In een wachtkamer waar ik met enige regelmaat kom, hangt een kunstwerk. Het is een foto, ingelijst achter acrylglas en op een centrale plek in de ruimte opgehangen, ver van het prikbord en de informatieve folders om zo de uitzonderingspositie te benadrukken. Omdat ik meestal instinctief op ongeveer dezelfde plek ga zitten, op een stoel recht tegenover het werk, heb ik er in de afgelopen jaren aardig wat tijd met de foto opzitten. 

Het werk zelf is alles behalve indrukwekkend. Het laat een jonge vrouw zien, gedrapeerd op een omgevallen boomstronk die in een meer terecht is gekomen. Ze kijkt naar een punt in de verte, sereen, alsof ze alle zorgen van de wereld van haar schouders af laat glijden. Vergankelijkheid, eenheid met de natuur, vrede met de grillen van het leven; vrij futloze thema’s in een futloos beeld gevangen. Wat ik boeiend vind aan het werk is niet de inhoud, maar de manier waarop ik mij er toe verhoud. Al is het maar omdat ik me erdoor bewust wordt van de plek in de ruimte die ik intuïtief kies, en dat ik daar tegenin moet gaan om niet tegen het werk aan te hoeven kijken. Omdat ik met enige regelmaat aan die ruimte gebonden ben, is de vrouw op de boomstronk een subtiel motief in mijn leven geworden. 

Wachten met James Whistler
Wachten met James Whistler

Een wachtkamer is een vacuüm, een voorgeborchte waar je nooit helemaal weet waar je aan toe bent en waar iedereen een beetje onzeker is, gespannen en in sommige gevallen beschaamd. Dit zie je tot in de wachtkamers van de psycholoog en bij het wachtbankje van het Chinese afhaalrestaurant terug. Terwijl je wacht ben je aan een zekere mate van onderwerping onderhevig; je wordt als het ware ‘gestald’ tot de autoriteit of het instituut waar je beroep op doet, tijd voor je heeft. In de tussentijd is het niet erg als de kunst aan de muur onopgemerkt blijft, en als het wel wordt opgemerkt is het meestal niet de bedoeling dat het prikkelt of anderszins veel teweeg brengt, maar dat het troost, verstrooit en verwachtingen vervult, zoals de Libelle en de Privé op de tijdschriftenstapel dat ook doen. Eigenlijk is dat een nogal ondankbare positie, een vanzelfsprekendheid die er moet zijn zoals de kralentafel in de kinderhoek.

In de geest van die gedachte zou je je kunnen afvragen of de wachtende is overgeleverd aan de wachtkamerkunst, of dat het werk juist is overgeleverd aan de blik van de toeschouwer. Deze ambivalentie is in een traditionele tentoonstellingsruimte ook wel aanwezig, maar op een hele andere manier; een bezoeker kiest er immers voor om kunst te bekijken, heeft er een toegangsprijs voor betaald, en kan zich vrijuit door de ruimte begeven waardoor op z’n minst de illusie in stand wordt gehouden dat controle over de ervaring bij hem- of haarzelf ligt. In de wachtruimte zijn de maatstaven van interactie tussen toeschouwer en werk, los van de artistieke waarde van het werk, totaal anders. Het is vanzelfsprekend dat je zelf niet kiest waar je naar kijkt, de collectie wisselt nooit, en het publiek zoekt massaal soelaas in het schermpje van een smartphone. Niemand vraagt om tijd in een wachtkamer door te brengen, maar als wachtkamerkunst bezield was, dan zou het in veel gevallen (er zijn uitzonderingen) uit een aaneenschakeling van teleurstelling, vernedering en gebrek aan waardering vragen om afgedekt of vernietigd te worden. 

Wachten met Van Gogh
Wachten met Van Gogh

Kunst en wachten lijkt geen logische combinatie te zijn, behalve misschien als je denkt aan de wachtrijen voor drukbezochte musea. Een voorbeeld is het Louvre, waar mensen een uur in de rij staan om gemiddeld 28,9 seconden naar de Mona Lisa te kijken. Wachten is leegte, het is een noodzakelijk kwaad dat vooraf gaat aan de gebeurtenis die er werkelijk toe doet.

De performance Good Feelings in Good Times van Roman Ondák isoleert de toestand van het wachten door het in de context van de tentoonstellingsruimte te plaatsen. Het werk, dat in 2004 werd aangekocht door het Tate, bestaat uit mensen die zich onopvallend midden in het museumpubliek bevinden en af en toe spontaan een rij vormen, inclusief het gebruik van de non-verbale taal die de daad van het wachten eigen is; gezucht, gesteun en getuur naar het horloge. Er ontstaat bij de voorbijgangers, die als het goed is niet vermoeden dat het een performance is, een gevoel van anticipatie: is er hier iets gaande dat het wachten waard is? Hebben we iets over het hoofd gezien, iets wat we niet mogen missen? De acteurs zijn geïnstrueerd om vragen van het publiek alleen te beantwoorden met algemeenheden zoals ‘Ik weet niet, ik wacht gewoon,’ of ‘Er is een rij’, waardoor het soms gebeurt dat museumgangers keurig achteraan in de rij aansluiten. Het is een duplicatie van een alledaagse situatie die in de context van een performance een absurde proportie krijgt. Niemand zal ooit zeggen dat ze van wachten houden, en toch laat een werk als Good Feelings in Good Times zien dat een rij heeft een aanzuigende werking heeft. 

Roman Ondák, Good Feelings Good Times
Roman Ondák, Good Feelings Good Times

Roman Ondák, Good Feelings Good Times
Roman Ondák, Good Feelings Good Times

Ergens willen we wachten en een beetje afzien, want het geeft de ervaring die daar op volgt dat een extra laag waarde en betekenis. Het geeft voldoening om aan de beurt te komen; je hebt iets doorstaan. In de geest van die gedachte wordt de wachtende staat iets waardevols, en verdient het beter dan de tandeloze, gangbare beeldtaal die je vaak bij kunst in wachtkamers terugziet. Maar moet de wachtkamer een verlengde van de tentoonstellingsruimte worden? 

In Yoko Ono’s boek Grapefruit uit 1964 nemen korte reeksen instructies en poëtische scripts de plek in van het fysieke kunstwerk, waardoor het resultaat eindeloos herbruikbaar en interpretabel wordt. Een suggestie is om alle huidige wachtkamerkunst in de ban te doen, en te vervangen door een van de instructies uit dit boek. Een werk om zelf in te vullen terwijl je in de wachtende staat verkeert. 

PAINTING TO BE CONSTRUCTED IN YOUR HEAD

Go on transforming a square canvas
in your head until it becomes a
circle. Pick out any shape in the
process and pin up or place on the
canvas an object, a smell, a sound
or a colour that came to your mind
in association with the shape.

1962 Spring
Sogetsu