Het kunstenaarschap van Henriëtte van ’t Hoog (1943) is geen voorspelbare beeldende praktijk. Steeds gebeurt er iets in haar leven en loopbaan waardoor haar werk van karakter verandert. Het blijft wel uit zichzelf  voortkomen, maar slaat radicaal richtingen in die enerzijds een afrekening zijn met waar ze vandaan komt en anderzijds een toerekening naar waar ze heen wil. Ze komt in haar werk regelmatig uit op een tweespalt. Ze heeft iets verworven wat ze beheerst en neemt dan het besluit iets te ontwikkelen wat ze in haar bestaande beeldtaal niet kan. Ze zoekt naar iets onmogelijks en neemt zich steeds weer voor iets te maken wat lelijk is, om zichzelf verder te brengen, maar wat ze ook doet, het loopt altijd uit op een andere vorm van schoonheid. Het voornemen om iets te maken wat niet mooi is, mislukt altijd

Als jonge vrouw ontdekte Henriëtte van ’t Hoog dat ze een goed waarnemingsvermogen had; ze kon natuurgetrouw naar de observatie tekenen. Kijken, daar was ze altijd al goed in. Tijdens een opleiding aan de modeacademie Van Braam en Wibaut die ze begin jaren zestig twee jaar volgde, kwam ze erachter dat ze voor modevormgeving weinig aanleg had, maar modeltekenen kon ze meteen. Daarna heeft ze zich door persoonlijke omstandigheden zelfstandig als kunstenaar ontwikkeld en vanaf 1970 een professionele beroepspraktijk opgebouwd, waarbij ze ook als docent aan kunstacademies verbonden was.

In de eerste periode van haar loopbaan maakte ze figuratieve stillevens. Door te kiezen voor eigenaardige voorwerpen – ‘lelijke dingen’ zoals ze zelf zegt – in uitgesproken composities, wist ze daarmee een herkenbare stijl te bewerkstelligen. In die stillevens kreeg het alledaagse een inzichtelijke betekenis die buiten de afgebeelde voorwerpen omging. De verhouding der dingen, de wisselwerking tussen tastbare gebruiksvoorwerpen en abstracte kwaliteiten met betrekking tot vorm, kleur, licht, atmosfeer, ritme en melodie liet een muzische benadering van de beeldende kunst zien. Die had niet enkel betrekking op de afbeeldende kwaliteit of stofuitdrukking, maar op de ontvankelijkheid voor de aard van de ruimte rondom de dingen. 

In haar stillevens was altijd een bepaalde mate van weerschijn tussen de objecten aanwezig. Het leidde ertoe dat de voorwerpen er langzamerhand niet meer zo toe deden in de compositie. Ze namen daarin een vorm aan die loskwam van de omstandigheid dat ze een ding voorstelden. Ze kregen een gedaante die uitsluitend functioneerde in de verhouding van vorm en kleur ten opzichte van ruimte. Ze ging meer en meer werken met banale voorwerpen van materialen die nauwelijks een esthetische kwaliteit hadden, die in haar schilderijen zich aan die banaliteit onttrokken en als beeld een zelfstandige waarde en waarachtigheid verkregen. Objectmatige herkenbaarheid was daarbij overbodig geworden. Haar werk had er voldoende aan om als schilderij herkend te worden, maar zelfs daar ging ze uiteindelijk aan voorbij, door er driedimensionale composities van te maken. Ze deed dat onder meer door op locatie muurschilderingen in de hoek van een ruimte te maken, dus twee wanden beschilderend, waardoor in de tussenliggende ruimte als het ware een reflecterend waarnemingsveld werd gespannen. Uit die muurwerken ontstonden grotere installaties, waarbij alle ruimtelijke aspecten van een architectonische omgeving konden worden betrokken. Het is die ruimtelijke betrokkenheid die het werk van Henriëtte van ’t Hoog een onderscheidende identiteit geeft, die wordt versterkt door een ontwapenend gevoel voor kleur, zinderend en overweldigend. Zelfs alle kleuren die vloeken krijgen in haar objecten een onverwacht syncopisch verband. Het is een voortdurend verschuiven van accenten, waarin zelfs combinaties van bijvoorbeeld roze en oranje een harmonieus klankbord vormen.

De laatste jaren bestaat een deel van het werk van Henriëtte van ’t Hoog uit wandobjecten die ze beschildert. Ze maakt ze eerst in papier of karton en laat die vormen dan uitvoeren in dun zink of MDF om ze vervolgens van kleur te voorzien. Het zijn eenvoudig ogende geometrische vormen, maar bij nader bekijken is er geen meetkundige logica in te ontdekken. Bijna niets is echt recht. Alle verhoudingen binnen die concrete figuren zijn uit hun verband getrokken. Ze vormen een aaneenschakeling van visuele discrepanties. Je kunt vrijwel nooit precies benoemen wat zo’n vorm is, waar het benoembare in het onbenoembare overgaat is ook niet zichtbaar. Ze maakt voor deze driedimensionale schilderijen gebruik van gloeiende kleuren die hun weerschijn werpen op de muur waaraan ze worden bevestigd. 

Veel van het werk vindt zijn uitgangspunt in een vierkant dat wordt omgevormd tot een ruit of kubus, waarvan de ribben ten opzichte van elkaar worden opgerekt, versneden en verschoven. Daarmee wordt het beeld ontkubust. Ieder beeld is een vorm van een gedaanteverandering die zich voor je ogen voltrekt. Door de gelijkwaardigheid van de voorgrond en de achtergrond ga je bij het kijken in het beeld op. Je legt kijkend geen afstand af, maar wordt deelgenoot van het geheel. In de uiteindelijke vorm is een perspectivische vertekening gaande waarin je oog houvast verliest. Je oog wordt in die betrekkelijk kleine ruimte van het beschilderde object gezogen en ontbeert dan de gebruikelijke ruimtelijke markeringspunten waaraan je maat en schaal af kunt meten. Je moet in feite je hoofd erin steken, alsof je een virtual reality-helm opzet om in een andere dimensie een verbeelding te ervaren die je niet zelf kunt genereren. 

Het is Henriëtte van ‘t Hoog onmogelijk om steeds met dezelfde dingen door te gaan. Daar krijgt ze gewoonweg genoeg van. Daarom verstaat ze zich intensief met andere kunstenaars. Sinds 2006 werkt ze regelmatig samen met de Britse kunstenaar Michael Wright. Ze ontmoette hem aan de University of Hertfordshire in Hatfield bij Londen, waar ze als docent van de Gerrit Rietveld Academie meedeed aan een uitwisselingsprogramma. Gezamenlijk maken zij exposities, installaties en video’s waarin fotografie, sculptuur en schilderkunst gecombineerd worden tot gecomprimeerde en complexe abstracte sequenties. Ze zijn allebei lid van Rhythm Section, een kunstenaarsgroep uit München met leden uit verschillende landen. Als lid van Rhythm Section maakt Henriëtte van ’t Hoog deel uit van meerdere netwerken en samenwerkingsverbanden van kunstenaars die internationaal actief zijn, de laatste tijd met name in China.

Om in haar kleine atelier voldoende werkruimte te houden, hangt ze werk dat af is aan de muur, en in zo’n ensemble kun je zien dat het ene schilderij als vanzelfsprekend op het andere volgt. Henriëtte van ’t Hoog is in die zin vooral de handlanger van haar werk. Zij maakt met haar werk waar wat onvoorstelbaar is, totdat zij het op een overtuigende manier in elkaar zet. In zoverre je bij een abstracte sculpturale schildering daarvan kunt spreken is haar werk zinsbegoochelend: je oog ziet steeds iets anders dan wat het werk werkelijk is. Je vergist je erin. De sculpturale schilderingen lijken met hun reflecterende kleuren vrij zwevend te bewegen in de ruimte. Je merkt dat het oog en de geest los van elkaar andere waarnemingen doen. 

Henriëtte van ’t Hoog neemt met Rhythm Section deel aan de Instanbul Art Fair Tüyap van 4 t/m 12 november 2017. 
www.rhythmsection.de
www.henriettevanthoog.eu