Dat wat er niet is kan hartverscheurender zijn dan dat wat er wel is. Ik ben in een gloednieuw museum en ik kan niet stoppen om langs een kunstwerk te kijken. 

Ja. Ik wil het hebben over Museum Voorlinden. En dan zonder iets te zeggen over de directeur die de directeur niet meer is. En eigenlijk ook zonder iets te zeggen over de kunst. Want hoewel ik de rillingen kreeg van de laatste zaal van de Ellsworth Kelly-tentoonstelling, was er iets wat mij nog meer raakte. Niet het gebouw, niet de tuin, niet een kunstwerk, maar een negatieve ruimte.

Ik kijk langs Open Ended (2007-2008), een kunstwerk van Richard Serra dat zich het best laat omschrijven als een oogvormig one-way doolhof, waarvan de wanden metershoog geroest staal zijn, en de gangen zo smal dat je nauwelijks langs elkaar heen kunt lopen en zo krom dat je geen idee hebt waar je heen loopt. En hoewel ik weet dat dat beklemmend zou moeten voelen, voelt het behaaglijk, alsof de wanden niet van staal zijn, maar van vrouwenborst of pinopak. Als ik weer naast het werk sta, zie ik hoe zwaar het is. Maar binnen die zwaarte heeft het iets sierlijks, als het lint van een reusachtige ritmisch gymnast.

Omdat mijn meisje voor het museum werkt, ben ik er al drie keer geweest. En de tweede en derde keer keek ik vooral uit naar dat lege hoekje achter de enorme kromme bogen van Richard Serra.

Meestal, eigenlijk te vaak, gaat het, wanneer men het over kunst heeft, over dat wat er is. Over verf op een doek, een brok steen waar alleen een denkende man van over is gebleven, over wanneer het door wie is gemaakt als reactie waarop. Alsof het echte ontzagwekkende van kunst zit in wat je kunt zien. Alsof het bij een waanzinnig kunstwerk niet juist gaat om wat je er níet in ziet, om het onzichtbare.

Dat wat er niet is, is, voor dat wat er wel is, van levensbelang. Er is pas iets, als er even daarnaast niets is. Was het niet stiltecomponist John Cage die zei dat in het donker alle katten zwart zijn? Ja. En good ol’ W.A. Mozart wist het ook al: “De muziek zit niet in de noten, maar in de stilte ertussen.” In de beeldende kunst en in musea is het net zo. Het zijn de stilte, de ruimte en het niks die het kunstwerk maken.

Ik zie ramen die de vloer met het plafond verbinden. Het daglicht dat van boven komt, en het daglicht dat van de zijkant komt. Door het raam zie ik enthousiaste gesoigneerde tuinen daarachter een onbevangen bos. En tussen het raam, de muur en de Serra, in die driehoek die niet echt een driehoek is, is even niks. Ik loop erheen en na elf stappen ben ik in het niets. Ja. Ik sta in het oog van een stille moordende orkaan. Alles om mij heen staat stil, maar raast in die rust.

Ik doe mijn ogen dicht om, als een klein kind dat kiekeboe speelt, zelf ook even niet te bestaan. Mijn ogen zijn dicht, en even is er niks.

Maandelijks beschrijft Ko van ’t Hek (de helft van Kunst Kijken met Ko & Kho) over zijn ontmoeting met een kunstwerk in zijn rubriek Tussen Kunst & Ko.