Mister Motley heeft een boek gemaakt. Koop hier 'Dit is een vertaling'.

Image

Atelierbezoek: Peter Struycken

04-11-2019 Alex de Vries

Op 5 januari van dit jaar is Peter Struycken 80 jaar geworden. Het is hem niet aan te zien. Hij is slank, energiek, lenig van geest en scherp in zijn analyses van de kunst en zijn plaats daarin. In zijn atelier in Gorinchem vertelt hij naar aanleiding van de presentaties van zijn werk in het Hedge House en het Koetshuis van buitenplaats Kasteel Wijlre en het Groninger Museum over de essentie van zijn werk dat de uitkomst is van een levenslang onderzoek naar kleur.

Hij is slank, energiek, lenig van geest en scherp in zijn analyses van de kunst en zijn plaats daarin.

De ouders van Peter Struycken woonden vanaf 1953 een tiental jaren op Curaçao maar hij groeide, na een periode op kostschool, vanaf zijn veertiende op bij een pleeggezin in Den Haag en vanaf zijn zeventiende woonde hij zelfstandig. Een drietal vakantieperioden ging hij naar het eiland in de Antillen. De afgelopen tien jaar heeft hij er wel een huis gehad, ontworpen door Carel Weeber, maar sinds kort is zijn standplaats weer enkel Gorinchem waar hij al tientallen jaren woont en werkt. Op de uiterst precieze website van de kunstenaar begint de lijst van vrij werk met een aquarel uit 1955 dat ‘Curaçao’ is getiteld en in gelen, roden en blauwen een huizenpartij aan het water laat zien. “Veel kleur, weinig vorm,” zegt hij daarover en dat blijkt een uitspraak die het verdere atelierbezoek bepaalt. Hij begint te vertellen dat hij al begin jaren tachtig geïntrigeerd raakte door de filosofische denkbeelden over kleur van de oude Grieken en daarover publiceerde. Daarna zocht hij naar de bronnen van de vier kleuren waarmee de klassieke schilder Polygnotus uit Thasos de huidskleur van zijn figuurstukken mengde: witten, okers, roden en zwarten. Door de overeenkomst van die kleuren met de kleuren voor de vier elementen van de filosoof Empedocles: aarde, water, lucht en vuur en wat later met de vier lichaamssappen van Hyppocrates (slijm, bloed, gele gal en zwarte gal) kan men zeggen dat de vier kleuren in de tweede helft van de vijfde eeuw voor Christus, een canonieke status kregen. De beschrijvingen door de Grieken van de samenstellingen van kleur en de werking ervan zijn volgens Struycken ‘krankzinnig nauwkeurig’ en verdienen het om serieus te worden genomen als grondslag voor het vierkleuren palet dat in de geschiedenis van de kunst van grote invloed is geweest. “Vooral het veelvoud van de benoeming is essentieel,” zegt Struycken: “Het gaat niet om oker, maar om okers. En dat geldt ook voor witten, roden en zwarten. Het is de nuancering en de enorme reikwijdte binnen de vier kleurtyperingen die doorslaggevend zijn voor wat ermee kan worden uitgedrukt. Plinius maior beschrijft zeven verschillende zwarten die door Griekse schilders werden gebruikt en die afhankelijk zijn van de wijze waarop de kleur werd verkregen. Polygnotus is de uitvinder van een blauwachtig zwart, verkregen uit de verkoling van druivendroesem en de schilder Apelles vindt ruim een eeuw later een blauwzwart uit van verkoold ivoor. Daarmee kunnen blauwige grijzen worden gemengd en met oker een troebel groen. In de Griekse Oudheid gebruiken de grote klassieke schilders de vier kleuren om ermee uitdrukking te geven aan het menselijk lichaam. Je zou kunnen opmerken dat in hun beperkt palet heldere blauwen en groenen ontbreken, maar als je specifieke werken bekijkt zie je wel dat het om mengsels van die vier kleuren gaat, maar dat er ook sprake is van een toegevoegd groen of blauw voor een bijzaak of detail. Pas in de Romeinse tijd, in de tweede eeuw voor Christus, wordt in landschappen het palet soms uitgebreid met blauwgroen als mengkleur. Omdat in de klassieke Griekse schilderkunst vrijwel uitsluitend naakten van mythologische figuren van Goden en van helden werden afgebeeld, kwam het er vooral op aan huidskleur, levensecht en gemodelleerd naar licht en donker na te bootsen, wat heel moeilijk is.” 

Het is de nuancering en de enorme reikwijdte binnen de vier kleurtyperingen die doorslaggevend zijn voor wat ermee kan worden uitgedrukt.

Curaçao, aquarel, 1955
Curaçao, aquarel, 1955

 

Zijn verhaal over kleur waaiert enorm uit en volgt ontwikkelingen in Azië en andere delen van de wereld al naar gelang de Griekse en Romeinse beschaving zich verspreidde of zich mengde met werkwijzen die via de zijderoute bekend werden. Struycken vertelt dat het klassieke concept met de vier kleuren in de Westerse schilderkunst, naast het concept van veelkleurigheid dat eveneens een antieke herkomst heeft, tot in de 19deeeuw leidend is gebleven, en dat ‘bruinige’ schilderijen, maar ook schilderijen waarin de vier kleuren contrastrijk zijn gebruikt, gangbaar zijn. Toevoeging van een enkel blauw, groen, paars of helder geel benadrukt dan nog extra de bijzondere kleurkwaliteit van het vierkleuren palet. “Maar dan opeens verdwijnt dat klassieke kleurconcept samen met het verdwijnen van de belangstelling voor klassieke onderwerpen in de schilderkunst en daarvoor in de plaats komt het impressionisme en ontstaat belangstelling voor wetenschappelijke lichtbreking en kleurwaarneming door wetenschappers als Newton, Young en Helmholtz, maar ook voor de gevoelswaarde van kleuren zoals door Goethe en Van Gogh is bepleit.

Wetmatige verhouding tussen vorm en kleur, olie op doek, 50/x50 cm., coll. Walter Lewin 1962/63.
Wetmatige verhouding tussen vorm en kleur, olie op doek, 50/x50 cm., coll. Walter Lewin 1962/63.
 

Ook de theoretische en conceptuele benadering van kleur kent voorlopers in de klassieke oudheid waar alle kleuren worden gezien als een menging van wit en zwart of van licht en donker zoals in de overgang van dag naar nacht waarbij de middenkleur purper ontstaat bij het op- of ondergaan van de zon. Struycken geeft in zijn geïmproviseerde verhaal blijk van een indrukwekkende kennis van het onderwerp en hij denkt nog vijf jaar nodig te hebben om de gang van het vierkleurenpalet vanuit de klassieke oudheid tot in de zeventiende eeuw te volgen waar het gebruik een nieuw hoogtepunt bereikt. Maar twintig jaar geleden gaf hij al oplossingen voor de raadselachtige kleurmengsels van Plato en Democritus door aan te tonen dat Griekse filosofen het mengen van kleuren baseerden op natuurverschijnselen en niet op verf. Hij kwam op dat spoor doordat Pseudo-Aristoteles beschreef dat als je de aarde om plantenwortels weghaalt de witte wortels groen kleuren wanneer ze door de zon worden beschenen: wit en rood – zonnewarmte- mengen tot geelgroen. (Struycken, P.,‘Colour mixtures according to Democritus and Plato’, in: Mnemosyne, series IV, Vol. LVI, Fasc. 3, Leiden: Brill, 2003.) 

Struycken geeft in zijn geïmproviseerde verhaal blijk van een indrukwekkende kennis van het onderwerp

Struycken houdt ervan om over kleuren na te denken. Zo vond hij bij zijn vroegste experimenten met computer gegenereerde kleuropeenvolgingen op een beeldbuis in de jaren zeventig, dat in tegenstelling tot klankopeenvolgingen in muziek, kleuropeenvolgingen geen mogelijkheid bieden om ze te onthouden. Intervallen of een melodie bieden houvast aan het verband tussen klanken waardoor je ze in de tijd kunt volgen, maar een dergelijke mogelijkheid voor kleurgewaarwordingen bestaat niet. 

Die ongrijpbaarheid van kleur zet hij ook af tegen vorm. Struycken: “Zonder kleur is er geen vorm. Of beter nog: vorm is een afgeleide van kleurverschil. Daarbij zijn er maar twee typen verschil: abrupt of geleidelijk, waarop niet alleen alle soorten vormen kunnen worden teruggevoerd, maar al het waarneembare. Een ander aspect van vorm is zijn begripsmatigheid. Je kent een vorm en herkent die in alle omstandigheden. Kleur is absoluut iets anders. Door verandering van licht en omgeving is zij alleen bij benadering te benoemen.” 

Je zou vrijwel al het werk van Peter Struycken kunnen zien als een bevraging van kleur als een voorzetting van de ideeën en vaststellingen die andere kunstenaars en denkers voor hem hebben gedaan. Zo stelde Goethe dat alle kleuren een algemene werking op de psyche hebben; oranje veroorzaakt opwinding en groen rust. Van Gogh maakt duidelijk dat die werking niet voor iedereen gelijk is. Als hij in een brief aan zijn broer over een schilderij van het interieur van een nachtcafé schrijft hoe een bepaalde kleur groen op zijn innerlijk inwerkt dan beschrijft hij een subjectieve, emotionele werking. Struycken: “Daarmee zijn de poorten voor het expressionisme opengezet. Je ziet een verschillende omgang met wat kleur is. Als Newton zegt dat kleurbreking is van licht, dan gaat het om iets objectiefs, wat zich buiten je om afspeelt. Bij Goethe, die zich tegen deze benadering fel verzet, bestaat kleur juist bij de gratie van de menselijke waarneming en beleving. 

Zonder kleur is er geen vorm. Of beter nog: vorm is een afgeleide van kleurverschil.

Wetmatige beweging, 1966,
Wetmatige beweging, 1966,

 

In de afgelopen honderd jaar zijn er over kleur niet zulke ingrijpende nieuwe denkbeelden ontwikkeld. Wittgenstein’s ‘Bemerkungen über die Farben’ lijkt voorlopig de laatste wezenlijke bespiegeling over kleur. Vanuit de fenomenologie, eigenlijk heel onvisueel, niet op waarneming gebaseerd, concludeert hij dat bij kleur taal, begrip en waarneming strijdig blijken of op zijn minst wringen. Maar zijn denkbeelden over kleur hebben geen grote vlucht genomen.

Maar de wereld zit van oudsher natuurlijk vol originele concepten. In een Chinees boek kwam ik tegen dat betekenis van een kleur wordt bepaald door de literaire beschrijving ervan. Madame de Pompadour ging als een stilist met kleur om en maakte er een smaakconcept van, in feite zoals iemand als Lidewij Edelkoort nu met kleur omgaat. Er zijn ook kleurconcepten verdwenen, zoals dat van de Griekse filosofen over het ontstaan van kleuren door natuurlijke processen. Daarvan vind je alleen nog wat terug in de Alchemie. Maar er kan weer een genie opstaan die ons een invalshoek op kleur geeft met een verbijsterend nieuw inzicht of met een vanzelfsprekendheid alsof we het zelf hadden kunnen bedenken.” Peter Struycken heeft geen voorkeur voor een kleur, hij vindt ze allemaal gelijkwaardig. Het is de verhouding tot andere kleuren die telt. Hij heeft voor tientallen woonhuizen en musea en ziekenhuizen kleurpaletten gemaakt, met zo’n achttien tot tweehonderd kleuren per palet, waarbij de kleuren in iedere combinatie een samenhangend kleurbeeld opleveren. 

Sructuur – 66, verf of perspex, 100 x 100 cm., 1966.
Sructuur – 66, verf op perspex, 100 x 100 cm., 1966.

Het is de verhouding tot andere kleuren die telt.

Het begon met een vraag van Frans Haks, voor een kleurenpalet voor de wanden van het Groninger museum van architect Mendini, dat geschikt was voor wisselende exposities. Struycken begon ermee de collectie te bestuderen om na te gaan of hij daaruit een kleurplan kon destilleren, maar dat werd niks. Struycken: “Werk van iedere kunstenaar in de collectie bleek een eigen kleurkarakter te hebben, dus als je op basis daarvan kiest voor een specifiek palet voor de expositiewanden doe je aan de een wel recht, maar aan de ander niet. Ik heb daarom een palet gemaakt dat, net als in mijn eigen werk, bepaald wordt door visueel gelijke verschillen tussen de kleurtonen van de kleurencirkel, door visueel gelijke verhoudingen in helderheid - tussen licht en donker- en visueel gelijke verhoudingen in verzadiging dat wil zeggen tussen sterk en zwak. 

Komputerstrukturen 1, lak op perspex, 150 x 150 cm., 1969. Computerprogramma dat is gebruikt: OSTRC.
Komputerstrukturen 1, lak op perspex, 150 x 150 cm., 1969. Computerprogramma dat is gebruikt: OSTRC.

 

Het werk van Peter Struycken laat zich in een aantal periodes indelen. Er zijn hier en daar wel wat uitstapjes of aanloopjes, maar die zijn ondergeschikt aan die indeling.

-Tussen 1962/63-1966 hield hij zich bezig met werken over wetmatige beweging. Hij bepaalde de vorm op basis van vlak-indelingen en kleurverschillen vanuit eenvoudige verhoudingen in kleurtoon (geel, oranje-rood, karmijn, blauw et cetera), helderheid (licht-donker) en verzadiging (sterk-zwak). Het gaat in deze schilderijen altijd om kleine aantallen kleuren tussen de ongeveer 5 en 50. Een figuratie (vorm en kleur) is stapsgewijs opgebouwd. Struycken: “Een geheel is dus het resultaat van opeenvolgende stadia. Alle figuratie speelt zich binnen het kader van het schilderij af. In 1965 treden vormen buiten het kader en krijgt een werk een vrije vorm.”

-Tussen 1966-68 maakt hij werken waarin structuur centraal staat. Struycken: “De figuratie is nog steeds op eenvoudige wetmatige ordeningen gebaseerd, maar die is buiten het - vierkante - kader van het schilderij voortzetbaar. Daarmee wordt een schilderij een fragment van een onbegrensde structuur in twee dimensies. De kleurverschillen blijven steeds eenvoudige verhoudingen in kleurtoon, helderheid, verzadiging.”

-Tussen 1969-1994 maakt hij structuurwerken op de computer. Tot 1979 zijn alle schilderijen, fotowerken en tekeningen met algoritmes geordend in twee dimensies. De twee dimensies strekken zich, net als de eerdere structuurwerken onbegrensd uit, een werk is een fragment. Een figuratie, maar nu algoritmisch berekend, is ook hier altijd een samenstel van opeenvolgende stadia. Vormen worden niet meer berekend. Er wordt alleen nog gewerkt met plaats en kleur. Een plaats wordt voorgesteld door een gekleurde punt in tekeningen of door een gekleurd vierkantje in schilderijen en fotowerken van monitorbeelden. De indruk van een vorm ontstaat door de verschillen tussen de kleuren. Peter Struycken: “In 1976 ontstaan de eerste ordeningen van kleuren algoritmisch op een beeldbuis met behulp van sinus-golven. Dan ontstaat ook het idee van wat ik een kleurruimte noem. Kleuren krijgen een ruimtelijke ordening in plaats van een ordening in het platte vlak.”

-Tussen 1980-1982 krijgen de structuurwerken letterlijk een gelaagdheid doordat opeenvolgende stadia van een proces in de tijd, dat zich in twee dimensies afspeelt, over elkaar heen worden afgebeeld, zowel in fotowerken als tekeningen. Doordat één stadium altijd gemiddeld tachtig procent open is (zonder gekleurde plaatsen) en voor twintig procent gesloten is (met gekleurde plaatsen), is een fotowerk soms wel een combinatie van tien of meer stadia voordat het beeldvlak geheel gevuld is. De kleuren worden met een samenstel van lopende sinusgolven berekend waarbij hun aantal kan oplopen tot ongeveer 16 miljoen. De tekeningen behouden een open karakter met punten in rood, groen en blauw wanneer hij de 16 miljoen kleuren opdeelt in drie groepen.

-Tussen 1983-1996 gaat Struycken door met de computer structuurwerken. In 1983 worden kleuren procesmatig met behulp van sinusgolven, die onbeperkt in de tijd veranderen, berekend in een onbegrensde driedimensionale ruimte. Struycken: “Zo'n ruimte is in feite een verzameling aaneensluitende plaatsen in drie dimensies die procesmatig van kleur veranderen. De visuele complexiteit komt tot stand door interferentie van golfwaarden. Interferentie heeft visueel een nadrukkelijk en eenzijdig karakter. Een tweedimensionaal werk wordt een tweedimensionaal fragment uit een driedimensionale ruimte. Nog steeds worden opeenvolgende stadia van het van kleur veranderend fragment over elkaar heen afgebeeld. Ook in dynamische tweedimensionale werken gebruik ik dit principe van het overlappen van opeenvolgende stadia. Een werk is zo doende altijd een terugblik in de tijd.”

-In de periode 1997-1998 worden de veranderingen in de op de computer gemaakte structuurwerken dynamisch en ruimtelijk zichtbaar in plaats van ze tot een statisch werk op te bouwen uit laagjes veranderende kleuren. Een werk bestaat dan uit een perspectivische weergave van punten die in de tijd van kleur veranderen. De punten bewegen in de ruimte als gevolg van hun kleurveranderingen op basis van lopende sinusgolven. Struycken: “Van een punt wordt de veranderende rood-, groen- en blauwwaarde, waarmee op een monitor de kleuren worden gemengd, gekoppeld aan rotaties om zijn x- y- en z-as. Een dynamisch werk, dat in 'real-time' door een computer wordt berekend en geprojecteerd, is een uitsnede uit een driedimensionale onbegrensd uitgebreide kleurruimte die onbeperkt in tijd verandert. Een stadium uit zo'n dynamisch proces kan worden stilgezet. Een tweedimensionaal statisch werk is dan een momentopname van een dynamisch proces in drie dimensies. Al is die wereld kunstmatig en met de computer gegenereerd, door het ruimtelijk karakter en de weergave in perspectief wordt zo'n momentopname vergelijkbaar met een kiekje uit de alledaagse wereld. De twee dimensionale, statische werken met hun perspectivisch ruimtelijke ordening van kleurpunten begon ik al gauw als te naturalistisch te ervaren. Ik wilde terug naar het platte vlak, zonder perspectivische ruimtesuggestie.

-Daarom ging ik in 1999-2013 structuurwerken op de computer maken met behulp van elektronische kleurfilters, zoals bij standaard foto-bewerkingen worden gebruikt. Ik bewerkte de opnamen uit de kunstmatige puntenwereld en maakte enkele series wandkleden van de resultaten. De belangrijkste visuele winst is dat door de tussenstap van een ruimtelijke voorstelling van bewegende punten op basis van interferentie -de kleurgolven - die interferentie in de ruimtelijke voorstelling onherkenbaar wordt. De elkaar gedeeltelijk afdekkende kleurpunten geven, eenmaal gefilterd, een veel groter domein van visuele complexiteit.”

Peter Struycken benadert kleur in haar afwisseling, samenhang en veranderlijkheid. Dat is goed te zien in zijn werk ‘Kleur: weelde en veranderlijkheid’ in Kasteel Wijlre waar hij van het Hedge House een kleurruimte heeft gemaakt. Daarnaast is in het Koetshuis van het kasteel een overzichtstentoonstelling van zijn werk te zien. Deze presentaties zijn nog tot en met 11 november 2019 te zien.

Peter Struycken benadert kleur in haar afwisseling, samenhang en veranderlijkheid.

BLOCKS en Skrjabins Visioen, Kasteel Wijlre, 2019.
BLOCKS en Skrjabins Visioen, Kasteel Wijlre, 2019.

 

In de overzichtspresentatie in Wijlre laat Peter Struycken een selectie zien van werken uit verschillende van de hierboven beschreven periodes. Zo zijn uit 1976/1977 de werken ‘WAVE’, ‘DISP’, ‘VLOEI’, ‘SQUARE’, ‘GRID’, ‘Lijn 1’ en ‘LINE 1, 2, 3’ zien. Het zijn dynamische werken in twee dimensies, waarbij veranderingen in kleur vormveranderingen tot gevolg hebben. Aanvullend toont ‘VARA’ uit 1989-1990/2013 op drie schermen, tweedimensionale uitsneden uit een driedimensionale, dynamische kleurruimte. Opeenvolgende stadia in het proces - gedeeltelijk open, gedeeltelijk met kleurpunten gevuld - worden over elkaar heen afgebeeld. De vormen worden door de interferentiepatronen van de kleurbewegingen bepaald.

In ‘DISCS 2’ 1997/2014 zorgen kleurveranderingen in een driedimensionale ruimte voor de beweging van die punten in de ruimte.

‘Skrjabin’ uit 1997-1999/2009 is een lijnrechte tocht door een kleurruimte waarin kleurveranderingen zorgen voor de beweging van zwermen punten.

In ‘Boulez’ uit 2004-2007 zijn het opnieuw kleurveranderingen die voor beweging zorgen, maar uitgebreid met een groter assortiment voorstellingen van een punt.

‘8 STRUC-COL-a’ uit 1999-2000 ten slotte geeft een gefilterd driedimensionaal ruimtebeeld met punten gereduceerd tot een tweedimensionaal beeld.

Wie het werk van Peter Struycken als architecturale totaalervaring wil ondergaan wordt in het Hedge House in Wijlre niet teleurgesteld. Hij heeft het interieur ondergedompeld in zwart, wit en rood. De wanden, vloeren en plafonds creëren in samenhang een driedimensionale kleurbeleving waar je doorheen loopt. Voor de bepaling van de kleuren en hun plaats in een architectonische ruimte, schreef Ir. D. Dekkers een computerprogramma. Zoals in eerder werk van Struycken worden kleuren berekend in een onbegrensde ruimte met behulp van sinusgolven waardoor die ruimte gevuld is met zo’n 16 miljoen kleuren die gemengd zijn uit de lichtkleuren rood, groen en blauw. Omdat de golven zich onbeperkt in tijd voortplanten veranderen de kleuren voortdurend. In die onbegrensde, dynamische ruimte dompelt Struycken, op een bepaald tijdstip, de wanden van het Hedge House in hun ruimtelijke positie. 

Vervolgens bepaalt hij de afmeting van de kleuren die op de wanden zichtbaar worden. In een onbegrensde ruimte hebben de kleuren een onbepaalde afmeting, maar in een ruimte als het Hedge House krijgen ze die wel, want die heeft nu eenmaal een eindige maat. Struycken: “Ik kies voor een maatverhouding die een verfijning van de ruimtebeleving veroorzaakt. Die beleving is gevarieerd omdat de kleurverdeling verschuift van grotere naar kleinere eenheden zoals die in de onbegrensde ruimte berekend zijn en op de wanden van het Hedge House zichtbaar worden.” 

De vormen worden door de interferentiepatronen van de kleurbewegingen bepaald.

Transformatie Hedge House, Wijlre, 2019
Transformatie Hedge House, Wijlre, 2019

 

De ruimtebeleving versterkte Struycken door het terugbrengen van het aantal kleuren: “Ik heb wel miljoenen kleuren over een kam moeten scheren door ze te reduceren tot een driedimensionale doorsnede van de kleurruimte in het Hedge House: wit, rood en zwart. Ze vormen, onbedoeld, een verbinding met mijn onderzoek naar de geschiedenis van kleur. Rood, in het denken over kleur door Aristoteles, is een harmonische verhouding van deeltjes wit en zwart. Het bepaalde van het uiteindelijke werk verhoudt zich daarmee tot het onbepaalde van de onbegrensde tijd en ruimte waaruit het is ontstaan en waarvan het een fractie is. Deze installatie is een druppel in de eindeloosheid.” 

In zijn installatie in het Groninger Museum heeft Peter Struycken opvattingen die de componist Alexander Skrjabin rond 1910 uitwerkte in zijn vijfde symfonie ‘Prometheus, gedicht van vuur’ een visuele evenknie gegeven. In de symfonie koppelde Skrjabin klank en ritme aan kleur en licht. Na zijn dood is in Carnegie Hall in New York een uitvoering geweest met een primitief lichtorgel met twaalf ongemengde kleuren verbonden met de twaalf kwinten van de kwintencirkel. In de tijd van Skrjabin was de weergave van kleur en licht als pendant van muziek volstrekt nieuw. De componist was geïnspireerd door de theosofie en de denkbeelden van Madame Blavatsky en hij ging bij het vaststellen van kleur bij klanken associatief te werk. Zo koppelde hij rood aan het F-majeurakkoord. Hij vatte kleur vooral op als een kosmisch natuurverschijnsel en liet zich onder meer leiden door de kleur van het Noorderlicht en vallende sterren. Tegelijkertijd werd hij ook beïnvloed door eigentijdse fenomenen van de industrialisatie zoals het flitsende reflecteren van licht op staal. 

Voor de installatie in het Coop/Himmelb(l)au-paviljoen, die tot en met 9 februari 2020 te zien is, maakte Peter Struycken een nieuwe versie van zijn werk ‘Skrjabins Visioen’. Vijf computers laten op vijf beeldschermen een dynamisch kleurbeeld zien van de symfonie – een kosmische reis met beeld en geluid. De installatie toont afwisselend dit werk en een werk uit 2007 gebaseerd op de muziek van Pierre Boulez. De dynamische kleurruimte die in beide composities in real time door de computers wordt berekend is bij iedere vertoning anders. Er is geen beeld dat wordt herhaald.

In de symfonie koppelde Skrjabin klank en ritme aan kleur en licht.

Boulez, Groninger Museum, 2019.
Boulez, Groninger Museum, 2019.

 

Vanaf 2014 tot nu werkt Struycken vanuit de wetenschap dat bij aantallen kleuren boven ongeveer 200 de verschillen tussen de kleuren visueel niet meer afzonderlijk te beoordelen zijn waardoor bepaalde eigenschappen van kleur verloren gaan. Eenvoudige verhoudingen tussen kleine aantallen kleuren, in kleurtoon, helderheid en verzadiging, geven aan kleuren samenhang. Verhoudingen tussen kleuren kunnen niet worden berekend met de computer en moeten op het oog worden bepaald. De plaatsbepaling van de kleuren in het tweedimensionale vlak of in de driedimensionale ruimte kan wel met behulp van de computer worden gerealiseerd. Struycken: “Zo heb ik besloten de computer te gebruiken waar dit handig is en het belangrijkste, de verhouding tussen kleuren, bepaal ik op het oog.”

Klik hier voor de website van Peter Struycken
Klik hier voor meer informatie over de tentoonstelling in Groningen.
En hier voor meer informatie over de tentoonstelling in Wijlre

Ook adverteren op mistermotley.nl? Stuur dan een mail naar maurits@mistermotley.nl