Image

Beste René,

17 Oct 2018 Kasper van Steenoven

In een serie open brieven benadert Kasper van Steenoven overleden kunstenaars om hen te schrijven over kwesties rondom het ‘nu’. Een antwoord is klaarblijkelijk niet te verwachten, maar ook niet essentieel. Juist wanneer schrijven niet belemmerd wordt door een ontvanger en het risico op antwoord, kan dit leiden tot onverwachte (persoonlijke) ontdekkingen.

- - - - -

Beste René,

Als ik je zo mag noemen. Het is niet mijn intentie je direct al te beledigen, maar ik heb het gevoel dat ik je dusdanig goed heb leren kennen in mijn jaren op deze aardbol om je op deze manier te kunnen benaderen. Wellicht ken ik je iets te goed voor iemand die ik nog nooit de hand heb geschud. Gezien het feit er nooit een blik of woord gewisseld is. Mijn enige referentiekader met betrekking op wie jij bent zijn de (autobiografische) boeken en bronnen op internet die ik eindeloos heb bestudeerd. Nu ben je al een aantal jaren terug overleden, dat is geen nieuws, en zegt de term ‘internet’ je waarschijnlijk niets. Het internet is een ongelooflijke uitvinding die rond 1969 zijn kop boven water stak. Twee jaar nadat jij overleed. In feite komt het erop neer dat de gehele wereld met elkaar verbonden is doormiddel van een hoop moeilijke technische zaken waar ik jou niet mee ga vervelen. Je hebt vast wat beters te doen.

Wellicht ken ik je iets te goed voor iemand die ik nog nooit de hand heb geschud.

Mijn naam is Kasper trouwens. Een 25-jarige jongeman.

Verdere informatie over wat ik graag doe en waar ik mij vandaag de dag mee bezig houd staat niet in verbintenis en heeft weinig relevantie met waarom ik deze brief schrijf. Mijn enige doel is slechts om jou iets te vertellen en waar ik vandaan kom is daarbij echter enorm relevant voor deze schijnbaar plotselinge benadering. In 1992 ben ik geboren te Enschede in een relatief stilstaande, onbeduidende omgeving. Van mijn jaren als pasgeborene kan ik mij vrij weinig herinneren. Mijn geheugen staat mij toe om ongeveer vanaf mijn vierde levensjaar beelden te herkennen. Beelden van mijn broer die verward met zijn kont over de zwart met wit geblokte keukenvloer schuift. Mijn andere broer die regelmatig met een melancholische blik komt vragen hoe het met mij gaat. Mijn moeder die met haar zonnebril op krampachtig het eten klaarmaakt en bovenal mijn vader, die als rode schim overal en altijd aanwezig leek te zijn.

Aanwezig noch afwezig.

Intensief onderzoek heeft erop gewezen dat mijn vader een narcist is. Dit komt voornamelijk voor als aandoening waar de persoon in kwestie sporadisch last van heeft. Mijn vader draagt deze aandoening echter in zich als een ziekte. Een tumor die 'het zijn' van hem belemmerd. Gevangen in een staat van permanente confrontatie met wat er daadwerkelijk gebeurt en wat hij vindt dat er moet gebeuren. De wereld hoe die in zijn perspectief beleefd wordt correspondeert niet met de wereld om hem heen en dit zorgt voor de nodige frustratie. Wat overigens niet onbegrijpelijk is. Daarbij komt kijken dat mijn vader mij nooit heeft gewild en dit maakte hij vanaf zover terug als ik mij kan herinneren buitengewoon duidelijk. Waar mijn moeder mij vasthield, weerhield mijn vader dit. Waar mijn broers naar mij lachten, keurde mijn vader dit af. Afgezien van dit feit verliep mijn vierde levensjaar redelijk rustig. De stilte voor de storm.

Maar over geen een kunstenaar was hij zo lovend als over jou, René.

Door de jaren heen begon ik mijn fascinatie voor kunst te ontwikkelen en dit werd de enige bindende factor binnen de relatie met mijn vader. Onze voorliefde voor kunst. Eindeloos konden wij diepgaande gesprekken voeren over voor ons boeiende composities, merkwaardig kleurgebruik en de achterliggende gedachte(n) van een werk. Maar over geen een kunstenaar was hij zo lovend als over jou, René.

Andere kunstenaars benaderde hij op diezelfde onbevredigde, narcistische wijze als dat hij de wereld om zich heen benaderde. Zoals hij ons als gezin benaderde. Oneindig commentaar op alles wat er binnen het kunstwerk gebeurde; “Het nietige kleurgebruik en de zegging loze compositie duidt op niets anders dan de gedistantieerde relatie tussen kunstenaar en zijn materiaal”. Dit is een van de zinnen die ik onmetelijk vaak heb moeten aanhoren. Zelfs pratende over zijn vermoedelijk enige échte passie in dit leven kon zijn woede niet getemd worden. Een hevig vuur dat diep in hem gevoed werd door frustraties over een waarneembare wereld die niet overeenkwam met de wereld in zijn hoofd. Dit vertekende wereldbeeld maakte hem tot een arrogante, onbegrepen schoft. Een schoft die zowel fysiek als mentaal in staat was de wereld bruut te schapen naar zijn ideaal.

Zelfs zonder ook maar iets te weten van mijn vader zijn bestaan was jij de enige die hem iets gaf waardoor zijn frustraties plaats maakte voor rust en rede. Kijkend naar jouw werk René, veranderde mijn vader van die onbegrepen tiran in een verschijning die overliep van gratie en kalmte. Een verlichte man die, bij wijze van spreken, de wereld om zijn vinger kon winden. Geïnspireerd en voldaan. Je kunt stellen dat jij hem de inspiratie gaf een beter mens te zijn. Dit was mijn taak.

Kijkend naar jouw werk René, veranderde mijn vader van die onbegrepen tiran in een verschijning die overliep van gratie en kalmte.

Het vult met tot op de dag van vandaag met een enorme woede dat ik deze taak niet heb kunnen volbrengen. Woede naar mijzelf, mijn gezin en mijn vader, maar bovenal naar jou René.

Wat zag mijn vader in jou wat hij nergens anders kon vinden? Wat maakte dat juist jij hem in staat van verlichting kon brengen. Mijn geheugen vanaf mijn vierde tot mijn zestiende jaar heb ik grotendeels gewist, maar hoe komt het dat jij elke keer deel uitmaakt van de weinig fijne herinneringen die ik heb aan mijn vader?

Hij had het vaak over jouw manier van schilderen. Hoe jij het beeld kon laten spreken en jouw correcte gebruik van stijlfiguren. Misschien herkende hij zichzelf hierin. Een constante paradox in zijn brein waardoor de wetten van de werkelijkheid niet meer golden. Jouw werk leek deze wetten weer kortstondig relevantie te geven. Naast mijn woede voel ik ook blijdschap dat jij hem dit kon geven. Dit maakt dat ik mijn vader niet alleen aanschouw als de duivel zoals ik hem veelal herinner, maar geeft het mij ook een handvat om vast te houden aan mijn eigen wetten van de werkelijkheid. Het goede en kwade gaan altijd hand-in-hand.

Jij gaf hem een wereld die te begrijpen viel.

Lieve René, mijn leven is een metonymie. Ik ben het gevolg van wat mijn vader heeft veroorzaakt. Veranderd in een schildering die van jou had kunnen zijn. Misschien was dit mijn vader zijn doel. Een eerbetoon aan jou creëren: zijn inspiratie. Jij gaf hem een wereld die te begrijpen viel. Een wereld die klopt. Als dit zo is hoop ik dat je, vanuit de dood, van mij geniet. Dan is dit alles tenminste niet voor niets geweest.

Ik veracht je en bedank je,

Kasper van Steenoven.