Image

Lichaam Hoofd Kruis

02 Jan 2014 Griet Menschaert

5 juli 2006

Ik lees Gesprekken met Jan Fabre (door Hugo de Greef en Jan Hoet) en ik voel dat wat Fabre zegt dicht bij mijn waarheid zit. Tegelijk voel ik dat er een en ander is wat ik voor mezelf nog wil trachten te bepalen. Tijd om aan het schrijven te gaan...
Aangezien ik meerdere personen ben, moet het te doen zijn ook een soort gesprekken met Griet Menschaert te voeren.

“Niet alleen wat Fabre zegt, is van belang, maar ook hoe hij het zegt. De transcriptie van deze gesprekken mist noodgedwongen de fysieke nadruk die Fabre zo eigen is, de gedrevenheid die in al zijn werk tot uiting komt. Hij schuwt de grote gevoelens of gebaren niet. En hoewel hij in dit boek omstandig ingaat op de motieven en de achtergronden van zijn werk, blijkt uit deze gesprekken de onwil van de kunstenaar om zijn kunst te verklaren. En hoe die onwil botst met zijn drang tot communiceren.”

Deze inleidende zinnen hebben mij het boek binnengelokt. En nu zit ik erin verstrikt. Ik voel me heerlijk getroost door Fabres aan- en afwezigheid – ik voel geen drang hem te zien, wel hem te voélen. Ik voel me angstaanjagend transparant. Ik bedenk me dat angstaanjagend transparant zijn iets heeft van een raar ontoegankelijk gedicht dat omwille van zijn klank in je hoofd blijft nagalmen.

“Tekenen was altijd de kunst van het weglaten: met een paar lijnen iets suggereren door het weglaten van andere lijnen. Ik heb dit principe omgedraaid. Ik beteken en laat de tekening ontstaan en het wordt een netwerk van betekenissen. Ik ben een soort dirigent van wat men toeval noemt, een handlanger van iets sterkers dat me drijft.” (Fabre, p. 20)

Ik vraag me af waarom ik citaten als deze in andere woorden zou opnemen. De woorden kloppen. Ik kan ze niet kloppender maken. Als de inhoud klopt voor Fabre, wie ben ik dan om zijn zinnen te herschrijven en dus te verdraaien? Ik kan zijn zinnen hooguit naast een paar zinnen leggen die ik zelf ooit bedacht:

‘Het is alsof mijn lichaam een instrument is van een andere aanwezigheid… of van een afwezigheid die aanwezigheid zoekt en daartoe mijn bestaan (=lichaam?) benut. Het is moeilijk in te schatten wat mijn eigen inbreng is in mijn werk. Het ontstaat heel erg buiten mijn bewustzijn. Het groeit organisch verder uit wat van buiten op mij afkomt. Het is een eindpunt voor de dingen. De wereld die ik ook zie, maar toch vooral voél, verzelfstandigt zich in mij en groeit zo uit zichzelf. Het wordt een nieuwe wereld die heel erg op mij lijkt.’

Download onderzoek