Image

Het kwaad in de kunst

26 Jul 2018 Lisette van der Maten

Toen ik dertien was kwam ik erachter dat God niet bestaat. Al een paar jaar eerder had ik gemerkt dat hij nogal afwezig was in mijn bestaan omdat ik het idee had dat hij mijn gebeden niet verhoorde. Ik besloot Hem te testen. Voordat ik ging slapen, vroeg ik dan aan God om, als hij me hoorde, de volgende ochtend een boomblaadje onder de vuilnisbak te plaatsen, zodat ik wist dat hij bestond. Zonder resultaat. Ik deed menig poging, maar God hield zich stil. In mijn tienerjaren, waarin ik veel nadacht over zware onderwerpen en behoefte had aan een klankbord, kon ik die stilte niet meer accepteren. Ik trok een conclusie: God, zoals ik hem tot dan toe gekend had, bestaat niet.

Met het vertrekken van God uit mijn leven was het vervolgens wel de vraag met wie ik mijn toenmalig zware gedachten kon delen. In deze tijd was ik gefascineerd door bepaalde duistere dingen. Donkere muziek en songteksten, melancholische, fantastische afbeeldingen, de dood. Ik had het geluk een groepje vrienden om me heen te hebben verzameld die met dezelfde vragen worstelde. Zij droegen veelal zwarte kleding en waren fan van melancholische Scandinavische muziek.

Mijn fascinaties toentertijd waren misschien wel een combinatie van het ontdekken van ‘alles dat buiten de norm valt’ en een oprechte interesse in de donkere kant van het leven, mijn leven. Een kant die onlosmakelijk verbonden is met jezelf en met de natuur. Geboorte, dood en verval… Tegelijkertijd voelde ik me soms schuldig over deze fascinaties, vroeg ik me af of het wel normaal was, aangezien ik mezelf nog niet kende en dus niets had om op te vertrouwen. Geen God, maar ook geen duidelijk vastgestelde ‘ik’.

De drang die ergens in ons schuilt om het donker op te zoeken, intrigeert me. Pas als we onze fascinatie voor dit deel van het leven onderzoeken, kunnen we een oprecht, intrinsiek scala aan waarden opbouwen. Als maatschappij hebben we bepaalde sociale conventies gecreëerd die we vaak aannemen als waarheid en bestempelen als goed of slecht. Naast die algemene waarheid is er echter een spectrum van mogelijkheden, die vaak als taboes worden beschouwd omdat ze angst en onzekerheid oproepen en daardoor niet uitzonderlijk onder het tapijt worden geschoven.

Gelukkig zijn daar de kunsten, die ons een spiegel kunnen voorhouden en een ruimte creëren waarin deze thema’s en vragen onderzocht kunnen worden. Een ruimte buiten de conventionele kaders om.

Kunst als spiegel - A Clockwork Orange

A Clockwork Orange
A Clockwork Orange

Filmmaker Stanley Kubrick (1928 - 1999) realiseerde zich al vroeg in zijn leven dat mensen in staat zijn tot het puur goede en het ultieme slechte. Deze thematiek keert terug in al zijn films. Tevens stelt hij dat wij mensen daar vaak geen onderscheid meer tussen maken als het ons in bepaalde situaties zo uitkomt: als we gedreven worden door krachten die groter lijkten te zijn dan wijzelf: hoofdpersonen worstelen met de tegengestelde krachten in zichzelf en de situaties waarin ze zich bevinden. Via deze omstandigheden worden de worstelingen zichtbaar voor het publiek. 

Kubrick onderzoekt met zijn films de dualiteit en tegenstellingen die ieder mens in zich draagt. Hij maakt oorlogsfilms, sciencefictionfilms, historische films, misdaadfilms, een horrorfilm en twee films waarin een seksuele relatie centraal staat. Deze genrefilms helpen Kubrick om een maatschappelijk kader te creëren waar dan weer een individuele, emotionele, menselijke situatie tegenover staat. 

Kubrick zei zelf eens:

‘Er is iets fundamenteel mis met de menselijke persoonlijkheid. Er zit een duistere kant aan. Griezelverhalen kunnen ons de archetypen van ons onbewuste laten zien, zodat we de duistere kant zien zonder er rechtstreeks mee geconfronteerd te worden.’

Toen ik een jaar of negentien was, zag ik ‘A Clockwork Orange’ voor het eerst. Deze beroemde film is gebaseerd op een novelle van Anthony Burgess uit 1962, die gaat over een aantal futuristische straatbendes. Het idee van het boek is dat jongeren tussen 10 en 23 jaar volledig toegeven aan hun verlangens en impulsen, zoals seks, geweld, drugs, en diefstal. De bendeleden spreken een straattaal, die ook Kubrick (soms zelfs letterlijk) overnam bij het verfilmen van het boek.

Alex komt in de film in conflict met de normen van de maatschappij waarin hij leeft. De manieren waarop hij zichzelf vermaakt, variërend van bruut geweld zoals verkrachtingen en gevechten tot aan inbraken en bedreigingen, worden niet geaccepteerd in de samenleving waarin hij leeft. Als hij thuiskomt van zo’n avondje uit, luistert hij naar Beethovens glorieuze Negende Symfonie, denkend aan de meest ellendige dingen die je je kunt voorstellen. 

Op een zeker punt wordt Alex bij een inbraak opgepakt door de politie, waarbij zijn ‘droogs’ (vrienden) hem in de steek laten. Na een paar jaar goed gedrag in de gevangenis wordt hij uitgekozen voor een experimentele behandeling: de Ludovico-behandeling. Deze zal hem snel genezen van zijn asociale en gewelddadige gedrag. De behandeling bestaat uit medicatie en het dwangmatig bekijken van gewelddadige beelden waaronder de muziek van de Negende Symfonie te horen is – zijn meest geliefde muziek. Al na een paar weken lijkt Alex helemaal omgeslagen te zijn: hij moet kokhalzen bij de gedachte aan seks, geweld of de muziek van Beethoven. Na verschillende tests door dokters en een test voor de pers en de regering, wordt hij vrijgelaten. Het terugkeren in de maatschappij is echter niet zo makkelijk; zijn ouders hebben hem verstoten en als hij een oud slachtoffer opzoekt, wordt hij gegijzeld en de schrijver laat hem luisteren naar de Negende Symfonie. Alex probeert zelfmoord te plegen door uit het raam te springen en belandt in het ziekenhuis. Daar wordt zijn hoofd genezen (zijn ‘oorspronkelijke slechte staat’ teruggebracht) en men vraagt hem om de pers om de tuin te leiden zodat men nog steeds gelooft dat het Ludovico-project geslaagd is. In ruil daarvoor krijgt hij een goedbetaalde baan. De film eindigt ermee dat Alex in zijn ziekenhuisbed de Negende Symfonie luistert en denkt aan seks met een vrouw. Hij is genezen, terug in zijn natuurlijke, slechte staat van zijn gebracht. Een open einde… Want hoe zal hij zich in de toekomst verder bewegen in de maatschappij?

A Clockwork Orange werd in Engeland door Kubrick zelf uit de bioscopen gehaald, nadat de pers hem verantwoordelijk stelde voor het ‘inspireren’ van misdadigers die soortgelijke misdaden pleegden en die zeiden dat de film hen ertoe had aangezet. Kubrick verdedigde zich met dit citaat:

‘Door kunst verantwoordelijk te houden voor gebeurtenissen in het echt leven draai je de zaak om. Kunst kan het leven herscheppen, maar het creëert geen leven en beïnvloedt het ook niet.’

De film zou pas na zijn dood in 2000 weer in Engeland te zien zijn.


Kunst als morele vrijplaats – de fatalistische kunstenaar

Marina Abramovic - Rhythm 0
Marina Abramovic - Rhythm 0
Marina Abramovic - Rhythm 0
Marina Abramovic - Rhythm 0

Een kunstvoorbeeld in een totaal andere categorie dat wellicht deels dezelfde vragen  over onze menselijke aard oproept, zijn de performances van Marina Abramovic. Marina Abramovic is, kunnen we wel stellen, een nogal fatalistische kunstenares. Zo heeft ze onder andere een jodenster in haar buik gekerfd en is ze met een verminkt lijf op een blok ijs gaan liggen, net zolang totdat ze door haar toeschouwers werd ‘gered’. Naar eigen zeggen werd Abramovic rustiger toen ze met Ulay, haar geliefde, begon samen te werken, maar ook samen zochten ze vele uitersten op.

De performance ‘Rhythm 0’, uitgevoerd in Napels in 1974, is een performance waarbij de toeschouwer inspraak krijgt. 72 voorwerpen liggen er op een tafel uitgestald, waaronder een zaag, een geladen revolver en een bijl, maar ook een roos, olijfolie en een veer. Zes uur lang mag het publiek alles met Abramovic doen wat ze willen; zij zal zich als volledig passief object aan hen onderwerpen. Het is bijzonder interessant wat er vervolgens gebeurt. Wat zal deze performance in mensen oproepen als ze kunnen kiezen tussen middelen die iemand plezier doen en middelen om iemand kwaad te doen?

We gaan heel ver, zo blijkt. Marina Abramovic wordt eerst met bloemen bedekt. Ze wordt gefotografeerd - tot zover vrij beschaafd. Vervolgens wordt ze uitgekleed totdat ze naakt is. Dan met prikkeldraad bewerkt. Er is een man die sneetjes in haar nek maakt en het bloed eruit zuigt. En er is een bezoeker die de revolver pakt en die in Abramovics hand legt met een vinger om de trekker geklemd en de loop tegen haar hoofd zet. Zal hij haar daadwerkelijk de trekker over laten halen? Voordat het überhaupt zover kan komen ontstaat er een gevecht in het publiek. De mensen stellen zich beschermend rondom Abramovic op en de performance wordt beëindigd. 

Het kwaad is bij uitstek een menselijk fenomeen. ‘We hoeven de duivel er niet bij te halen om het te begrijpen’, schreef filosoof Rudiger Safranski in zijn inleiding van het boek ‘Het Kwaad’. Het kwaad hoort bij het drama van de menselijke vrijheid en is er onlosmakelijk mee verbonden. De spiegel van het kwaad wordt ons door kunstwerken op vele manieren voorgehouden. De vraag die daarbij rest is of wij al onze maskers durven af te zetten om erin te kijken?