Image

Three Locations of Thought

28 Oct 2013 Inge Swinkels

Tijdens een lezing van Ilse van Rijn over taalstructuren werd het boek. De woorden en de dingen van de Franse filosoof Michel Foucault aangeraden, omdat hij talige structuren uitpluist en het verband tussen taal en de werkelijkheid onderzoekt. Door dit boek werd ik geïnspireerd om mijn scriptie over dit onderwerp te schrijven en een link te trekken tussen taal en de beeldende kunst. Tijdens mijn onderzoek verbaasde het me keer op keer hoe groot de invloed van taal is op de werkelijkheid. Kunnen woorden overeenstemmen met dingen? Doorgaans begrijpen en interpreteren mensen de strekking van woorden op nagenoeg dezelfde manier, wat taal intersubjectief maakt en waardoor ze dus nagenoeg als ’werkelijkheid’ kan worden beschouwd. Maar bestaat een dergelijke overeenstemming wel? Kan een begrip zich tot een ander begrip verhouden als de kern ervan ondoorgrondelijk is en open staat voor interpretatie? Is taal niet louter subjectief en willekeurig? Volgens Roland Barthes bestaat er zelfs geen werkelijkheid buiten taal. In mijn scriptie onderzoek ik deze relatie tussen beeld, taal en de werkelijkheid aan de hand van drie case studies over Michel Foucault, Robert Smithson en Liam Gillick.

Hoe betrek je de theorieën van Foucault op de beeldende kunst? Foucault heeft een
boek geschreven over het schilderij ‘Het verraad van de voorstelling’(1928) van de René
Magritte en hoewel ik niet van plan was om de surrealisten te betrekken in mijn scriptie,
vond ik het verbluffend hoe Foucault me op een andere manier naar dit werk kon laten
kijken. De woorden slaan de fundering onder het beeld vandaan, ze weerleggen het beeld
- of weerlegt het beeld de tekst? Je kunt niet meer zeggen welk deel van het werk beeldend
is en wat talig is.
Nog voordat ik Magritte bij mijn scriptie had betrokken, was het eerste dat bij me op
kwam de conceptuele kunst. Een voordehand liggende keuze. Tijdens de conceptuele
kunst is het denken over taal drastisch veranderd, er zijn toen heel veel kunstenaars geweest
die allemaal op de een manier taal in hun werk inpasten. Het concept van taal werd
gebruikt als beeldende uiting. Een concept bestaat uit gedachten en gedachten kunnen
worden geuit middels taal, maar bestaat er onafhankelijk van. De conceptuele kunst ziet
de gedachte, het idee of concept, als autonoom werk. Als je het concept uitvoert en beeldend
maakt, dan is het product daarvan de representatie of belichaming van het concept.
Veel conceptuele kunstenaars vonden dat die representatie afbeuk deed aan het concept
zelf, omdat dat volgens hen het eigenlijke werk was. De ‘Declaration of Intent’ (1968)
van Lawrence Weiner luidt dan ook als volgt: ‘1. The artist may construct the piece; 2. The
piece may be fabricated; 3. The piece need not be built.’ De rol die taal speelt in de conceptuele
kunst vind ik erg interessant. Joseph Kosuth is een ‘extremist’ op het gebied van de
conceptuele kunst, hij maakt werken die enkel op zichzelf teruggrijpen, ze refereren aan
niets dan hun eigen vorm en inhoud. De tautologie is Kosuth’s handelsmerk geworden,
waardoor het werk als het ware in zichzelf opgesloten blijft. Ik neig te denken dat gedachten
(en dus concepten) uitsluitend kunnen bestaan in taal. Maar recent onderzoek
heeft aangetoond dat een klein percentage van de mensen denkt in beelden, een nog
kleiner percentage denkt in geluiden of kleuren. Ik vond dat veel werken in de conceptuele
kunst, hoe interessant ook, niet geschikt waren voor mijn scriptie omdat ze te weinig
ruimte voor interpretatie en speculatie overlieten.
Al gauw kwam ik uit op andere kunstenaars die me naar mijn idee die vrijheid wel
gaven en op onconventionele manier omgingen met taal. Een werk dat me al langere tijd
erg intrigeerde was ‘Heap of Language’ (1966) van Robert Smithson en dat leek me bij
uitstek geschikt als studiemateriaal. Smithson was een tijdgenoot van de conceptuelen,
maar hij behoorde nooit echt helemaal tot die stroming, zijn oeuvre bestaat voornamelijk
uit Land Art. Hierdoor is het goed voor te stellen dat Smithson taal benadert als materie,
hij ziet taal als iets beeldends en materie als iets waarmee je zinnen kunt construeren.
De derde kunstenaar die ik uitkoos moest de voorgaande case studies wortelen in
het heden, en dat werd uiteindelijk Liam Gillick. Ik vond het interessant dat hij boeken
schreef en publiceerde, omdat ik zelf ook boekjes maak (weliswaar op een hele andere
manier dan Gillick). Door deze drie totaal verschillende benaderingen te onderzoeken
probeer ik een beeld te krijgen van de relatie tussen beeld, taal en de werkelijkheid.

1 Osborne, p.31

Download onderzoek