We zijn zonder namen van dingen.
De woorden vermijden ons hardop te denken.
We zeggen niets, zien wolken, uitgezaagd 
zonder wolk te zeggen. We zeggen dagen later 
wolk op weg naar huis, huis.

We vergeten, voortdurend verdwijnt het vergeten.
Alles om ons heen tilt zichzelf op, het landschap
dit huis, de geruchten in ons.
We bevinden ons ergens, weten niet waar of wanneer.
Het gekrijs van de meeuwen neemt de ruimte
in beslag, overstemt het vergeten. We draaien
ons om tegelijk met de maan die in het midden
van het raam blijft hangen. Een gat is iets waar
het materiaal uit verdween, heel alledaags. Denk niet
aan dat gat, zeg je, stuur je gedachten vooruit.
De nacht is vol lichtflitsen, ogen die met gaatjes
erin geprikt verder slapen.

In het stoffige halfdonker ligt het huis erbij zoals we
het achterlieten. Wij kijken en het huis kijkt terug
naar ons.

Het huis telt eigenlijk twee huizen.
Er is een trap en via de trap kom je op een andere trap.
In de kamers hangt een immense stilte. We jagen 
onze voetstappen heen en weer tot de vloeren 
ophouden met kraken.

Iemand heeft er aan gesleuteld, de muren met mos
gevuld, Het gordijn neemt de wind mee naar buiten.
Iemand lijkt in de verte een laken uit te schudden.
Als de wind het oppakt, is de onderzijde niet wit meer.
De lucht wentelt het alle kanten op.

Als je gezichtsvermogen scherper was, zou je
het geheel zien. In de kamer hiernaast wordt
het verschil veroorzaakt door mist. Het is geen
werkelijke schaduw, maar een verstrooid vlak,
de weerspiegeling in het raam van nog een vierkant.
Eén verschuiving en niets is meer hetzelfde.

Achter een onverwachte deur ernaast ontwaren
we kluwen. Elke plooi heeft een andere kleur.
Je hebt het opgestuurd. Iemand kijkt toe, maar
wie is dat? 

Het is het bleke gezicht van de maker. Zijn gezicht
is gerafeld, hij bijt zich vast in een zwerm
van vermommingen, door zijn hoofd heen
kun je de vloer zien.

Vier muren maken nog geen huis. De kamers
weten zich geen raad met onze stemmen.
Het is een misverstand dat wij hier staan.
We wachten op iemand die er nog niet is.
Ondertussen stellen we vragen:

Waar is de voet die de hand vasthoudt?
Waar is de hand die bij de arm hoort?
En waar liggen de losse tenen?

De volgende middag is het zwarte vlak geel. Er zijn
lijnen bijgekomen. Op deze stoel legden we
onze kleren en de stoel is ontsnapt. Je hebt het
opgehangen in het midden van de raamloze zolder.
Waar het lag hangt het nu. Met voorzichtige handen
rapen we de luiken op. Herkent het huis ons?

Kantel je hoofd zeg je en het valt uit je handen. Daar
waar je stond, blijven de scherven liggen. Je brengt
iets vierkants naar binnen waarop de gedachte al
verschijnt voor je begint te denken. Haastig kaats je
de gekrompen wereld terug. Je bent een kijkmachine.
Je hoofd lijkt leeg, eerder een glimmend masker. Dit
is de totale vervreemding, een lichte schaduw
die rust op vijf vingers.

Je hebt er zes poten onder gezet. De kleuren komen
niet overeen, maar wat maakt het uit? De fruitschaal
als een landschap. Buiten loopt men schrijlings
langs elkaar heen, binnen springen vingers
​van eiland naar eiland.

We leren het huis huis te zijn, vergeten
de trap, zeggen trap als we de trap weghalen. Het plafond strijkt neer.  
We dragen het dak door de tuin. Dit is een verraderlijke ruimte geworden,
onze woorden hangen ingeklemd tussen kamer A en B blijven
op hoogte zweven.

In het donker lijken de dingen groter. Een van ons
draagt de ander op zijn rug naar de deur. Er vallen
gaten in het doek. Hangend aan een lus in de tussen-
ruimte kom ik jouw groene hemd tegen.

Je zoekt de schaduw op, roerloos ligt je naast het bed,
niemand herkent je, je hand onderstreept iets en je zegt
heel langzaam een woord dat we niet verstaan.
Je hoofd is nauwelijks te zien.

We zitten in de blauwe kamer. Jij staat bij het raam.
In de verte ligt het bos. We doen de bomen na, zeg je
en we steken ons gezicht door een opening
in het karton. Op de gemetselde muur prik je
een kopie van het bos, bladeren die de weg kwijt zijn.
Af en toe roep je oehoe. De bomen luisteren
met hun takken tegen de ramen. Achter in de tuin
verheft de kers zich, mondrood en vragend.
We worden huiverig voor de kers, vrezen 
dat ze elk moment zal openbarsten.

Iemand heeft de raaf aangekleed. Helt hij over?
De bomen zinken weg. Het gras wordt opgerold,
de stoelen schieten door de ramen,landen omgekeerd.
Laag scheert het vierkant over.

De raaf wordt wit in de zon. 

 

 

 

Op 15 maart perfomden Miek Zwamborn en Ton Zwerver in Nieuw Dakota Tussen de lijnen. In 2013 startten Ton Zwerver en Miek Zwamborn een project waarin zij onderzochten hoe ze vanuit het verzamelen van encyclopedisch materiaal, fragmenten uit de natuur, andermans taal en reacties op elkaars werk tot kunstenaarspublicatie konden komen. De teksten en losse objecten leidden samen tot de performance Tussen de Lijnen waarbij Zwerver en Zwamborn in de ruimte een reeks handelingen verrichtten. Door het uitwisselen van bewegende objecten en woorden bouwen zij een verhaal op, waarbij beeld en taal steeds langs elkaar heen scheren. Bezoek de website van Miek Zwamborn, Ton Zwerver, De Nieuwe Dakota.

Performance Miek Zwamborn en Ton Zwerver
Performance Miek Zwamborn en Ton Zwerver

Performance Miek Zwamborn en Ton Zwerver
Performance Miek Zwamborn en Ton Zwerver

Performance Miek Zwamborn en Ton Zwerver
Performance Miek Zwamborn en Ton Zwerver

Performance Miek Zwamborn en Ton Zwerver
Performance Miek Zwamborn en Ton Zwerver

Performance Miek Zwamborn en Ton Zwerver
Performance Miek Zwamborn en Ton Zwerver

Performance Miek Zwamborn en Ton Zwerver
Performance Miek Zwamborn en Ton Zwerver

Performance Miek Zwamborn en Ton Zwerver
Performance Miek Zwamborn en Ton Zwerver