Image

Kinderlijk onschuldig

27 May 2013 Rowan Wood

Mijn werk heeft niets met de kindertijd te maken, dat lijkt alleen maar zo. Tenzij ik me natuurlijk - op een of andere duistere, onderbewuste manier - tot de iconografie van een kindertekening wendt als een manier om de leegte te vullen die mijn dierbare overledenen hebben achtergelaten.

Mijn ouders zijn op mijn twaalfde bij een helikopterongeluk omgekomen. Ik heb mijn moeder nog op haar wang gekust een paar uur voor ze heenging. Ik ben opgevoed door pleegouders, en later door de staat Californië. De herinneringen aan mijn tienertijd zijn behoorlijk gruwelijk en kunnen grotendeels maar beter worden vergeten. In mijn schilderijen komen symbolen voor die ik in mijn kindertijd heb leren kennen, dus nog voor dit sadisme van het leven. Door mij opnieuw met het maken van kindertekeningen bezig te houden, jaag ik misschien de aangename herinneringen van mijn jeugd na. Maar dat geloof ik eigenlijk niet. 

De handkalkoen: een curiositeit, een ding dat er angstaanjagend uitziet, een perversie van de natuur. Een kalkoen in een handvogel veranderen en vice versa is een voorbeeld van hoe de mensheid, ook kinderen, Moeder Natuur wil domineren. Een kinderding dat onschuldig lijkt, maar kinderen kunnen soms heel wreed zijn, onverschillige wezens. Ouders en leerkrachten verdienen genaadeloos te worden afgestraft voor dit soort onderricht. De wereld is een verdorven oord. Ze brengen je bij hoe je het best kunt overleven voordat 'het leven jou een schop onder de kont geeft'. Dus, wij mensen maken cartoons, karikaturen en symbolen van de dingen met het doel ze beter te begrijpen, ze te simplificeren en ze te communiceren. Dat doen mensen al eeuwenlang, al sinds we in grotten leefden.

Handkalkoenen kwamen ongeveer gelijk op met de uitvinding van de coca cola, aan het eind van de negentiende eeuw, en om de een of andere magische reden is de crafty chimera, de handkalkoen, een essentieel onderdeel van de Amerikaanse cultuur geworden. Het sterke aan het teken van de handkalkoen is dat iedereen het onmiddellijk herkent. Het is een combinatie van twee bekende dingen, de omtrek van een hand en een karikaturale weergave van een kalkoen. Het is heel bruikbaar als teken.

Een handkalkoen in een schilderij opnemen is een uitdaging. Je denkt misschien: het ziet er schattig en onschuldig uit, maar omdat het teken wordt gebruikt in combinatie met andere tekens en met verschillende functies, krijgt het een andere inhoud. Het tart ons gevoel voor wat gepast is,  de aanwezigheid van de handkalkoen in het kunstwerk is eigenlijk onverdraaglijk. Het teken is bekend en onbekend tegelijkertijd, en het komt om die reden neer op een krachtmeting - buiten het vlak van het schilderij - tussen jou en mij, en zelfs tussen jou en het schilderij zelf. Moet ik me schamen of me in verlegenheid gebracht voelen wanneer ik in mijn schilderij een kindersymbool gebruik? Misschien voel jij je in verlegenheid gebracht. Het is een soort vat vol tegenstrijdigheden. Terwijl de handkalkoen herinneringen naar boven brengt uit de kindertijd, de tijd van onschuld en irrationaliteit, zet de logische ordening in het werk je aan het denken want het brengt je in een ongemakkelijke verlegenheid. 

Ik vraag me af of de eerste handkalkoen door een kind of door een volwassene is gecreëerd. Ik vermoed dat het een volwassene wass. Wat de vraag oproept: wie is dan het kind (als we de creatie van een handkalkoen als een kinderlijke daad zouden benomen)? Is dat degene die het kind opdraagt dat ding te maken of is dat het kind dat de aanwijzignen opvolgt?

 

 

Of bestaat de volwassene niet, omdat er nooit iemand volwassen wordt, met uitzondering wellicht van Jezus Christus, Abraham Lincoln en de beul - personen die door hun eigen toedoen of door derden tot een afgerond karakter zijn gevormd, die de invloed van gevoel en taal overwonnen of ongelukkigerwijze verloren hebben, en die alle materiële verschrikkingen hebben omhelsd of met tegenzin aanvaard, uit angst voor de enorme complexiteit van het bestaan.

Stel je voor dat je, in 1969, in een krijgsgevangenkamp in Vietnam gemarteld wordt en dat je gedwongen wordt om eindeloos opnieuw te formuleren hoe je de angst gewaarwordt. Dan komt er een moment waarop de angst louter angst wordt en zijn impact verliest. Je merkt dat je de klappen en je zwakheid zonder angst kunt aanvaarden. Je bent voorbij het idee dat je je sterk moet houden. Het tegenovergestelde van jezelf in slaap huilen. Je staat buiten de gevangenis van het kind-zijn. Het kan dus ook anders. Misschien is dat volwassenheid.