Mister Motley heeft een boek gemaakt. Koop hier 'Dit is een vertaling'.

Image

De wil van de iPhone (I)

11-09-2019 Richtje Reinsma

In een nieuwe driedelige serie koppelt mister Motley het komende najaar diverse essays van denkers aan geluidswerken van kunstenaar Richtje Reinsma uit de tentoonstelling mybody.com in Nest Den Haag. Vandaag trappen we af met het essay Een slepend gevoel van overbodigheid van dichter Henk van der Waal uit het boek Hoe de dingen ons bewegen. Daarin beschrijft hij hoe de aard van de dingen de afgelopen eeuwen een aantal belangrijke verschuivingen heeft ondergaan. De geluidsfragmenten van Reinsma, ook wel productervaringen genoemd, gaan over het vermoeden dat voorwerpen haar dagelijks instrueren, en sommige zelfs bijzonder krachtig. 
Het eerste deel ontstond in reactie op de iPhone, ook een van de mogelijke afspeelmedia van het werk.
Reinsma gebruikte hierbij de toneeltekst (of anti-toneeltekst) Publikumsbeschimpfung van Peter Handke uit 1966, waaruit ze fragmenten selecteerde, bewerkte en in eigen tekst inbedde. Luister hieronder naar de eerste Productervaring van Reinsma met daaronder het essay van Henk van der Waal.

De wereld om ons heen wordt bevolkt door een schier oneindige hoeveelheid dingen. Waar we ook kijken, overal bevinden zich dingen. Bij alles wat we doen, zetten we dingen in. Of onze activiteit nu ingegeven wordt door ons organisch functioneren of door onze neiging om onze omgeving in te richten, steeds wordt die activiteit mogelijk gemaakt door dingen. De dingen maken het leven dat we leiden mogelijk en aan hen kunnen we aflezen hoe we bestaan en in zekere zin ook wie we zijn. Enigszins vat krijgen op de aard van de dingen is daarom belangrijk als we zicht willen krijgen op de wereld om ons heen en op onze positie daarbinnen. Dat zicht krijgt meer reliëf als we beseffen dat de aard van de dingen de afgelopen eeuwen een aantal belangrijke verschuivingen heeft ondergaan.

De stille dingen
Tot twee eeuwen geleden werd de wereld voornamelijk bevolkt door stille dingen. Deze stille dingen drukken zich vrijwel volledig uit in hun functie. Hun vorm is zo uitgekristalliseerd dat ze haast een aandoenlijke eenduidigheid bezitten. Omdat deze stille dingen voor hun functioneren nogal van ons afhankelijk zijn, zijn het ook wachtende dingen. En omdat het wachtende dingen zijn, stellen ze ons gerust. Ze zullen niets ondernemen zonder onze goedkeuring en zullen zich vrijwel altijd voegen naar onze bedoeling. Zoals een hond gericht is op zijn baasje, zo zijn de stille dingen gericht op ons. Ze laten ons voelen dat er niets zo belangrijk is als wij en dat zij zonder ons slechts de rest zouden zijn van een voorbije tijd. Ze gunnen het ons met andere woorden om hen tot leven te wekken en wij laven ons met graagte aan hun tersluikse aandacht. Ze heten ons in hun stilte voortdurend welkom en toveren ons de omfloerste spiegeling voor ogen van wie we dromen te zijn. Deze stille dingen – het glas dat vergenoegd op tafel staat, de leren fauteuil die in de hoek de hoop op rust levend houdt – verankeren met onmatige precisie de inrichting van onze wereld. 

De stille dingen kunnen dan ook alleen door ons doen waar ze voor gemaakt zijn. Dat komt met name omdat ons lichaam telkens de krachtbron is van de stille dingen. Het mes snijdt alleen als wij het hanteren en de fiets gaat alleen vooruit als wij op de pedalen staan. 

Ze laten ons voelen dat er niets zo belangrijk is als wij en dat zij zonder ons slechts de rest zouden zijn van een voorbije tijd.

De luidruchtige dingen
Twee eeuwen geleden werden de dingen door de gestage ontwikkeling van de stoommachine en de uitvinding van de verbrandingsmotor aangevuld met een hele serie nogal luidruchtige exemplaren. De stoomlocomotief, die vanaf de eerst helft van de negentiende eeuw door het landschap denderde, inspireerde veel uitvinders om ook andere mobiele apparaten te ontwikkelen. Zo ontstonden onder meer de auto en het vliegtuig. Met de introductie van deze toestellen vond er een eerste belangrijke verschuiving plaats in de aard van de dingen en in het leven van de mens. Die mens was ineens niet meer de krachtbron van de dingen en het ding nam ineens geen genoegen meer met de rol van rustig afwachtende bemiddelaar tussen mens en materie. Nee, de met motoren uitgeruste dingen konden in zekere zin zichzelf aandrijven. Die motoren raakten bovendien zo geïntegreerd in de dingen dat ze voor een groot deel het uiterlijk en de mogelijkheden van deze nieuwe dingen gingen bepalen. Die dingen werden daardoor nogal lawaaierig en zelfstandig. Het werden machines.

In plaats van aandrijver te zijn van de dingen werd de mens bediener en bedwinger van de dingen. Wat de mens aanvankelijk vooral met zijn eigen lichaam moest doen – de spierkracht in goede banen leiden – moest hij nu met de gemotoriseerde dingen doen: bovenmenselijke krachten beheersen en richting geven. Van ambachtsman werd de mens een bestuurder van machines waarvan hij de werking maar zeer ten dele zelf begreep. 

De rustige doch ietwat gezapige schoonheid van de veruitwendigde werktuiglijke dingen werd vervangen door dingen die wilden voortbewegen en die schreeuwden om gebruikt en aangezet te worden. De functie van deze gemotoriseerde dingen was vaak nog wel in één oogopslag duidelijk, maar de werking van deze dingen begon zich te verinnerlijken. Omdat de krachtbron niet meer van buiten op het ding aangreep, maar het ding van binnenuit tot werken aanzette, kon de werking van het ding zelf afgeschermd worden van de buitenwereld. Die werking werd naar binnen gevouwen, en zo letterlijk ‘ingewikkeld’. Door deze naar binnen gevouwen werking vroeg het apparaat als geheel erom te worden vormgegeven. Zo ontstonden er dingen die zich voordeden als vreemde lichamen die herrie maakten zonder taal uit te slaan. 

De mens moest die vreemde lichamen naast zich dulden. Dat veroorzaakte veel opwinding en optimisme vanwege de ongekende mogelijkheden die deze nieuwe dingen boden. Maar tegelijkertijd staken ook de eerste tekenen van angst en onbehagen de kop op. De zelfstandigheid en kordate handelingsgerichtheid van deze krachtpatsers benauwden de mens al snel. Zo groot en machtig als deze machines de mens maakten, zo klein en machteloos voelde diezelfde mens zich naast deze apparaten. Kon hij de ontketende krachten wel in de hand houden en werd hij zelf door die ontketende krachten niet machtiger dan goed voor hem was? Ging de menselijke maat, die gekoppeld was aan en begrensd werd door de kracht en de mogelijkheden van het eigen lichaam, niet verloren? En werd de mens niet slaaf van de machine in plaats van andersom? Werd hij niet opgejaagd door de nieuwe snelheid en mobiliteit en door de ongekende mogelijkheden tot ontginning en omvorming van de aarde? Luisterde het ding nog wel naar het ritme van het lichaam, of werd dat lichaam overgenomen en opgejaagd door het stampen en stuwen van de machines? 

Zo groot en machtig als deze machines de mens maakten, zo klein en machteloos voelde diezelfde mens zich naast deze apparaten.

De denkende dingen
Dit lijken met nostalgie omrande vragen zonder werkelijke urgentie. We zijn inmiddels immers in staat gebleken om onze luidruchtige dingen een stuk gebruiksvriendelijker te maken. We beheersen de motorische krachten tot ver achter de komma en wenden ze met speels gemak aan ten eigen nutte. In elk stil ding is wel een motortje geknutseld. Het scheermes is een scheerapparaat geworden en het koffiefilter een espressomachine. De fiets wordt een e-bike en de modernste auto’s zoeven voorbij alsof er een zuchtje wind in hun zeilen blaast. Deze ontwikkeling naar een steeds grotere fijnzinnigheid is in een stroomversnelling gekomen door een tweede verschuiving in de aard der dingen. Het betreft hier de opkomst van de denkende dingen, met als paradepaardje de computer. Van dingen dus die zelf tot op zekere hoogte ‘weten’ wat ze doen, waardoor ze hun activiteit kunnen doceren en reguleren. 

Deze denkende dingen hebben de wereld sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw in allerlei vormen en maten overspoeld. Allerhande dingen die aanvankelijk niet denkend waren, zijn denkend geworden. Het ene ding kreeg een scherm, het volgende een afstandsbediening, het derde een programma. Waar het stille ding werd aangedreven door de lichaamskracht van de mens en het luidruchtige ding werd bestuurd door het intellect van de mens, is het denkende ding goeddeels baas in eigen behuizing. Behalve dat dit denkende ding de processen beheerst die het zelf in gang zet, is het vrijwel altijd ook in staat om meerdere taken tegelijkertijd uit te voeren. De functies en mogelijkheden van de denkende dingen zijn daarbij vaak zo ingenieus verpakt dat aan de buitenkant van deze dingen nauwelijks is af te lezen waar ze voor bedoeld zijn.

Waar bij het luidruchtige ding de krachtbron zich naar binnen keerde, daar is bij het denkende ding de functie zelf verinnerlijkt. Een duister netwerk van elektronische schakelingen kan allerhande zaken met een verbluffende snelheid volbrengen. Bovendien staan deze denkende dingen altijd aan of stand-by en voeren ze hun taak ook uit als wij hele andere dingen aan het doen zijn. Ze gaan gewoon door met zenden en ontvangen, met registreren en commanderen, met grasmaaien en voorraden checken, ook als wij liggen te slapen of in de kroeg ons bestaan tegen het licht houden. 

Hoewel ons leven sinds de introductie van deze denkende dingen nog nooit zo comfortabel is geweest, wakkeren ze niettemin een onvoorziene tweeslachtigheid in ons aan. Weer is er die opwelling van enthousiasme vanwege al het mogelijke en onmogelijke dat deze dingen kunnen. Maar ook is er weer dat vale onbehagen en die schrijnende benauwenis, omdat deze nieuwe dingen weer iets van de functie en betekenis die we dachten te hebben, voor onze neus lijken weg te kapen. 

Waar bij het luidruchtige ding de krachtbron zich naar binnen keerde, daar is bij het denkende ding de functie zelf verinnerlijkt.

Accuratesse
Bij de opkomst van de luidruchtige dingen kiemde bij ons het besef dat er ontwikkelingen plaatsvonden die de menselijke maat verre te boven gingen. Die maatvoering lijkt bij de denkende dingen niet direct het probleem te zijn. Deze slimme dingen, zoals de smartphone en de computer, zijn in het algemeen uiterst prettig en ‘intuïtief’ in het gebruik, en ondertussen ook nog eens uitgerust met een verbluffend geheugen en een ongekende rekencapaciteit. Ze kunnen daardoor alles wat wij doorgaans doen om ons staande te houden in de wereld vele malen beter dan wij. En al helemaal als hun capaciteiten zijn ingebouwd in inmiddels klassieke dingen als de auto of het vliegtuig. Dan ontstaan er in combinatie met camera’s en allerhande sensoren zelfsturende dingen die beschikken over een optimale risicocalculatie, over een excellente  inschatting van afstand en snelheid en over een zeer effectief reactievermogen dat nog niet een begin van aarzeling kent. 

Precies al dit menselijke kunnen dat ingebouwd is in de denkende dingen benauwt ons echter en wekt in ons de angst dat ze ons boven het hoofd kunnen groeien. Waar onze menselijkheid ten tijde van de luidruchtige dingen nog wel eens op de voorgrond trad als er door een menselijke fout een behoorlijk ongeluk had plaatsgevonden, hebben de denkende dingen al het menselijke kunnen geïnternaliseerd en al het menselijke falen uitgebannen. De zelfsturende auto veroorzaakt geen botsing en de automatische piloot landt altijd perfect, hoe beroerd de weersomstandigheden ook zijn. De denkende dingen fluisteren, terwijl ze geruisloos en zonder morren hun werk doen, ons eigenlijk in het oor: ‘Relax, wij kunnen wat jij zou willen doen, veel beter en veiliger en vlugger dan jij.’ Die hautaine accuratesse van de denkende dingen maakt ons onzeker en vestigt in ons een slepend gevoel van overbodigheid. 

Vervreemding
De paradoxale mengeling van enthousiasme en onbehagen die de denkende dingen veroorzaken, kent nog een tweede bron. De denkende dingen respecteren namelijk niet de grens van ons lichaam, zoals de meeste dingen voor hen deden. Nee, de denkende dingen willen meer dan alleen uiterlijkheden voor ons regelen, ze willen ook ons lichaam controleren. De nieuwste denkende dingen, de ‘biodingen’, die we als bandje of horloge om de pols kunnen dragen of als met sensoren uitgeruste kleding op de huid, registreren zo veel mogelijk lichaamsfuncties en geven, meestal ongevraagd, advies over de wijze waarop we die functies kunnen optimaliseren. De denkende biodingen nemen op nogal rigoureuze wijze de waarneming en beoordeling van ons lichamelijk welbevinden van ons over en drijven zo een wig  tussen ons en ons lichaam. 

De denkende dingen respecteren namelijk niet de grens van ons lichaam, zoals de meeste dingen voor hen deden.

Het scherm van de smartwatch of mobiele telefoon wil ons voortdurend vertellen welke prestatie we hebben geleverd of zouden hebben moeten leveren. Het lichaam, voorheen ons lichaam, gaat daardoor functioneren in een totaal berekend en betekend kader. En dat gebeurt al helemaal als we door omstandigheden in de medische molen terechtkomen. Dan wordt alles wat we zijn gemonitord en wordt de vraag ‘hoe voelt u zich vandaag’ een overbodige, omdat de apparaten waar de verpleegkundige en ook wijzelf als patiënt toegang toe hebben, dat al hebben aangegeven. 

Ons zelfgevoel is voor het grootste deel gebaseerd op de impliciete waarneming van onze lichamelijke toestand, stelt de Italiaanse neuroloog Antonio Damasio.  Het lijkt erop dat we die waarneming op nogal potsierlijke wijze aan het uitbesteden zijn aan onze nieuwe gadgets. Daarmee maken we ons los van het meest vertrouwde dat wij zelf zijn: ons lichaam. Wat tot een enorme geruststelling had moeten leiden, een ding dat in de gaten houdt hoe het met ons is gesteld, tast eigenlijk ons wezen aan: ons zelfgevoel. Onze onmiddellijke basiservaring, het overeenkomen van onze lichamelijke toestand met ons zelfgevoel, raakt door de nieuwe apparaten, die binnenkort ongetwijfeld ook gekoppeld zullen zijn aan big data zoals ons genoom, bemiddeld. 

In een poging onze gezondheid te optimaliseren en onze lichamelijke functies te controleren vindt zo ongemerkt een gigantische vervreemdingsoperatie plaats. Voor we er erg in hebben wordt negentig procent van wat wij dagelijks doen, namelijk ‘ons voelen’, overgenomen door apparaatjes die ons gekwantificeerd en met grafische middelen meedelen hoe we ons hebben te voelen. De kans is dan ook groot dat wij al lang voor het ultieme denkende ding, de robot, ons de wacht aanzegt, zelf al verregaand gerobotiseerd zijn.

Het scherm van de smartwatch of mobiele telefoon wil ons voortdurend vertellen welke prestatie we hebben geleverd of zouden hebben moeten leveren. 

Luxe en onsterfelijkheid
Maar er is nog een derde bron die ons paradoxale gevoel ten aanzien van de denkende dingen voedt. Wij zijn steeds beter in staat om het verouderingsproces te controleren en af te remmen. Van buitenaf gebeurt dat door de inzet van plastische chirurgie en geavanceerde transplantatietechnieken. Van binnenuit gebeurt dat of gaat dat gebeuren door het inbrengen van microchips en nanomachientjes die niet alleen allerhande lichamelijke processen kunnen reguleren, maar in de toekomst wellicht ook genetische ontsporingen kunnen repareren. Daardoor kunnen wij onze tijdsduur hier op aarde binnenkort flink verlengen. De relatieve onsterfelijkheid die dan ontstaat, willen we echter alleen over ons afroepen als die gepaard gaat aan een ongebroken toestand van geluk en ontspanning. Precies die toestand zijn al de dingen die voor ons denken voor ons aan het realiseren. 

Al voor de denkende dingen dit ideaal van relatieve onsterfelijkheid en totaal comfort mogelijk hebben gemaakt, steken er echter weer een aantal venijnige vragen de kop op. Want wie is deze mens nog die door alle denkende dingen behoorlijk overbodig is geworden? Een partikeltje vrije wil? Een stukje persoonlijkheid? Een bundeltje communicatieve vaardigheden? En krijgen die vrije wil en persoonlijkheid en communicatieve vaardigheden door de denkende dingen nu dan eindelijk de kans volledig te ontbotten omdat ze niet meer belemmerd worden door fysieke beperkingen? Of gebeurt het tegenovergestelde en verdwijnt het menselijke van de mens juist in de mate waarin hij de noodzakelijkheid en het verval onder de knie krijgt?

De relatieve onsterfelijkheid die dan ontstaat, willen we echter alleen over ons afroepen als die gepaard gaat aan een ongebroken toestand van geluk en ontspanning.

De vervluchtiging van tijd en ruimte
Dat laatste is niet geheel denkbeeldig, want behalve dat de denkende dingen ons niet meer onze fouten en onvolkomenheden gunnen en ons vervreemden van ons zelfgevoel, vervluchtigen ze ook de tijd. Met wat medisch ingrijpen hoeft die tijd zijn sporen niet meer op ons lichaam in te kerven en de voorraad nieuwe dingen is inmiddels zo groot, dat we het verval van de net iets oudere dingen niet meer hoeven mee te maken. Wij zijn daardoor steeds meer wezens aan het worden die volledig opgaan in het nu en die de tragedie van de voorbijgang niet meer onder ogen hoeven te zien. 

Dat heeft gevolgen voor de manier waarop wij onszelf ervaren. Een echte en doorleefde ervaring wordt gekenmerkt door uniciteit en tekent lichaam en geest vanwege de verandering die ze teweegbrengt. Voorbijgang en onherhaalbaarheid zijn daarom essentiële onderdelen van een ervaring. Als we die voorbijgang uit onszelf en uit de dingen om ons heen filteren, blijft de vreugde aan wat we meemaken misschien behouden, maar wordt de pijn van het verglijden van de tijd weggemasseerd. Dat we zelf een wezen zijn dat teloorgaat, verdwijnt uit het zicht op het moment dat we door de toepassing van allerhande technologieën altijd maar dezelfde blijven, ongeacht wat er met ons gebeurt. We hebben dan wellicht het eigen verval overwonnen, maar als mens, dat wil zeggen als enige wezen dat in de put van de eigen verdwijning kan kijken zonder er direct in te springen, houden we op te bestaan. Kortom, als de denkende dingen op de ingeslagen weg voortgaan, brengen ze binnen afzienbare tijd de vergankelijkheid zodanig onder controle dat de tijd als gronddimensie van ons bestaan is vervluchtigd. 

Wat voor de tijd geldt, geldt ook voor de ruimte. Het hoeft geen betoog dat het platte vlak van het beeldscherm onze belangrijkste levensruimte is geworden. Dat heeft nogal wat gevolgen voor onze lichamelijkheid. Onze hele motoriek moeten we vanwege de denkende dingen reduceren tot de minieme bewegingen van onze vingers en oogbollen over het scherm. Voor zolang dat nog duurt overigens. Want met een beetje vooruitgang kunnen we direct via onze hersenen onze dromen projecteren op de gladde schermen van de denkende dingen. 

En wat wij dan zelf zijn geworden? Een puntvormig niets misschien, een vrije wil zonder greep op de werkelijkheid, een bewustzijn zonder inhoud. 

We hebben dan wellicht het eigen verval overwonnen, maar als mens, dat wil zeggen als enige wezen dat in de put van de eigen verdwijning kan kijken zonder er direct in te springen, houden we op te bestaan.

Net buiten ons zelf
Willen we terug naar de stille dingen die zich langzaam uit de tijd lieten drukken en daardoor het voorbijgaan van de tijd voelbaar maakten? Terug naar de tijd waarin wij zelf al sjorrend aan de dingen ons voorbijgaan leefden terwijl we onszelf uitputten en op het spel zetten?

Nee, terug willen en kunnen we niet. Maar we kunnen wel onder de virtuele werkelijkheden die de denkende dingen aan het organiseren zijn de doorleefde werkelijkheid van de stille dingen een plaats geven. Vooral omdat een belangrijk deel van onze ervaring gegrond is in onze omgang met de stille dingen, is dat meer dan de moeite waard. 

Die omgang kent een paar momenten. De stille dingen vragen om te beginnen onze aandacht, onze koestering. Want de stille dingen zijn dingen die met zorg behandeld willen worden en die als ze stuk zijn gerepareerd willen worden. Als we hen die aandacht gunnen, groeperen ze zich als tegenprestatie als unieke levensbakens om ons heen. 

Daarnaast vragen de stille dingen onze afstemming. Als we met de stille dingen om willen gaan, moeten wij ons naar hen voegen. Om de stille dingen te laten functioneren moeten wij begrijpen hoe ze werken en moeten we ons via hen verstaan met de materie die ze bewerken. Dit verfijnde krachtenspel tussen het ding, onze spierkracht en de te bewerken materie spreidt ons uit in ons bestaan. 
Niet in de beschouwing van het ding of in de analyse van zijn functie, maar tijdens het gebruik van het ding wroeten we uiteindelijk pas echt in het wezen van het bestaan.  Lichaamskracht, tastzin, materie, ruimtelijkheid, tijdsverloop, verstaan, geduld, aandacht – al die zaken vloeien tijdens het gebruik van het stille ding samen in de smeltkroes van het gebeuren. In de hitte van het handelen is geen onderscheid te maken tussen lichaam en geest, tussen materie en gereedschap, tussen doel en middel. In het geconcentreerde gebruik van het stille ding is er sprake van een wonderlijke vergadering, van een bijzonder conclaaf waarvan mens, spierkracht, gereedschap en materie de rituele smaakmakers zijn. We ervaren dan in ruimte en tijd een eiland van oneindigheid. Want juist in het gebruik van de stille dingen worden we de mystieke cirkel van het deelgenootschap ingetrokken en zijn we daar waar we horen te zijn: net buiten ons zelf. 

De tentoonstelling mybody.com is nog tot en met 3 november 2019 te zien in Nest. Klik hier voor meer informatie.
In Hoe de dingen ons bewegen onderzoeken schrijvers, kunstenaars en wetenschappers hoe alledaagse voorwerpen mensen beïnvloeden. Dit boek is samengesteld door Caroline Ruijgrok en Bernke klein Zandvoort en via deze link te bestellen. 
Bekijk hier de website van Richtje Reinsma en hier de website van Henk van der Waal.  
Omslagfoto: Hans Poel

Ook adverteren op mistermotley.nl? Stuur dan een mail naar maurits@mistermotley.nl