‘Schrijvers van een schrijfopleiding kan ik gewoon niet serieus nemen.‘ Als er volgens schrijver Christiaan Weijts één plek is die een beginnende schrijver moet mijden, zo laat hij weten in het tijdschrift van het Letterenfonds, dan is het wel een schrijfopleiding.  ‘De beste schrijvers zijn juist nee-zeggers, out-casts, verschoppelingen. Die verzetten zich tegen groepsdenken. Slauerhoff, Oscar Wilde, Rimbaud. Je kunt je toch niet voorstellen dat die in een schoollokaal hebben gezeten?’. 

Ook al zullen velen deze mening van Weijts romantisch of achterhaald vinden, het is nog steeds een veelgehoorde opvatting in schrijversland; ‘Je wordt geen schrijver, maar je bent er een.’ In de beeldende kunst gaat dit niet op. Afgelopen week gaf econoom Monika Kackovic nog een lezing in het Loyd hotel over waarom sommige kunstenaars succesvoller zijn dan anderen. Hierbij werd er gekeken naar alumni van de Rietveld academie en de Rijksakademie, dat er niet gekeken werd naar autodidacten was geheel vanzelfsprekend: als kunstenaar ga je naar de kunstacademie en het liefst volg je daarna nog enkele masters, daar wordt niet aan getwijfeld. Maar hoe kan het dat in de schrijverswereld – en ook zeker in de muziekindustrie – eigengevormdheid een heilige graal lijkt te zijn, maar in de kunstwereld een teken van gebrek aan kwaliteit? 
Het heeft denk ik te maken met het feit dat in de beeldende kunst de scheiding tussen amateurs en professionele kunstenaars veel vaker en rigoureuzer wordt gebruikt dan in andere culturele werelden.* Dit gebeurt onder andere door instituten uit de kunstwereld. Zo kan men bijvoorbeeld alleen in aanraking komen voor een Bijdrage Jong Talent van het Mondriaan Fonds als je een beeldende kunst opleiding hebt gevolgd. ‘Een aanvraag kan worden ingediend door kunstenaars die ten minste drie jaar een hbo-opleiding met een beeldende kunst curriculum hebben gevolgd‘ In de schrijverswereld of de muziekindustrie wordt nauwelijks gevraagd naar het diploma of de opleiding van schrijvers en muzikanten bij het selectieproces voor fondsen, prijzen of contracten. Het eerder geproduceerde werk is daar doorslaggevend. Zo kunnen bij het Letterenfonds projectsubsidies worden aangevraagd ‘door schrijvers die op het moment van het indienen van de aanvraag minimaal één Nederlands- of Friestalig literair werk hebben geschreven.’ En bij het Fonds voor Podium Kunsten is het belangrijkste criteria ‘de kwaliteit van eerder werk van de aanvrager.’ 

Het strikte onderscheid wordt ook toegepast door kunstenaars zelf. Zo geven veel jonge afgestudeerde kunstenaars zichzelf bijvoorbeeld de regel dat ze binnen vijf jaar willen ‘doorbreken’. Als dat niet lukt spreken ze af dat ze daarna de beeldende kunst alleen nog maar als hobby willen benaderen. Deze overgang tussen ‘professioneel’ en ‘amateur’ is veel zwart-witter dan in andere culturele sectoren. Een schrijver als Connie Palmen kan heel goed pas op haar 35ste haar debuut schrijven, daarna weer een paar jaar niet schrijver om vervolgens het succesvolle I.M te publiceren. Of ze in die tussenjaren iets anders doet, wat ze vóór haar debuut heeft gedaan of nog gaat doen is daarbij niet van belang. En ook muzikant Spinvis was nooit werkzaam in de muziekindustrie, brak door op zijn 41ste met zijn eerste album en 15 jaar later brengt hij pas zijn tweede album Trein Vuur Dageraad uit. Dat hij in die tussenjaren misschien totaal andere dingen heeft gedaan, en voor zijn 41ste waarschijnlijk ook, maakt niemand iets uit en hemzelf allerminst. Natuurlijk zijn Spinvis en Palmen overduidelijk professionals, maar doordat de voorwaarden hiervoor diffuus zijn, lijkt het benadrukken daarvan er minder toe te doen dan in de beeldende kunst.

Toen mister Motley het afgelopen jaar onderzoek deed naar de behoeften van de “amateur en deeltijd-kunstenaar” kon de klok erop gelijk worden gezet dat na iedere facebookpost er veel reacties binnen stroomden van veelal amateurs. Van dankbare berichten dat ‘er eindelijk aan deze groep aandacht werd besteedt, maar ook: ‘Waarom wilde mister Motley categoriseren en mensen in een hokje stoppen?’ ‘Waar kwam de vernederende term amateur en de verwarrende term ‘deeltijdkunstenaar’ eigenlijk vandaan?’ Nog nooit eerder was er een rubriek op de website die voor zoveel discussie zorgde. Ik vraag mij af of er ook zoveel aanstoot aan het onderzoek zou worden gegeven als het over amateur- voetballers, muzikanten of toneelspelers zou gaan. Doordat het onderscheid tussen amateurs en professionals zo aanwezig is in de beeldende kunst, lijkt er een negatieve connotatie aan het woord amateur te zijn ontstaan. 

In zijn column Op de kunstacademie worden geen kunstenaars meer opgeleid snijdt Ruben Jacobs een belangrijke ontwikkeling aan. De term kunstenaar wordt volgens hem nog maar weinig gehoord op academies aangezien er vaker gesproken wordt over ontwerpers, vormgevers en makers. Dit valt mij ook op als in gesprek ben met academiestudenten. Ze hebben het over ‘mijn werk, of ‘mijn proces’, en eigenlijk nooit over ‘mijn kunst’. De komende jaren, wanneer deze studenten afgestudeerd zijn en er weer nieuwe ‘makers’ en ‘ontwerpers’ worden opgeleid die ‘werk’ maken, is de kans groter dat het onderscheid tussen kunstenaars en amateurs diffuser wordt. Simpelweg omdat alumni van kunstacademies zich niet per definitie willen scharen onder het kunstenaarschap. Dat is niet erg, maar het ‘wel of niet opgeleid zijn’ wordt daardoor een steeds minder vanzelfsprekend meetinstrument voor het professionele kunstenaarschap. Misschien moet de beeldende kunst iets meer kijken naar de schrijverswereld en de eigengevormdheid van kunstenaars serieuzer gaan nemen.