Image

De tekortkomingen van Marten Hendriks

19 Jun 2016 Alex de Vries

Het denkbeeldige inzichtelijk als maquette 
De tentoonstelling ‘Uitstallingen hoofdzakelijk over zicht’ van Marten Hendriks in Studio Omstand heeft tegelijkertijd in de vier presentatieruimtes van het Arnhemse kunstenaarsinitiatief plaats. 

Die gelijktijdigheid van vier verschillende benaderingswijzen in zijn werk komt overeen met de analogie van het bestaan en werk van de kunstenaar. De wisselwerking tussen het leven en de kunst ontstaat door het samenvallen van gebeurtenissen in een onverwacht zinvol verband. Alledaagse ervaringen gaan verbindingen aan met eerdere kunstzinnige ondervindingen en vice versa. Daarmee stuurt hij de verbeelding. Zintuigelijke waarnemingen vormen de basis voor zijn denkbeelden. Wat hij gevoelsmatig ondergaat legt hij nauwkeurig vast in zijn eigen beeldtaal. Zijn manier van denken en doen wordt zo in zijn werk betekenisvol. Steeds komt hij in nieuw werk terug op wat hij eerder heeft gemaakt. Hij beweegt er omheen als in een cirkel of spiraal. Het betreft hier begrippen als synchroniciteit, resonantie, synesthesie en sensorische perceptie, maar dat zijn zulke grote woorden dat ze beter kunnen worden geformuleerd in een toegankelijker woorden. 

In voor het oog formele analyses leidt dat in de beleving van zijn werk tot een wonderlijk bijeenkomen van vorm en inhoud. Ieder beeld dat bij hem opkomt, is ertoe geneigd in zichzelf te verzinken en op te lossen in een vergelijkbaar beeld dat ervoor in de plaats komt. Alleen in gedachten blijven we ons van het eerdere beeld bewust, zoals Marten Hendriks in 1982 aantoonde in zijn tentoonstelling en publicatie ‘Weer bewust geworden gedachtebeeld’. 

Vanzelfsprekend ontstaat het ene werk na het andere en is het hele oeuvre dat meer dan 50 jaar beslaat in een opeenvolging van de loop van de tijd te karakteriseren - voor het begrip van het werk zijn processen als aanhoudende duur en voortdurende herneming belangrijker.

In de recente publicatie ‘Bij de aangelegde heuvels in de verte eindigt de overzichtelijkheid’ in de reeks ‘Verborgen Landschap’ van Caro Delsing en Hans Jungerius tekent Marten Hendriks op: “Een tekening kan alleen maar het verslag van het tekenen zijn.” Voor iemand die de grenzen van het tekenen zo nadrukkelijk heeft verlegd als Hendriks is dat een opmerkelijke vaststelling, omdat hij daarmee de tekening als een op zichzelf teruggeworpen en in zichzelf bestaande uitvoering van het denkend handelen en handelend denken definieert. De tekening gaat in zichzelf op. Het leven is door Marten Hendriks getekend, terwijl hij natuurlijk ook getekend is door het leven. Die wederkerigheid is de kern van zijn  bestaan.  

Vanaf het eerste werk dat Marten  Hendriks als professioneel beeldend kunstenaar presenteerde is het omwikkelen en afwikkelen van het verband rond zijn dagelijkse bestaan en hoe hij dat verbeeldt van doorslaggevend belang voor het begrip van zijn werk. De eerste bespreking van een tentoonstelling van Marten Hendriks staat overigens in de Graafschapsbode van 4 september 1961, dus bijna 55 jaar geleden – hij moest nog twintig worden, zoals hij nu nog 75 moeten worden - toen hij als student aan de Academie voor Beeldende Kunsten in Arnhem werk liet zien in de Havezathe Hagen in zijn geboorteplaats Doetinchem samen met Franklin Aalders en Jacques de Jong. Van de waardering die zijn werk tijdens zijn beroepspraktijk ten deel valt, is in het oordeel van scribent N. Jr. – de zoon van de toenmalige hoofdredacteur Nederkoorn van de betreffende krant – over de student Marten Hendriks nog geen sprake. Hij schrijft: “Het werk der drie jonge kunstenaars in spe (…) draagt meer het karakter van de poging dan van het resultaat. (…) Dit voert tot de conclusie dat zij lijden aan zelfoverschatting of dat zij menen hun publiek een rad voor de ogen te kunnen draaien door met twijfelachtige foefjes en interessante titels hun zwakheden te camoufleren en daarmee tegelijkertijd zich te hullen in een waas van mystieke artisticiteit. Zeker zijn in het geëxposeerde werk factoren aan te wijzen, die duiden op artistieke begaafdheid, maar men houdt een indruk over van gemakzucht en zelfvoldaanheid. (…) Van Marten Hendriks zijn o.a. een aantal tekeningen ‘Van de bomen’ te zien, waarin het wezen van de bomen goed is gesuggereerd, maar door bepaalde maniertjes en effecten houdt het werk toch iets oppervlakkigs. In een drietal olieverfportretjes vindt men mooie kleuren, maar de bedoeling ervan blijft nogal vaag mede door de vrij slappe vorm. (…) Over het geheel genomen ontbreekt het op deze tentoonstelling aan jeugdig elan, aan veerkracht en levensdrift. Subsidies, snobisme bij een deel van het publiek, sociale zekerheid van de wieg tot het graf en het loslaten van veel normen in de beeldende kunst (o.a. die van het vakmanschap) zijn factoren die op vele kunstenaars een verlammende invloed uitoefenen en die de matige, maar brutale talenten onder hen een kans geven. Deze nadelige invloeden zijn in het werk van deze drie jongeren nu reeds te bespeuren.” Hiermee had hij als beginnend kunstenaar meteen het ergste gehad wat betreft de kunstkritiek.

De constatering van de recensent dat er in feite niets dan tekortkomingen zijn, heeft Marten Hendriks in ieder geval niet verlamd. Eerder was die doorslaggevend voor het inzicht dat het kunstenaarschap gebaat is bij het overstijgen van ambachtelijkheid, zonder overigens de waardering voor technische vaardigheden te verliezen. In de ontwikkeling van zijn loopbaan laat Marten Hendriks zich in ieder geval nooit door zijn eigen tekortkomingen beperken in wat hij als resultaat nastreeft. In tegendeel: juist wat hij niet kan, wordt door hem geïncorporeerd; zijn werk belichaamt zijn onvermogen als propriëteit, als iets wat onvervreemdbaar van hem zelf is. Vakmanschap is voor hem de eigenschap dat hij iets niet kan, maar het zich desondanks eigen maakt, met alle feilen van dien. Wat Marten Hendriks kan, waartoe hij vakkundig is opgeleid, is schilderen. Dat heeft hem ertoe gebracht als schilder te tekenen en als tekenaar te schilderen, als cineast te werken, te fotograferen, muziek te componeren, geluid te geven, boeken te drukken, grafiek te produceren, manifestaties te organiseren, residencies te bemannen, architectonisch te bouwen, digitale beelden te ontwikkelen, sculpturen te vormen, monumentale werken in de publieke ruimte te realiseren, tentoonstellingen te ontwerpen, performances uit te voeren en les te geven. 

Tussen al die uitingsvormen waarin hij het voorstellingvermogen van zijn wereldbeeld gestalte geeft, is een intensieve wisselwerking gaande van beïnvloeding en verruiming. Dat is vooral zichtbaar in de maat en de schaal die hij zijn denkbeelden geeft. Voor hem is ieder beeld een overweging bij wat hij ziet – het is dus nooit alleen wat hij ziet, maar vooral hoe hij daarover denkt. In werkelijkheid stemt ieder beeld tot een beweegreden er iets van te maken, het in contact te brengen met de drijfveer die de verbeelding voedt. Er is sprake van meervoudige beschouwingen van fenomenen die zich in allerlei gradaties voordoen: als iets wat je in alledaagse processen meemaakt of passief ondergaat tot de vorming van ongrijpbaar gedachtegoed dat daaruit voortkomt. Om daar zicht op te krijgen stalt hij die voor zich uit in voor de hand liggende voorwerpen die hij gebruikt om iets tot stand te brengen, van doosjes lucifers tot verpakkingen van ragoutbakjes waarmee hij het denkbeeldige als maquette inzichtelijk maakt. In die schaalmodellen gaat het om volumes die kunnen worden afgevormd; het zijn de mallen waarin hij zijn gedachten giet, alsof het zandgebakjes zijn die hij vers uit de oven uit hun bakvormpjes klopt. Zo ontwikkelt hij een beeldidioom dat hij zelf een beeldindex noemt, die als ‘image index strip’ inmiddels een omvang heeft die totaliteit suggereert, maar die altijd slechts een fragment van het geheel blijft. Noodgedwongen kiest hij voor het hoofdzakelijke. 

Voor een deel neemt zijn beeldtaal een twee- of driedimensionale afzonderlijkheid aan: schilderijen, tekeningen, prints en objecten die op zichzelf kunnen worden bekeken en die vrijwel altijd blijk geven van verschoven waarneming. Er is een standpunt ingenomen dat niet zozeer is gekozen, maar dat hem is overkomen en waar hij zich tijdens het uitvoeren van het beeld opnieuw rekenschap van geeft. Zo doet het beeld zich aan hem voor en hij neemt het in overweging.

Ieder beeld dat Marten Hendriks tot stand brengt kent een referentie die buiten de verbeelding huist. Dat kan in feite alles zijn. Er is vrijwel niets wat hem niet frappeert. Waar hij niet aan voorbijgaat in zijn werk zijn de patronen in het bestaan die als wafelstructuren raatvormig over elkaar heen liggen en eindeloos ten opzichte van elkaar blijven verschuiven. Ze blijven voortdurend inzicht bieden in de samenhang van divergenties. Dat wil zeggen dat wederkerige verschillen openbaren hoe ze onderling relaties aangaan. Het gaat erom vanuit welke motieven hij zijn intenties kenbaar maakt, waardoor er steeds weer andere resultaten mogelijk zijn. Er komt geen einde aan.

website Marten Hendriks
website Omstand

Alex de Vries doet in 2016 onderzoek naar leven en werk van Marten Hendrik, daartoe in staat gesteld door een beurs van het Mondriaan Fonds.