Image

In gesprek met Tessa Chaplin

13 Jun 2018 Milo Vermeire

De schilderkunst van Tessa Chaplin (1991, Haarlem) is kleurrijk, dromerig en roept onder meer associaties op met het werk van Paul Gauguin. Ze studeerde Fine Art aan de AKV St. Joost in Breda, in 2015 besloot Chaplin naar de universiteit in Tilburg te gaan en drie jaar later ronde ze daar de master Art, Media and Society af. We spreken elkaar in de KersGallery aan de Lindengracht in Amsterdam omringd door een schilderkunstig feest van kleuren, associaties, figuren en symbolen.

Milo Vermeire (MV): In een eerder interview heb je gezegd: “Schilders beginnen vaak niet vanuit een concept, die beginnen vanuit een traditie”, hoe zit dit bij jou?

Tessa Chaplin (TC): Die dingen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Ik vertrek altijd vanuit beeld omdat je een werk nooit op zichzelf ziet, vrij van associaties. Een beeld is altijd verbonden aan andere beelden. Als beeldend kunstenaar ben ik constant bezig met hoe dit werkt en merk ik, zeker als schilder, dat het moeilijk is om uit een traditie te stappen. Met woorden kan je alles uitleggen en daarmee sneller de diepte in gaan, terwijl je als schilder moet werken met wat mensen kennen qua beeldtraditie.

Daar komt bij dat je in beeld niet zo makkelijk uitspraken kan doen als in taal. In beeld ben je gelijk teruggeworpen op de traditie van het beeldaspect. Je kan niet zeggen: ik gebruik zomaar die kleur. Je bent altijd verbonden aan de overlevering die daaraan vast zit. Ik vind dat er soms, zeker op de kunstacademie, teveel wordt vastgehouden aan het idee dat je eerst een concept moet hebben en er daarna pas een beeld aan wordt toegevoegd. In mijn ogen gaan deze twee zaken gelijk op. Het gevaar is dat anders verwijzingen uitgelegd moeten worden of te letterlijk zijn.

MV: Je spreekt zowel in je artist statement als in je thesis voor de master ‘Art, Media and Society’ over het problematische begrip ‘the Oriënt’. Het oriëntalisme vindt zijn oorsprong in het negentiende-eeuwse Europa, waar vanuit een soort fascinatie een stereotypische perceptie van een aangrenzend cultuurgebied ontstond. Het begrip is echter nooit scherp gedefinieerd geweest. Kun je iets meer vertellen over de rol van het oriëntalisme in jouw werk?

TC: Ik ben met name geïnteresseerd in het Westerse verlangen naar ‘de Oriënt’. Ik herken dit aspect van de westerse identiteit ook bij mezelf, waarbij ik de dagelijkse realiteit inwissel voor een imaginaire ruimte. Alleen doe ik dat met een nieuw perspectief ten opzichte van de negentiende-eeuwse Europeanen. Zij waren oprecht in hun verlangen naar het oosten, maar hadden daarin een naïviteit die we ons tegenwoordig niet meer kunnen veroorloven.

Kenmerkend aan de geglobaliseerde, eenentwintigste eeuw is het gemak waarmee mensen aan informatie en beelden kunnen komen. Dit was voorheen natuurlijk anders, toen je er nog op uit moest om inspiratie op te doen. Omdat het zo moeiteloos gaat voelt het vanzelfsprekend om van allerlei culturen verschillende elementen in mijn werk te gebruiken. Wat mij opvalt, is dat de grenzen van het begrip oriëntalisme niet vastomlijnd zijn. Ik heb bijvoorbeeld Poolse en (Europees) middeleeuwse motieven in mijn werk zitten, deze zijn totaal niet verbonden met het oriëntalisme terwijl mijn schilderingen daar wel mee geassocieerd worden. Bij het begrip oriëntalisme verwacht je bepaalde kleuren en motieven, maar deze zijn grotendeels een Westerse invulling. De platheid die je ziet in een Japanse blokdruk print, zie je ook in middeleeuwse schilderingen.

MV: Zie je ook bepaalde risico’s in het overnemen van elementen van verschillende culturen? Hoe ga je om met zoiets als ‘cultural appropriation’?

TC: Ik ben bekend met de kritiek en ik denk niet dat ik hier ooit een goed antwoord op kan geven, omdat het op zo veel verschillende manieren kan worden toegepast. Het gevaar is dat de oorspronkelijke betekenis van de culturele elementen wordt vervormd. Dit kan door de leden van een cultuur worden beschouwd als respectloos, of zelfs als een vorm van ontheiliging. Omdat de elementen in mijn werk niet direct verwijzen naar een concrete cultuur heb ik niet het gevoel dat ik op iemands tenen trap. Het in zijn totaliteit afschaffen van het gebruik maken van elementen uit andere culturen lijkt me daarnaast niet wenselijk. Je houdt een cultuur dan artificieel in stand.

MV: Wil jij ook, net als Gauguin die naar Tahiti ging, afreizen naar de plekken waarop het concept van de Oriënt op gebaseerd is?

TC: Ik heb dat lang juist niet gewild omdat je dan ziet wat de realiteit is en dit mogelijk afbreuk doet aan mijn fantasie. De fictieve wereld waar ik mee bezig ben is redelijk positief. Ik was bang dat ik geconfronteerd zou worden met de realiteit die de media ons presenteert. Langzamerhand begin ik echter te geloven dat als ik deze landen zou gaan bezoeken, dat de ervaring dan op veel fronten overeen zal komen met het fantasiebeeld. Volgens mij is het namelijk helemaal niet zo makkelijk om over je Europese beeldvorming heen te stappen, om daar heen te gaan en meteen een andere cultuur te snappen. Als toerist word je toch veelal afgeschermd van wat er allemaal speelt in een samenleving. Het vreemde is dat sinds deze gewaarwording mijn verlangen om een dergelijke samenleving ‘echt’ te doorgronden is gegroeid. Ik zou nu juist graag een residentie gaan doen in het buitenland.

MV: Gaat je werk, ondanks dat de Oriënt een fictief idee is, voor jou over specifieke plekken?

TC: Nee, mijn werk is een mix gebaseerd op een door elkaar gehusselde verzameling van uiteenlopende dingen, meer op een beeldniveau dan op een cultureel niveau. Veel van mijn inspiratie komt voort uit de schilderkunst en andere 2D beelden, in plaats van dat ik mij baseer op relikwieën die ik zelf tegenkom. Het beeld waar ik vanuit ga is denk ik ouderwetser dan het beeld wat de media schept.

MV: Jouw werk heeft meer gemeen met het negentiende-eeuwse beeld van Gauguin?

TC: Ja, de kleuren, het exotische en de decoratieve elementen. Ik schilder veel landschappen en de laatste tijd ben ik bezig met het maken van ‘tapijten’. Ik wil nu wel een nieuwe stap gaan zetten en in de toekomst meer seriematig gaan werken, waarbij het (beeldend) onderzoek en het proces zichtbaarder wordt.

MV: Is je werk zelf daarin inhoudelijk ook verder ontwikkeld?

TC: Schilderkunst wordt vaak onterecht neergezet als oppervlakkig. Het lijkt alsof schilders automatisch kritiek krijgen op het inhoudelijk aspect, en dan met name dat dit ontbreekt. Misschien dat ik daarom opzoek ben gegaan naar de verdieping. Ik kan het niet zomaar met rust laten en zeggen: ik werk gewoon en dat is het. Volgens mij hebben meer schilders daar last van, om zichzelf te kunnen verantwoorden. Die vraag wordt ook sneller gesteld aan schilders dan aan andere kunstenaars. Uiteindelijk wil ik vooral intellectueel uitgedaagd worden door mezelf. Kritisch nadenken over je eigen wereldbeeld doe je niet omdat het moet, maar vanuit oprechte interesse.

MV: Luc Tuymans is er in zekere zin in geslaagd om schilderkunst weer heel actueel te maken en een antwoord te geven op die kritiek op de schilderkunst.

TC: Ja, net als Marlene Dumas die ook gebruik maakt van journalistieke foto’s. Ze verwijzen daarmee naar echte mensen, echte gebeurtenissen en echte conflicten. Ik merk echter wel dat als je niet naar de media verwijst het moeilijker wordt om te kunnen beargumenteren wat je aan het doen bent en waarom een werk maatschappelijke relevantie heeft. Terwijl die relevantie vaak onderhuids ligt.

De beelden die Tuymans en Dumas gebruiken lokken als kunst opnieuw een discussie uit. Dit is een ander type commotie dat ontstaat bij een schilderij als bijvoorbeeld Le déjeuner sur l'herbe van Édouard Manet, maar allen hebben ze de potentie om maatschappelijk aannames aan de kaak te stellen. Het is inspirerend hoe een schilder als Manet een tendens zichtbaar maakt zonder het concreet te maken. Het heeft naar mijn idee overeenkomsten met zoiets als #MeToo. Een term die een gezicht geeft aan een onderhuids gevoel.

MV: Moet jouw werk maatschappelijk relevant zijn?

TC: Ja ik denk het wel. Je wil toch iets bereiken met je kunst. Mensen ontroeren of op een bepaalde manier een tendens zichtbaar maken.

MV: Na de academie heb je een residentie gedaan bij Marc Mulders. Beiden hebben jullie natuurlijke elementen in de voorstelling van het werk zitten, zijn er meer overeenkomsten in jullie kunstenaarschap?

TC: Ik vind het mooi dat hij ook intuïtief te werkt gaat met verf. Hij heeft niet het gevoel dat hij alles hoeft te verantwoorden, dat waardeer ik. Soms mag iets gewoon zijn, het hoeft niet zo één op één te werken als ‘dit ga ik naschilderen’. Ik vind het daarnaast ook sterk dat zijn werk die religieuze betekenis heeft en dat anderen mensen dat kunnen ervaren door ernaar te kijken. Toch zie ik vooral de overeenkomst in hoe hij met dat beeld bezig is. Met het ordenen van dingen wat betreft compositie en diepte. Dan zie ik echt een collega-schilder die bezig is met die materie. Dat doet wel iets.

MV: Wat moeten jouw schilderijen kunnen vangen?

TC: Ik merk dat ik nog steeds erg vasthoud aan een soort esthetische regels en het schilderkunstige vooropstel. Als ik naar mijn eigen werk kijk, dan zie ik vooral de materialiteit en ergernissen in bepaalde gebieden waar ik soms geworsteld heb met een schilderkunstig probleem. Sowieso heb ik altijd het gevoel dat ik meer wil hebben, buiten de kaders van een schilderij. Daarom heb ik nu ook voor het eerst een sculptuur gemaakt. Het mooie van schilderen is dat je een totaalwereld in één ding kan vangen, maar eigenlijk wil ik die totaalwereld in de gehele ruimte hebben. Dus niet alleen een soort vierkant scherm. Ik wil alles vormgeven, de muren, de kleding.

MV: En waarom doe je dat niet?

TC: Ik zie in schilderkunst de mogelijkheid om perfectie te creëren op één oppervlak. Het heeft heel lang geduurd om te realiseren dat niet alles in één werk hoeft te zitten. Er hoeven niet altijd mensen of objecten aanwezig te zijn. Terwijl dat er eigenlijk wel in ‘hoort’ te zitten, want je moet een verhaal vertellen en er moet van alles gebeuren. Nu heb ik het gevoel alsof ik mijn werk af moet maken in mijn eigen hoofd omdat het alleen nog maar een landschap is of één object.

MV: En dat is niet genoeg?

TC: Dat is eigenlijk niet genoeg. Ik wil altijd meer, beter, perfecter.

Tessa Chaplin
Tessa Chaplin