Zien we tegenwoordig niet méér kunst via internet dan in het echt? Dit is een van de vragen die Sebastiaan Noort bezighoudt wanneer hij wordt gevraagd een pop-up tentoonstelling Reboot te cureren voor WillemX in Den Bosch. De vraag lijkt commentaar te leveren op de online aanwezigheid die nagenoeg alle tentoonstellingen hebben naast de fysieke ruimtes die ze innemen. De diversiteit aan kunstblogs en magazines geven een groter publiek de mogelijkheid om shows te zien in het virtuele landschap, maar wat doen de virtuele versies van kunstwerken nog meer met hun oorspong in de fysieke ruimte? Reboot toont werken van Mitchel Breed, Martijn Grooten, Gijs van Lith en Sebastiaan Noort. Reboot is te zien tot 7 juni in de Willem II Fabriek in Den Bosch.

De aanwezigheid van kunst op sociale media blijkt een handige manier om publieksbereik te vergroten. In zijn essay Contemporary art, daily beschrijft Michael Sanchez de opkomst van een van de meest populaire kunstblogs op het web, het gelijknamige contemporaryartdaily.com. Sanchez herkent dat de digitale verspreiding die dergelijke platforms faciliteren verder gaat dan alleen het onder elkaar plaatsen van verschillende tentoonstellingen van over de hele wereld. Kunst die sinds de beurscrash van 2008 (tevens het jaar dat Contemporary Art Daily is gestart) gemaakt wordt heeft van doen met een bijna paranoïde systeem van beelddistributie waarin bepaalde shows wel kunnen worden belicht en anderen niet. Waar een curator een samenstelling maakt van werken in de white cube, vervullen blogs die taak op de digitale witte pagina. Platforms die meewerken aan deze beelddistributie hebben hierdoor een eigen autoriteit. Door beelden van tentoonstellingen onder elkaar te plaatsen is het mogelijk om objecten uit verschillende contexten met elkaar te vergelijken op een manier die niet in de tentoonstelling zelf gebeurd. De dagelijkse stroom van beeldverslagen toont veel gelijkenissen met de aaneenschakeling van foto's op een Instagram account. Het nivelleert de shows zodanig dat deze ook net zo snel 'geconsumeerd' kunnen worden als amateuristische foto's op een social media platform. Kunst kan zich zo totaal integreren tussen alle visuele informatie die binnenkomt op dagelijkse basis. Dit beïnvloed hoe kunst op individueel vlak gewaardeerd wordt. De ingekapselde samenstelling van werken binnen een tentoonstelling is niet meer gelimiteerd tot deze specifieke microcosmos van waardering.
Kijken naar kunst kan door blogs op hetzelfde niveau bestaan als het uitdelen van ‘Likes’ op vakantiefoto’s of het retweeten van berichten van niet meer 140 letters.

Maar is dit wezenlijk zo plat als het klinkt? Het op een dergelijke manier verweven van verschillende vormen van visuele communicatie is misschien te vergelijken met de hypothese van Thomas Pettitt over het veranderen van de aard van communicatie sinds de komst van het Internet. Hij stelt dat de grotendeels orale cultuur (het mond tot mond delen van informatie) die leefde gedurende de middeleeuwen en daarvoor werd geïnterrumpeerd door Gutenberg’s uitvinding van de boekdrukkunst en de grofweg 500 jaar durende dominantie van gedrukte informatie. In drukwerk zien we hele strikte disciplines. Woorden worden gedwongen in regels, die omringt worden door duidelijke marges, die op pagina’s worden geplaatst en op hun beurt weer in een boek worden genaaid. De boeken komen op planken waar ze in tegenstelling tot mondelinge uitwisseling van kennis behouden en gecontroleerd kunnen worden. Deze ‘opsluiting’ van kennis heeft zich niet gelimiteerd tot het geschreven woord, maar is terug te vinden in alle hoeken van culturele productie; toneelstukken worden in het theater opgevoerd, concerten in de schouwburg, kunst vind plaats in het museum tijdens het tijdperk van Gutenberg. Deze dominantie wordt nu op verschillende manieren aangevochten met de komst van digitale cultuur en de secundaire oraliteit die dit omarmt. Secundaire oraliteit is een terugkerend fenomeen dat een geletterde samenleving alsnog een mondelinge vorm van communicatie prefereert. De informele uitwisseling van informatie op internet is veel meer te vergelijken met een mondelinge cultuur dan met gedrukte informatie. De komst van radio, televisie en vooral Internet heeft het stramien min of meer doorbroken en een liquiditeit van informatie gecreëerd die veel meer lijkt op communicatie van tot aan de Middeleeuwen. Online discussies worden ondersteund door gerafelde kennis (afkomstig van internet), muziek verspreid zich als beeld én geluid via YouTube, televisie zenders bepalen niet meer wanneer we nieuwe afleveringen van onze favoriete serie kunnen kijken door de komst van on-demand televisie. Een curator bepaalt eveneens niet meer alléén welke kunstwerken bij elkaar te zien moeten zijn. Het internet dingt hier ook in mee.

Het consumeren van kunst in een online omgeving werd herkent als tendens door bijvoorbeeld het team achter vvork.com. Inmiddels zijn zij al drie jaar gestopt met het toevoegen van dagelijkse bijdrages aan de website, maar het archief hebben zij nog altijd online staan. Oliver Laric, een van de oprichters van Vvork, behandelt beeld circulatie als thema in zijn project Versions (2009-2012). Hij kaart hier aan dat een voorwaarde van digitale cultuur is dat het origineel onderhevig is aan de vrijheid van interpretatie en kopieën. De twee worden in elkaar gevouwen binnen een plat informatieveld waar alles in slechts een klik van elkaar verwijderd is. Vvork behandelde deze vergelijking tussen het evenement en de registratie daarvan in de door hen gecureerde show The Real Thing in MU Eindhoven, 2009. Het berustte op het idee dat sommige van de meest bekende kunstwerken alleen maar aan ons beschreven worden, in plaats van dat we ze in levende lijve zien. De tentoonstelling is dan ook een samenstelling van kunstwerken die grotendeels afkomstig is uit selecties verbale of geschreven omschrijvingen of .jpegs van internet. Vvork heeft geregeld kritiek gehad op de manier waarop kunstwerken om vaak arbitraire redenen onder elkaar werd gezet, simpelweg omdat bepaalde werken bijvoorbeeld konden worden beschreven met een tag als ‘plant’ of ‘spiegel’. Echter, binnen de bestaande circulatie van beeld is dit juist de manier om beelden van kunstwerken te rangschikken, het zijn immers niet meer de kunstwerken zelf. Het transformeert een specifiek kunstwerk tot, zoals Sanchez beschrijft, een avatar die ook alleen te benaderen is vanuit het stelsel van avatars. De foto is de passieve omloop van symbolen of signaturen ontstegen, en fungeert nu als actieve personificatie van een kunstwerk. Een avatar die net als het kunstwerk zelf geniet van meer waardering bij een grotere omloop. Vvork erkende dat een dergelijk stelsel bestaat.

De online aaneenschakeling van beeld duidt echter niet op het verkleinen van de invloed die een kunstwerk of curator heeft. Op websites worden tentoonstellingen daarentegen wel behapbaar gemaakt tot losse bundels informatie, bundels die op zichzelf staan. Net zoals luisteren naar een samengestelde muzieklijst kunnen individuele tentoonstellingen ook samengesteld worden en geconsumeerd binnen die gelimiteerde ervaring. Het bezoeken van een fysieke show is immers niet vervangen door het bekijken van foto’s - al kan een stelsel van avatars wel leiden tot nieuwe interpretaties van de fysieke ruimte. De circulatie van beeldverslagen duidt eerder op een toegenomen concurrentie tussen kunstwerken via hun digitale kopieën. Omdat er naast prominente kunstenaars, curatoren of instellingen nu de partij is ontstaan van al dan niet belangrijke reportage platforms kan dit weerklank hebben in de manier waarop een tentoonstelling an sich beoordeeld wordt. Een platform met een kleiner publieksbereik heeft minder invloed dan een met een internationaal netwerk van dagelijkse bezoekers.

Heeft dit het maken van kunst en de ervaring daarvan verandert? Ja, maar dit is een tendens die eerder veroorzaakt wordt door een algemene verandering van communicatie dan strikt gelimiteerd is tot kunst. Communicatie (verbaal, visueel of tekstueel) is zichzelf aan het bevrijden van een oud stramien. Interpretatie van kennis is op internet al gauw gelijkwaardig aan de oorspronkelijke informatie. De foto’s veranderen niet de kunstwerken, maar zijn avatars voor de kunstwerken. Avatars hebben binnen beelddistributie in alle vormen van social media totale macht. De nieuwe vrijheid die beeld heeft is te vergelijken met een nieuwe vrijheid die het woord heeft. De gestelde vraag hoeft misschien dus niet meer te gaan over in welke vorm het Internet de ervaring van kunst heeft veranderd. Eerder moet de vraag gesteld worden in hoeverre het belang van goeie documentatie als paralel aan het gedocumenteerde kunstwerk geaccepteerd wordt. Wat doen we met de stelling dat waardering van een werk afhankelijk is van hoe fotogeniek dit is? Het antwoord op deze vraag zou meer kunnen vertellen over hoe kunst en internet elkaar beïnvloeden.