Toen ik dertien was kwam ik erachter dat God niet bestond. Al een paar jaar eerder had ik gemerkt dat hij nogal afwezig was in mijn bestaan, omdat ik het idee had dat hij mijn gebeden niet verhoorde. Ik besloot Hem te testen. Voordat ik ging slapen, vroeg ik dan aan God om, als hij me hoorde, de volgende ochtend een boomblaadje onder de vuilnisbak te plaatsen, zodat ik wist dat hij bestond. Ik vond deze de volgende dag niet. Ik probeerde dit nog wel eens vaker, maar God hield zich stil. 

In deze tijd was ik gefascineerd door bepaalde duistere dingen. Duistere muziek en songteksten, melancholische, fantastische afbeeldingen, de dood. Mijn fascinaties toentertijd waren misschien wel een combinatie van het ontdekken van ‘alles dat buiten de norm valt’ en een oprechte interesse in de donkere kant van het leven. Een kant die onlosmakelijk verbonden is met jezelf en met de natuur. Geboorte, dood en verval…

Het kwaad is bij uitstek een menselijk fenomeen. ‘We hoeven de duivel er niet bij te halen om het te begrijpen’, schreef Safranski in zijn inleiding van ‘Het Kwaad’. Het kwaad hoort bij het drama van de menselijke vrijheid en is er onlosmakelijk mee verbonden. Zonder kwaad geen keuzevrijheid, zonder keuzevrijheid geen menselijke geschiedenis. Waar ligt de grens tussen onze vrijheid en het vastomlijnde kader ‘goed en kwaad’? Bestaat deze nog wel? En wat voor verschillende soorten kwaad kunnen we onderscheiden?

Kunstgeschiedenis scriptie.compressed.pdf