. Dit is er een variatie op. Een tweede versie met een andere pollepel en een andere bal. Mieke van de galerie zei namelijk, uw prijzen zijn nogal hoog, hebt u niet een paar goedkope werkjes. Dit is dus het goedkoopste werk, op aanvraag van Mieke.

Waarom zegt u eigenlijk ‘Sorry’?
Om te beginnen omdat ik eens iets anders wilde maken, vrijer. Ik ging vreemd van mijn eigen realistische vorm, daarom: sorry. En het is ook zo’n woord dat te pas en te onpas wordt gebruikt, internationaal. Als je iemand op zijn tenen trapt, zeg je sorry, maar iemand als Trump kan het ook zeggen als-ie op de verkeerde knop drukt. Oh sorry, de wereld vergaat.

Guillaume Bijl is ook te gast in het programma 'Kan niet bestaat niet' van mister Motley en de Brakke Grond op zaterdag 18 januari. Vijftien kunstenaars zullen die avond een werk ontsluiten dat om welke reden dan ook het daglicht nooit heeft mogen zien. Wilt u deze avond bezoeken? Bestel dan hier uw tickets.

Ook adverteren op mistermotley.nl? Stuur dan een mail naar maurits@mistermotley.nl