Mijn schoonheid:
“Het is een koude, mistige wintermorgen. Ik ga met het paard een bosrit maken. Tussen de naaldbomen is het donker en de grond, nog niet bevroren, veert onder de hoeven van mijn paard en dempt het geluid van een fris galopje.
We komen bij de open plek: een heidegebied met grassen, kleine berkebomen en struikjes. De zon is uitgekomen, de mist heeft een fijn laagje rijp gevormd op alles wat groeit. Het licht weerkaatst in flonkerende ijskristallen. Alles is doodstil, we zijn alleen. Paard en ik vallen volledig stil, ik hoef niets te doen. Heel rustig wandelt het paard door dit tafereel van pure schoonheid. Ik heb het gevoel alsof ons beider hartslag daalt en ik weet dat het paard net zo onder de indruk is als ik. Ik ben intens ontroerd.”

Ik ben dan een jaar of veertien maar mijn vroegste herinnering aan schoonheid betreft de Blauwe Moskee in Istanbul. Ik ervoer daar het blauw als was het bijna tastbaar, als een energie die mijn hele wezen vervulde en op dat unieke moment was ik in staat de essentie, het wezen van blauw, te kennen en begrijpen.
Deze ervaringen zijn voor mij heel erg waardevol, een geestelijke rijkdom.
Schoonheid is belangrijk in mijn leven en voor een kunstenaar die voornamelijk met glas werkt is zij een vaste metgezel. Dit medium bezit een intrinsieke schoonheid en ik heb grote liefde voor dit materiaal. Als nieuwe student van de glasafdeling ga ik er dan ook onbewust vanuit dat deze liefde daar gedeeld wordt. Ik krijg echter te horen dat glas 'slechts' een materiaal is, een valkuil, verleidelijk, pleasing to the eye. “Glass is a whore”, zegt docent Mia Lerssi.
Ik ben geschokt. Is dat dan waar het op neerkomt: ben ik 'slechts' bezig met het maken van mooie dingen? Wat is het belang daarvan voor mij? Wat is de diepere relatie tussen schoonheid en kunst?