Image

Lex ter Braak, de veranderende opvatting over het kunstenaarschap is een verlies

30 May 2016 Hanne Hagenaars

HH: Op de vraag van Michiel van Nieuwkerk (een gesprek in het Parooltheater) naar de toekomst van de kunst noemde je de veranderende opvatting van de vraag naar het auteurschap. Kun je dat toelichten?  

LtB: Het is een antwoord met veel kanten. Allereerst kan je zeggen dat het auteurschap binnen de beeldende kunst op een bepaalde manier aan het verdwijnen is. De beeldende kunst is onderdeel van de vermaakindustrie geworden, waardoor de kwaliteit van een oeuvre en de reflectie op dat oeuvre er veel minder toe doen dan voorheen. Een kunstwerk werd altijd gezien en gewogen binnen een oeuvre van een kunstenaar en vandaar kon je zeggen dat er sprake is van vooruitgang, van verandering, van een belangrijke stap. En zo kon je betekenis toekennen. 

HH: Hoe is deze verandering ontstaan?

LtB: Mede door de thematische tentoonstellingen en biënnales is er steeds meer sprake van een ‘doordraaien’ van nieuwe kunstenaars. Men praat niet meer over het werk van een kunstenaar maar over ‘dat ene werk’. Het uitgangspunt is niet meer of dat ene schilderij of die film past binnen een oeuvre maar of het past binnen het thema van de tentoonstelling of dat het een bepaalde belevingswaarde heeft of een opvatting vertegenwoordigt. De individuele maker met zijn visie is min of meer naar de zijkant geschoven omdat het ene werk dat voldoet aan de vraag van het moment in het middelpunt is komen te staan. Een andere reden is misschien de globalisering van de kunst. Het is moeilijker geworden om alle namen van alle kunstenaars te onthouden, zowel qua hoeveelheid als in grammaticale zin. Er zijn nu zoveel namen waar je je hoofd en je tong over breekt, dus het is geheugen technisch handiger om te denken aan dat ene werk dat je daar en daar gezien hebt. En daar komt de opkomst van de niet professionele maker, de amateur bij. Je kan zeggen waar de professional er als individu met een bepaalde houding al minder toe doet, het ook minder uitmaakt als zijn werk wordt afgewisseld door een werk van een amateur dat toevallig leuk en goed gemaakt is. Iedereen kan wel eens een goed werk maken maar het is heel iets anders om dat in een lange en continue lijn voort te zetten, om zoiets als een betekenisvol en consistent oeuvre te ontwikkelen. De behoefte om een groter publiek te trekken komt voort uit het feit dat kunst onderdeel is van de spektakel- en vermaakindustrie en is in wezen een economisch motief. Amateurs worden er bij betrokken om weer andere mensen over de vloer te hebben, het is meer in het kader van dit soort ontwikkelingen dat ik de verandering ten opzichte van het auteurschap zie.

HH: Eigenlijk duid je het negatief.

LtB: Ja, dat klopt, op zich zie ik het als verlies, ik denk dat je zo reëel moet zijn. Het kan ook winst zijn maar ik nu heb ik het eerst over het verlies. 

Atousa Bandeh Ghiasabadi, still uit de film The Day I Disappeared die mede mogelijk werd gemaakt door het Fonds BKVB

HH: Probeer je zelf een voorbeeld in te geven van een andere benadering? Bijvoorbeeld in het schrijven over kunst. Je tekst over het werk van Robbie Cornelissen duidt zijn tekeningen vanuit de geschiedenis, vanuit vergelijkingen met andere kunstenaars zoals Piranesi, vanuit de literatuur, vanuit eruditie, in plaats van een gevoel of het moment.

LtB: Ja daar geloof ik sterk in, voor mij is dat van wezenlijk belang. Vaak worden hierom mensen boos en gaan polariseren. Ze zeggen dan dat je het gevoel uitschakelt en dat je het wezen van de kunst alleen met je verstand, je kennis benadert – en zo onrecht doet aan het kunstwerk. Ik vind het belangrijk te laten zien dat een kunstwerk een complex geheel is en dat het in de analyse rijker wordt, verwikkeld raakt in de geschiedenis, filosofie, literatuur enz. Je bevrijdt het kunstwerk zo van de reactie van het moment, een gevoel dat ook weer even snel verdwenen is. Als je bijvoorbeeld mensen vraagt om werken te noemen van de laatste Documenta dan weten ze er hooguit vijf, de rest is verdampt. Ik denk dat dat proces minder snel zou gaan als je de grote oeuvres zou kennen of als je het werk niet meer alleen zou benaderen vanuit het directe gevoel wat vind ik er op dit moment van. Ik vind zo’n brede (kennis)houding heel belangrijk maar er is steeds minder ruimte om zo’n houding vorm te kunnen geven. Ik schrijf voor Vrij Nederland en in het begin schreef ik teksten van 2200 woorden, maar nu mag dat in het gunstigste geval nog maar 1100 woorden zijn, dat is de helft. Het moet tegenwoordig altijd kort zijn! 

HH: Zie je die veranderde opvatting over het auteurschap ook aan de andere kant, in de kunstprojecten zelf? Ken je projecten die als het ware vooruitlopen op deze toekomst?

LtB: Auteurschap als een vorm van marktwerking fetisjisme is voor sommige kunstenaars zoiets als het kapitalistische systeem, en in een soort verzet daartegen willen ze ofwel anoniem werk maken of ofwel in een collectief werken waarin het auteurschap naar de achtergrond verdwijnt. Een collectief in plaats van een genie is dus ook het verzet van kunstenaars tegen de romantisering van het kunstenaarschap. Het is een ontwikkeling die van vele kanten wordt ingezet, soms met tegenstrijdige motieven. Maar die er wel toe leidt dat kunst soms minder dan voorheen het product is van een individu en waaraan je dan hogere eigenschappen toekent. 

HH: Het Fonds werkt met intendanten en zet actief onderzoek in werking naar onderwerpen die het belangrijk vindt. Waar zou je graag extra aandacht naar toe laten gaan? Heb je nog een geheime wens voor een focus van het Fonds? 

LtB: Ik zou graag zien dat er meer mogelijkheden komen voor teksten over kunst die ademen, die langer mogen zijn, die zijn gebaseerd op onderzoek, met ruimte is voor verdieping, waarin eruditie een rol speelt. Lange teksten in heldere, toegankelijke taal die de beeldende kunst vanuit de volle breedte benadert.