Gedurende een werkperiode van zeven maanden verbleef kunstenaar Bastienne Kramer in Cité International des Arts in Parijs. Haar onderzoek naar de beeldtradities van vrouwenlichamen in een uiteenlopende context stond daarbij centraal. Een interview over seksistische objecten, antropologie en het opheffen van tijd: 

Alexandra Landré: Jouw oeuvre beslaat een grote diversiteit aan beelden, ruimtelijke interventies, installaties en werk in de openbare ruimte. Op het eerste gezicht lijken er zich twee lijnen af te tekenen: een van figuratief werk en een van abstracte beelden. Maak je hierin zelf een onderscheid, of hoe verhouden deze zich tot elkaar?

Bastienne Kramer: Voor mij zijn de noties van figuratie en abstractie niet essentieel verschillend. De abstracter lijkende elementen binnen sommige installaties zijn evengoed afgeleid van reële dingen, de mate van inzoomen bepaalt de mate van herkenbaarheid. De verbindende factor tussen de werken is de relatie tussen utilisatie en autonomie. In dit spanningsveld bevinden zich culturele fenomenen, waarop ik met mijn kunst reageer en die ik vanuit een antropologische interpretatie van culturele identiteit onderzoek.

Wat bedoel je precies met een antropologische benadering van cultuur? 

BK: Ik ben geen antropoloog, maar ik denk wel dat ik als kunstenaar menselijke fenomenen bestudeer en hoe dit zijn weerslag vindt in vormen van cultuur en maatschappij. Een identiteit die mede gevormd wordt door voorwerpen die ons omgeven en die we gebruiken en die evengoed ons begrip van cultuur vormen. 

Vanuit een cultuurhistorisch perspectief kun je complete beschavingen uit het verleden schetsen aan hand van artefacten. Maar hoe verhoudt zich dit tot onze persoonlijke affiniteit met dingen, en welke rol spelen dan de dagelijkse voorwerpen? 

BK: Ik denk dat deze manier van denken geworteld is in de manier waarop ik ben opgegroeid. Mijn familie heeft gedeeltelijk een Nederlands-Indische achtergrond en ik ben vrij beschermd opgevoed, met een gevoel dat je als buitenstaander nooit helemaal onderdeel bent van een maatschappij. Mede hierdoor ging ik met een soort verbijstering naar objecten en gedragscodes kijken. Als je met een open blik naar je eigen omgeving kijkt – nieuwsgierig en vrij van oordelen – zie je de meest vanzelfsprekende objecten in een ander daglicht – zonder discriminatie met betrekking tot hun waarde.

Hoe vertaalt zich deze ‘oordeelsvrije blik’ weer terug in jouw praktijk?

BK: Een goed voorbeeld is altijd de vraag hoe vrouwen afgebeeld worden in onze maatschappij, en wat dit (al dan niet onbewust) betekent. De profane voorwerpen die ik soms vind, bijvoorbeeld aanstekers vormgegeven als een vrouwenlichaam – voor wie zijn deze objecten bedoeld? Zijn die ook voor mij? Of een seksistisch zout- en peperstel, een liggende vrouw met twee grote borsten, de ene gevuld met zout en het andere met peper. Met wie communiceert dit object? Wie is de maker, wie is de consument en wat is de bedoeling van dat ding? Het is bruut en bot, maar ook hilarisch. Dat opent mogelijkheden om de betekenis te bevragen, of de vraagstelling te visualiseren en te verbeelden in een nieuwe context. 

Dit principe pas ik toe in de sculptuur G8. Daarin wordt de vorm van dit gebruiksvoorwerp uitvergroot naar een menselijke maat. Die handeling van simpele uitvergroting maakt de absurditeit van het object tastbaar. De installatie roept vragen op over de oorsprong en de bedoeling van het ding én de intentie van de anonieme maker. In de context van een tentoonstelling zie je aan de reactie van bezoekers de uiteenzetting met het onderwerp. 

Een verandering in schaal, of de vertaling naar materialen die wij als ‘edel’ ervaren maakt dat we er geheel andere associaties en waarden aan verbinden. Interessant hieraan is hoe slecht de oorspronkelijke voorwerpen vaak geproduceerd zijn als ze vanuit de fun-industrie op de markt gebracht worden. Door het veranderen van de context en de beleving vindt er een perspectiefverschuiving plaats: wellicht gaat iemand van het voorwerp houden. Als je van dagelijkse dingen kunt houden – van een knuffel of een kopje – waarom niet ook van het absurde zout-en-peperstel, of aan een seksistische aansteker. 

Dan gaat het niet meer om de uitstekende functionaliteit van het object of om een designoplossing, maar om andere kwaliteiten.

BK: De meeste objecten die ik ‘gebruik’ hebben geen directe noodzaak en de functie is vaak ondergeschikt aan hoe ze eruit zien. Functionaliteit is eerder een vermomming, en dat maakt het object zo bizar: functionaliteit als camouflage. Door van deze objecten werkmateriaal te maken bevrijd ik het oorspronkelijke voorwerp van zijn gebruiksmaskering. Dat werkt als een bevrijding van ‘het ding’, en zo rijst de vraag of een lelijk en verwerpelijk ‘ding’ mooi kan worden.

Dit lijkt een vorm van identiteitspolitiek van het object, terwijl je het je ook weer toe-eigent…

BK: Maar de toe-eigening van beeldtaal en objecten kom je op veel plekken tegen. Neem een tankstation langs de snelweg en hoe dit in verschillende landen functioneert. In Frankrijk zag ik een winkel van een benzinestation die volledig voorzien was van een zoetige schelpen tekening – tevens het bedrijfslogo – geschilderd door een kinderhand. Van echte schelpen waren bloemen geknutseld en verspreid als decoratie: een beetje huiselijk en een heel kitscherige verschijning. In dit voorbeeld wordt onbedoeld een commerciële, corporate identiteit onschuldig gemaakt. Het zijn deze hybride vormen die mij opvallen. In mijn praktijk stel ik vragen over de wijze waarop wij dit soort dagelijkse tekens lezen, interpreteren en van waarde en betekenis voorzien. 

Hier lijkt de antropologische blik terug te komen. Jij benoemt verschillen in beeldtaal en toepassing. Schuilt hierin ook een onderzoek naar een verbindend element tussen culturen?

BK: Dit is de reden waarom ik graag en veel reis. Het ontdekken van een andere cultuur veroorzaakt een kanteling in onze waarneming. Het biedt de kans om vanuit een andere invalshoek, een afstand of als reiziger, naar je eigen cultuur te kijken, waarbinnen je toch geconditioneerd raakt en blinde vlekken ontwikkelt.

Zo’n verkenning van culturele identiteit lijkt me een onophoudelijk proces binnen jouw artistieke praktijk. Veel van je werken ontstaan in een reeks, bijvoorbeeld in de vorm van afzonderlijke onderdelen of een serie van werken. Is er een verband tussen de continuïteit van je onderzoek en het gebruik van multiples?

BK: Mijn inhoudelijk onderzoek naar functionaliteit loopt ook door in formele afwegingen en materiaalkeuzes. Keramiek kan bijvoorbeeld door de inzet van afdrukken, mallen en andere reproductievormen makkelijk in series vervaardigd worden. De vragen rondom functionaliteit of artisticiteit worden ook belichaamd binnen het materiaal zelf: al zolang keramiek bestaat zijn er zowel gebruik- als kunstvoorwerpen van gemaakt.

'Tijd’ lijkt ook door je werk te meanderen, bijvoorbeeld als het gaat om de geschiedenis van het materiaal of van vormen. Ook schrijf je bijvoorbeeld over ‘snelle’ en ‘langzame’ cultuur. Kun je hier meer over vertellen?

BK: Artistieke processen vertakken zich als een soort rizoom. Beelden en objecten uit onze snelle, hedendaagse reproductiecultuur verbinden zich met de langzame, canoniseerde beelden uit een cultuurhistorische context. Het is een doorlopend en continu onderzoek, waaruit vervolgens de afzonderlijke projecten ontstaan. In die zin zijn mijn kunstwerken geen eindpunt maar een moment in het proces. Neem de clusters werken in de ‘Idols’-reeks: aanstekers die vormgegeven zijn als vrouwenlichaam, meestal zonder hoofd. Ik ben deze aanstekers over de hele wereld tegengekomen in toeristenwinkels en kiosken. Kijkend naar deze aanstekers en prehistorische vruchtbaarheidsbeelden zag ik een koppeling tussen de twee: in beide gevallen is er een relatie met het lichaam wanneer je het object in je hand houdt, en is er een rituele functie aan verbonden. Dit lijkt een menselijk gegeven dat het geologische tijdsverschil eventjes overstijgt.

Denk bijvoorbeeld aan een archeologische vondst, een scherf waar een menselijk spoor op zit – een vingerafdruk. Op het moment dat je dat ziet of voelt heb je een tastbare connectie door de tijd heen. De afdruk functioneert als een tijdmachine, wat ik heel fascinerend vind. En eigenlijk besef je ook dat er ondanks het tijdsverschil niet zoveel afstand zit tussen de mens van toen en die van nu en lijken wij toch meer op de prehistorische Venus dan we willen beseffen. We waarderen de interpretatie van vruchtbaarheid in prehistorische vrouwenfiguren en gaan ervan uit dat een seksistische afbeelding – bijvoorbeeld in de vorm van aansteker – een hedendaagse uitvinding is. 

Er is geen hoge en lage cultuur, en ik maak evenmin een verschil tussen tijdsconcepten als ‘prehistorisch’ en ‘modern’. De culturele en persoonlijke relaties die wij hebben met objecten worden bepaald door functionaliteit, affectie, of schoonheid. En door deze te bevragen probeer ik ons idee over culturele identiteit steeds een stukje op te rekken

 Alexandra Landré is curator bij kunstvereniging Diepenheim en adviseur voor verschillend organisaties.