Het is dinsdag en ergens fietst een nietsvermoedende fietser. Hij fiets door een buitenwijk aan het spoor, ergens zuidelijker dan Nederland. Bij ons zijn de stoepranden niet zo rommelig, wij zijn een net en precies volkje. In elk geval wat betreft infrastructuur. 

Op de voorgrond, dat wat de fietser niet kan zien, daar gebeurt het. Vanuit een dakgoot, eenhoog, springt een man. Met de armen wijd hangt hij bijna horizontaal in de lucht. Als een vogel die weg wil vliegen, of beter, als een bungeejumper zonder elastiek en ook zonder de diepte van de sprong die dat nodig heeft. Maar de foto is in zwart-wit en van ‘bungeejumpen’ had Yves Klein nog nooit gehoord.

Ik kijk naar Kleins kunstwerk Leap into the Void (1960) en ik zie de mens, de mens die zo vol overgave de dag in springt. En ik denk aan wat men zich allemaal op de hals haalt, in welke leegtes er wordt gesprongen. “We moeten voortdurend van rotsen springen en op weg naar de grond vleugels zien te krijgen,” schreef Kurt Vonnegut.

En als die vleugels niet gegroeid worden, dan hopen we maar dat de klap van het plat op de bek gaan wel meevalt, dat het op zijn minst niet dodelijk is. Dus denk ik aan Ik vertrek, het tv-programma waar mensen met klus- noch horecaervaring en zonder dat ze ook maar een petit peu Frans spreken een oude watermolen om gaan bouwen tot een een vijftal chambre d'hôtes (en een glamping). Aan vluchtelingen. Aan kleine stappen voor de mensheid, de mensheid die blijft springen, net zolang totdat niks meer onmogelijk is. 

Het is precies die overgave. En het is precies die spanning van de foto die met de springer in de lucht blijft hangen. Er is geen opluchting, geen pijn, geen einde. Als kijker weet je niet wat er gaat gebeuren, net zoals Klein het op dit moment ook nog niet weet. (Ik beken, ik weet hoe deze foto gemaakt is. Het is gephotoshopt, hoewel van ‘photoshoppen’ had Yves Klein nog nooit gehoord. Het interesseert me even niet; ik ben gefascineerd door het beeld zoals ik het nu zie. En is bovendien kunst niet altijd trucage?)

Ik denk aan iedereen die vandaag toch maar weer is opgestaan.

Het is nog steeds dinsdag en ik probeer eens wat, zoals iedereen weleens wat probeert. Ik weet niet wat er gaat gebeuren, zoals niemand weet wat er gaat gebeuren. Eigenlijk doe ik maar wat, maar, en ik weet eigenlijk niet eens of het een troost is, iedereen doet maar wat. Van voetballers tot accountants tot wetenschappers tot kunstenaars, iedereen priegelt en probeert maar wat. In de hoop dat het resultaat uiteindelijk meevalt. Want wat er achter je gebeurt, dat kun je toch niet weten.

Maandelijks beschrijft Ko van ’t Hek (de helft van Kunst Kijken met Ko & Kho) over zijn ontmoeting met een kunstwerk in zijn rubriek Tussen Kunst & Ko.