Over de brede, verlaten gang van het gebouw galmt warrige jazz. Ik arriveer bij het nummer dat met balpen op mijn hand staat gekrabbeld op het moment dat de muziek juist in absolute chaos culmineert en de instrumenten verwikkeld lijken in een slag om het voeren van de boventoon. Ik kijk nieuwsgierig om een hoekje – de jazz dekt de lading. De hoeveelheid aan prikkels die zich nu niet alleen via mijn oren maar ook via mijn blikveld aan me opdringt is overweldigend, en via mijn trillende neusvleugels dringt zich een zware geur van roest en aarde naar binnen. Met mijn ogen knipperend schuifel ik het atelier in, voorzichtig om de planken en het schroot op de vloer te ontwijken en niks om te stoten. 

Binnen openbaart zich een wereld in bruintinten. De hoge ruimte is van boven tot onder gevuld met roestige buizen, half afgemaakte sculpturen, en de karkassen van koeien en andere dieren die aan kettingen als slingers door de ruimte zijn opgehangen. Ik zie levende muizen, verschillende dode vogels, de kop en romp van een jong wild zwijn. Bij het raam staan aquariumbakken opeengestapeld, gevuld met groenig water waarin plantjes en andere kweeksels van onduidelijke aard ronddrijven. ‘Hallo? Izaak?’ probeer ik met een schril stemmetje boven het geluid uit te komen. Iemand draait aan de volumeknop, en na wat gestommel in het halletje verschijnt een man met een jongensachtig uiterlijk in de deuropening: pet, rafelig vest, afgetrapte schoenen. Ietwat schuchter reikt hij me de hand om zich voor te stellen.

Even later strijken ik en de man, beeldend kunstenaar Izaak Zwartjes, met een kop koffie en een blikje bier in de hand neer op twee stoelen in het midden van de ruimte, om te spreken over de opmerkelijke reis die Zwartjes kort daarvoor naar Ameland maakte. Uit zijn bezielde manier van spreken kan ik meteen opmaken dat de aard van zijn reis nogal verschilde van wat de meeste mensen naar het Waddeneiland drijft. Zwartjes’ reis was allesbehalve een luchtig reisje in de trant van ‘even lekker uitwaaien’, maar veeleer een ‘pelgrimage’ zoals Zwartjes er tijdens zijn carrière al eerder heeft gemaakt. Eerder trok hij bijvoorbeeld al op een vergelijkbare wijze naar Venray, waar hij eenmaal ter plaatse een kathedraal uit restafval liet verrijzen.

Ik vermoed dat de kunstenaar elke kans aangrijpt om niet binnen te hoeven zitten. We zitten nog geen vijf minuten op onze uit draadstaal gevlochten stoelen als hij alweer opveert om me het voertuig te tonen dat hij voor de tocht naar Venray in elkaar zette. Hij zwaait de grote, zware deuren van het atelier open en lijkt haast opgelucht om de buitenlucht te kunnen proeven. Midden op de binnenplaats torent een imposante boomhut. ‘Die hebben we samen gebouwd,’ zegt Zwartjes, mijn blik volgend, en hij gebaart naar een buurman die een eindje verderop van een biertje zit te genieten. Nog voordat ik de man kan groeten, heeft Zwartjes zich alweer omgedraaid. Hij loopt in de richting van een roestige bakfiets die achter ons op de tegels staat  geparkeerd. ‘Hij deed het goed, maar maakte nogal veel herrie,’ zegt hij met een brede grijns, terwijl hij me de motor demonstreert die hij zelf op het gevaarte bouwde. ‘De tractor die ik maakte voor mijn reis naar Ameland wat dat betreft beter was gelukt,’ vertelt hij niet zonder trots. Dat voertuig kan hij me helaas niet laten zien, omdat het op dat moment is opgenomen in een tentoonstelling rondom het thema ‘Utopia’.

Eenmaal terug op stoelen vertelt Zwartjes verder over zijn tocht. Hij noemt zijn pelgrimage ook wel een ‘zoektocht naar de essentie’ en legt uit dat het een onderzoek was naar het diepste wezen van zijn bestaan. ‘Ik wilde terug naar het dier in mezelf, naar een soort oerinstinct,’ licht hij toe. ‘Door alle regels en wetten die het leven in de maatschappij ons oplegt, zijn we namelijk van onze intuïtie vervreemd geraakt.’ Zwartjes betoogt dat ratio en intellect de grootste blokkades voor intuïtie en creativiteit vormen. Hij gebruikt een voorbeeld om het probleem te illustreren: ‘Kijk naar landen waarin veel minder verkeerregels zijn dan wij hebben in Nederland. Het verkeer verloopt daar veel chaotischer, maar er gebeuren relatief minder ongelukken dan hier. Door de afwezigheid van duidelijke regels is men gedwongen om beter op elkaar te letten, iets dat wij -krom genoeg- door een overmaat aan regels verleerd zijn geraakt.’

Zijn verhaal klinkt me bekend in de oren. In Zwartjes’ woorden hoor ik de overpeinzingen van Rousseau doorklinken, de romantische filosoof, die vol afschuw over de maatschappij van zijn eigen tijd schreef – de 19e-eeuwse samenleving van Parijs. Net als Zwartjes was Rousseau was van mening dat de moderne westerse mens door het toedoen van de verziekte sociale normen van zichzelf vervreemd was geraakt, en niet meer in contact stond met zijn gevoelens en verlangens. Hij geloofde dat er in afgelegen streken nog een onbedorven mens, een ‘edele wilde’ (‘le bon sauvage’) leefde – een idee dat veel van zijn tijdgenoten, waaronder veel kunstenaars, vol hoop en verwachting naar het verre Tahiti deed afreizen.

Zwartjes heeft met Ameland de oplossing dichter bij huis gevonden. Zijn verblijf op het Waddeneiland was evenzeer bedoeld om weer met zichzelf en het universum in het reine te komen, en om zichzelf te louteren van al het door de maatschappij aangeleerd gedrag. ‘Het was een soort ontgiften van de corrupte maatschappij en tevens een breken met de destructieve krachten in mezelf,’ vertelt de kunstenaar. Door de woorden die hij kiest, begrijp ik dat zijn ervaring een spirituele lading had: ‘Door volledig te zijn teruggeworpen op de natuur en op mijn eigen zintuigen te vertrouwen, ervoer ik dat ik weer in harmonie kwam met het universum. Alsof er een luikje naar het universum werd opengezet en de energie die ik uitstootte ook weer teruggevloeid kwam.’

Paul Gauguin, Femmes de Tahiti, 1891
Paul Gauguin, Femmes de Tahiti, 1891

Wéér dwalen mijn gedachten af naar Rousseau en wat hij schreef in zijn ‘Overpeinzingen van een eenzame wandelaar’, namelijk dat zijn tijd van afzondering op een klein eiland hem tot zichzelf deed komen en de kracht van zijn verbeelding aanwakkerde. De filosoof schreef: ‘[Ik kan] niet geloven dat ik de enige ben met een dergelijke ingeboren neiging, ofschoon ik deze tot nu toe bij niemand anders heb aangetroffen.’ Ook Zwartjes verbaasd dat niet veel meer mensen het soort tocht ondernemen als zijn reis naar het Waddeneiland: ‘Naar mijn mening is dit veel natuurlijker dan deel nemen aan het leven in de overgereguleerde maatschappij,’ en hij vertelt hoe zijn reis daaruit de ultieme ontsnapping was, omdat hij zich volgens eigen zeggen ‘tussen de mazen van de wet door bewoog.’ Hij legt uit hoe hij drie nachten in een zelfgebouwde tent op het strand van Ameland sliep – een tent opgetrokken uit met mest doordrenkte doeken – terwijl wild kamperen op Ameland verboden is, en dat hij bovendien zijn tocht aflegde op een voertuig zonder vergunning, zonder onderweg te zijn aangehouden. ‘Waarschijnlijk omdat ze niet wisten onder welke wet mijn kar zou vallen,’ grapt hij triomfantelijk. ‘Het was echt verademing me zo buiten de juridische structuur te bewegen.’  

Tijdens ons gesprek heb ik af en toe moeite om de kunstenaar helemaal te kunnen volgen. Zijn ideeën blijken diep geworteld in gecompliceerde theorieën over evolutie en filosofie. Maar de spelonkachtige sfeer van het atelier waarin we zitten, geeft me op de één of andere manier het gevoel dat ik ongeveer begrijp wat de kunstenaar bedoelt te zeggen. Tijdens zijn verhaal zie ik voor me hoe hij in zijn tent ligt terwijl de wind om de tent raast en de doeken vervaarlijk doet klapperen. Het is donker en de kunstenaar ligt op zijn buik bij het licht van een zaklamp een boek te lezen. Af en toe kijkt hij op en gluurt tussen de tentdoeken door de oneindige, ondoorgrondelijke diepte in.

‘Daar, op de Kop van Ameland, ervoer ik het mythische landschap. De ongereptheid van de natuur, de wilde, kolkende zee… Droom en werkelijkheid gingen door elkaar lopen in een soort mythische realiteit.’ Door helemaal alleen te zijn met zichzelf en de natuur, had hij het gevoel de dingen ineens glashelder te zien. Door alleen naar zijn eigen instinct te luisteren, kon Zwartjes weer helemaal bij nul beginnen, opnieuw geboren worden als het ware. ‘Er ontstond als het ware een soort vloeibare werkelijkheid, een oersoep, waarbinnen je creator bent van je eigen omstandigheden. Het landschap en de zee werden een kneedbare massa, de werkelijkheid een te boetseren sculptuur.’ Een soort spirituele wedergeboorte uit de oersoep van Ameland.

Still uit film Nest TV
Still uit film Nest TV
Zwartjes' zelfgebouwde hut op het strand
Zwartjes' zelfgebouwde hut op het strand
Still uit film Nest TV
Still uit film Nest TV

Zie ook: de film over Zwartjes' pelgrimage door Nest, ruimte voor hedendaagse beeldende kunst in Den Haag.