Image

Hellmouth

20 May 2018 Sophie Smeets

Hét vraagstuk van het kwaad dat theologen al eeuwenlang teistert: hoe is het mogelijk dat er zoiets als het kwaad in de wereld is, als er een goede, almachtige en alwetende God bestaat? Sommigen beweren dat genocides, natuurrampen en epidemieën het ultieme bewijs zijn dat een god, zoals omschreven in monotheïstische religies, niet bestaat. Een van de meest logische verklaringen in religie voor het kwaad is dat God de duistere kant van de wereld schiep om de mens vrije wil te geven. Men moet zelf kiezen voor het goede, en alleen door ook een tegenpool aan te bieden kan die keuze gemaakt worden.
Dat men geen genoegen meer nam met de traditionele verklaring dat het kwaad een straf van God is, blijkt wel uit het boek van Job in het oude testament. God sluit een weddenschap met de duivel om te zien of de altijd rechtvaardige Job even vroom blijft als hij wordt overvallen door allerlei plagen, al zijn bezittingen verliest en ziek wordt. Hij geeft de duivel toestemming om met Job te doen wat hij wil, en God krijgt een dubieus karakter. Het kwaad is onbevattelijk en wordt daardoor een zekere sublieme, onuitputtelijke inspiratiebron voor de religieuze beeldtaal.

Deze fascinatie voor het kwaad komt naar voren in Hellmouth, een plafondschildering van bijna honderd vierkante meter van Natasja Kensmil die ik samen met haar mag aanschouwen in het privédomein van een kunstverzamelaar. Twee jaar geleden kreeg Kensmil een jaar lang carte blanche van haar opdrachtgever die koste wat het kost een schildering van haar hand op het plafond van het achterverblijf van zijn landgoed wilde laten vereeuwigen. Het is bijna een gotieke vertelling: de afgelegen villa, als een labyrint met gangen en kamers vol met hedendaagse kunst doet denken aan de verhalen over kastelen, waarin allerlei mystieke objecten verstopt zijn die het daglicht niet kunnen verdragen. Zo ook de plafondschildering in de villa in Bentveld, een vervlechting van allerlei gruwelijkheden afkomstig uit de religieuze beeldtaal.

De hellemond. Het lijkt geen voordehandliggend thema in de hedendaagse ‘pluk de dag’ mentaliteit, waarin we niet graag herinnerd worden aan doem en verderf, steeds minder geloven in het hiernamaals, en de hel eerder zien als een scène uit een fictief verhaal dan als een realistische bestemming. Waar Bijbelse verhalen vroeger werden gebruikt door de kerk als een machtig middel om het volk onder de duim te houden, blijven de verhalen over het Vagevuur, over de Apocalyps en de Hel vandaag alleen over als een esthetische ervaring. Dit is echter precies wat Kensmil interesseert: de esthetiek van het gruwelijke en de sublieme horror van de bijbel, afstotelijk en aantrekkelijk tegelijk.

 In haar hele oeuvre zoekt Kensmil de spanning op tussen geschiedenis en de verborgen verhalen die de geschiedenisboeken niet haalden. Tijdens ons gesprek vertelt ze me dat ze gelooft dat onze kennis van de geschiedenis te eenzijdig is. We kennen slechts de rationele, wetenschappelijke kant van het verhaal, dat wat ons door docenten, journalisten en presentatoren verteld is. De verhalen en mythes die gebeurtenissen omringen zijn vaak veel spannender, mystieker en maken dat we, volgens Kensmil, een dieper begrip krijgen van de historie. Deze gelaagdheid komt bijna letterlijk terug in haar schilderijen: ze schildert of tekent vaak verschillende delen of versies van een verhaal over elkaar heen, gumt dingen weg of overschildert taferelen.  Beelden worden tegelijkertijd onthuld en opnieuw verborgen, als een weerspiegeling van de geschiedenis die ze uitbeelden. Zo maakte ze in 2009 een serie over de Engelse koningin Elisabeth I als een weergave van hoe de psyche van de koningin geweest zou moeten zijn: vol met trots en glorie als een machthebber in de Gouden Eeuw, maar tegelijkertijd vol angsten, terror en mystiek die de Engelse monarchie omringt. De gelaagdheid in Kensmil’s werk zorgt voor een overweldigende esthetiek en gruwelijke gebeurtenissen worden omgezet in poëzie.   

Natasja Kensmil, Elisabeth I, 2009
Natasja Kensmil, Elisabeth I, 2009

Ook Hellmouth wordt gekenmerkt door deze beeldtaal. De vergelijking tussen de plafondschildering en het gevoel dat een immense kathedraal kan oproepen, is snel gemaakt. De afbeeldingen zijn genadeloos en gruwelijk, maar in tegenstelling tot de verwachting zie ik geen helse figuren zoals de duivel, vlammende monsters en gedrochten.  De sublimiteit van het kwaad zit hem in de verhalen die worden afgebeeld: onbegrijpelijke contrasten die aantrekken en afstoten tegelijkertijd. We zien de Heilige Dionysius van Parijs bijvoorbeeld, die werd onthoofd en vervolgens nog tien kilometer verder liep met zijn onthoofde hoofd in zijn handen, naar de plek waar hij begraven wilde worden. Boven hem bungelen de lichamen van mensen die zijn opgehangen. Op een ander deel van het plafond zien we een vrouw die een schaal vol schedels aanbiedt aan een man. De taferelen worden afgebeeld alsof het illustraties zijn op een middeleeuws manuscript: we zien sierlijke kaligrafie die Latijnse woorden uitbeelden, waarvan Kensmil me de betekenis niet wil uitleggen. Het gaat immers om het angstaanjagende van het onbekende.

Het gevoel van het onbevattelijke wordt versterkt door het gebrek aan een duidelijke verhaallijn in het werk. De passages in het werk worden alleen verbonden door duistere Engelen met holle ogen, die de illusie scheppen van een soort parallelle wereld waarin alle gruwelijke dingen zich tegelijkertijd afspelen.

Interessant is dat Kensmil ‘het goede’ in deze kwaadaardige parallelle wereld plaatst. We zien de drie koningen, engelen en Jezus zelf, als bodes van het licht. Verwijst ze daarmee naar de eeuwenoude frustratie dat het kwaad ook de allerbesten overkomt? Dat goedheid niet vrijstelt voor onthoofdingen, het branden in het vagevuur of de dood in welke vorm dan ook?

Opvallender is dat we op de meest prominente plaats op het plafond de pasgeboren Jezus in de armen van zijn moeder zien. Het is geen schouwspel dat je verwacht tussen de helse verhalen en het wordt nog verbazingwekkender als je opmerkt dat zijn dood er dwars doorheen geschilderd is. De span van het leven wordt in een klap zichtbaar. Samen met de mysterieuze vrouw die een man een schaal vol schedels aanreikt lijkt het een verwijzing naar de eindigheid van het leven, de mystiek en onbevattelijkheid van de dood.

De esthetiek van het einde komt ook terug in de Openbaring van Johannes, de Apocalyps, waarin de apostel Johannes een verkondiging krijgt van Jezus Christus waarin wordt gezegd dat het einde der tijden zal aanbreken en zal worden aangekondigd door vier ruiters. De ruiters van de Apocalyps brengen oorlog, honger en de dood met zich mee. Kensmil verwijst letterlijk naar deze gebeurtenis door de bekende houtsnede van Dürer van deze ruiters te verwerken in de plafondschildering. En dit is wat het werk actueel maakt: het apocalyptische denken dat de wereld ook vandaag de dag in zijn greep houdt. We worden geconfronteerd met terrorisme, extremistische ideologieën die het eind van de wereld als een rechtvaardiging zien voor allerlei gruwelijkheden, maar ook met de waarschuwingen vanuit de media en politiek dat de wereld zoals we hem kennen ten einde zal gaan. Kensmil trekt een parallel tussen de middeleeuwse angstzaaiingen en het hedendaagse politieke klimaat en toont daarmee aan dat een ‘memento mori’ mentaliteit nog altijd leeft.