Image

Amie Dicke, Art Rotterdam

04 Apr 2013 Hanne Hagenaars

De waarheid, net als licht, verblindt. Leugenachtigheid daarentegen is een prachtige schemering die ieder object benadrukt. (Albert Camus) 

Amie Dicke (Rotterdam, 1978) is van kinds af geïnteresseerd in het vrouwbeeld zoals we dat kennen van fotomodellen in glossy modemagazines. Uit fascinatie voor hun schoonheid ging Amie de fotomodellen bewerken met een chirurgenmesje. Het was haar manier om met de modebeelden om te gaan, om controle te houden over het schoonheidsideaal, met het mes in de hand ben je immers de baas. Dat we de beelden die ons omringen niet meer analyseren, vindt ze armoede.
Op onze vraag om kunstenaar van deze special te worden reageert ze enthousiast, ‘inspiratie genoeg’. E-mails met plaatjes, citaten en dichtregels volgen elkaar in rap tempo op. Amie is onverzadigbaar, en alles wat haar in handen komt blijkt bruikbaar materiaal, gereedschap, een wapen soms. De scalpels zijn inmiddels weggelegd, nu treffen we schuurpapier, veiligheidsspelden en foundation aan in haar atelier. Wie is Amie?

Amie vertelt over haar fascinatie voor Glamour, de snijwerken waarmee ze beroemd werd, over religie en voodoo. 

‘Mijn vader is interieurarchitect, mijn moeder styliste; vanuit hun beroep zijn ze heel gevoelig voor objecten. Ik ook. Als ik een object zie en ik denk “daar kan ik mee aan de slag”, dan raap ik het op en gaat het mee naar het atelier. Het object fascineert me, maar er is tegelijkertijd iets dat me stoort, en er komt een moment dat ik denk “oh, ik vind je eigenlijk lelijk”, en dan moet ik het aanvallen. Dat is hoe mijn werk ontstaat. En dan een spijker erdoorheen, al is het er maar één. In Afrika doen ze dat om de geest wakker te maken. Ik snap die actie. Zelf heb ik ook heel lang in die geesten geloofd. In de Pinkstergemeente sprak de heilige geest in vreemde talen, in voodoo gebeurt iets soortgelijks. De geest wordt toebedeeld aan iets tastbaars, het wordt een object.’

Amie’s repertoire blijft zich uitbreiden. Ze gaat werken met andere materialen en gereedschappen. De foto’s en de tijdschriften blijven een constante, ‘het is een verslaving’, zegt ze, maar haar handelingen worden meer grondstoffelijk. Ze bewerkt foto’s – niet langer alleen modefoto’s – met brandende wierookstokjes die as en brandplekken achterlaten op de gezichten en lijven. Er worden spijkers, spelden en meubelspijkers geslagen in handen. Complete metalen handvatten worden op gezichten in tijdschriften geklonken. Een pagina met twee luchtfoto’s van Beiroet voor en na een bombardement, hing ze aan de muur naast een grove keukenrasp, alsof de rasp de kaalslag van de stad had bewerkstelligd. ‘Zo’n rasp wordt gewelddadig, terwijl we dit soort handelingen, het raspen, regelmatig doen. Geweld zit in onze dagelijkse handelingen, het zit in onze natuur, net als schoonheid.’ Of ze tekent met een rode balpen op de cover van een magazine: ‘Het begint met een beetje krassen, gedachteloos kras je een beetje harder en dieper, en feller, tot de pen breekt en de rode inkt in het opengerulde magazine stroomt. Zo ontstond My split Self, als een open wond, en The World of Interiors.’