Image

Liegbeesten en apekoppen

06 Feb 2014 Grietje Hoogland

Aan welke visuele eisen moet illustratie voor televisie voldoen?

“Eerst is er niets, maar zodra je televisie gaat maken heb je het ook over de vorm,” zei Frans Lasès in een interview voor Graficus, in 1986.[1] Lasès was destijds een van de ongeveer dertig grafisch ontwerpers die in dienst waren bij de NOS. De NTS/NOS/NOB was een facilitair bedrijf waarvan gebruik werd gemaakt door alle Nederlandse televisieomroepen[2]. Dit bedrijf had verschillende afdelingen, waaronder de afdeling Ontwerp, die zich bezig hield met alles wat te maken heeft met televisievormgeving. Op de andere afdelingen zal in deze scriptie niet worden ingegaan, wel is het noodzakelijk om enige kennis van de afdeling Ontwerp te hebben. Maar eerst zal ik kort een historisch overzicht schetsen van de Nederlandse televisie.

In Nederland werd de televisie geïntroduceerd in 1951, toen ook de eerste televisie-uitzending plaatsvond.[3] Al gauw groeide het aantal toestellen van 500 toestellen in heel Nederland in 1951, tot zo’n 50 toestellen op 100 inwoners in 1965, en dat aantal zou voorlopig alleen nog maar stijgen.[4] Televisie groeide in zeer korte tijd uit tot een massamedium, wat in 1964 resulteerde in een tweede net.[5] Een ander belangrijk moment was de introductie van de kleurentelevisie, die in de Verenigde Staten in 1953 al in gebruik was. In Nederland waren de eerste kleurentelevisies in 1968 op de markt.[6]

De NTS (Nederlandse Televisie Stichting) was een niet- commercieel productiebedrijf waarvan de verschillende omroepen gebruik konden maken. Dit bedrijf veranderde in 1969 in NOS (Nederlandse Omroep Stichting), een facilitair bedrijf. Onder die naam waren ze ook zendgemachtigde, dit bedrijf had dus twee takken met dezelfde naam. Tot slot veranderde het bedrijf in 1988 in NOB (Nederlands Omroepproductie Bedrijf), en werd daarmee een uitsluitend facilitair bedrijf op commerciële basis.[7] De afdeling Ontwerp is als vanzelf hierin meegegroeid, en begon met een paar werknemers die overal voor ingezet konden worden. Algauw groeide de afdeling uit tot over de dertig man, waarvan een aantal een eigen specialisme hadden.

De afdeling Ontwerp was grofweg in twee subafdelingen gesplitst: de afdeling Decorontwerp en de afdeling Grafisch Ontwerp. Op de laatstgenoemde afdeling werd al het grafische voor televisieprogramma’s ontworpen, wat een heel breed vlak bestrijkt, van titelrollen tot leaders, van illustratie tot animatie. Alle omroepen konden van de diensten van deze ontwerpers gebruik maken, een regisseur van een televisieprogramma gaf dan de opdracht, vaak aan een specifieke vormgever die de voorkeur had, om bijvoorbeeld een leader of een aftiteling te maken. Ook werden er bijvoorbeeld landkaarten getekend, voor journaals en soortgelijke programma’s, en natuurlijk werden er, met name voor Bijbelse programma’s en kinderprogramma’s, illustraties en animaties gemaakt die de gesproken tekst van een verteller of presentator en eventueel geluiden en muziek moesten vergezellen.[8] Deze laatste vorm van grafiek, de illustratie voor televisie, zal het onderwerp zijn van deze scriptie.

Grafisch ontwerp en illustratie liep op de afdeling Grafisch Ontwerp vaak door elkaar, veel ontwerpers deden zowel grafisch als illustratief werk. Toch waren de meeste werknemers óf in grafiek, óf in illustratie gespecialiseerd. De uitgesproken illustratoren die op deze afdeling hebben gewerkt waren Jos van Grieken, Hans de Cocq, Henk Vermolen, Johan Volkerijk, Arie Teunissen en Monaa van Vlijmen.

Illustratie voor televisie is een terrein waar nog nauwelijks aandacht aan is besteed. Het is een fenomeen dat nog steeds bestaat, Sesamstraat heeft nog steeds illustratoren in dienst, maar over het algemeen werd het vak illustratie al snel overgenomen door animatie, aangemoedigd door grote, veelal Amerikaanse filmproducties van onder andere Pixar. Toch heeft tv-illustratie veel betekend voor de opkomst van animatie binnen televisieprogramma’s, aangezien de illustratoren al snel geconfronteerd met het vraagstuk hoe een stilstaande kunstvorm, wat illustratie in feite is, ingezet moet worden voor een bewegend medium als televisie. Naast beweging zijn er ook andere aspecten te zien, met name kleurgebruik en beeldformaat, die van belang zijn bij het illustreren voor televisiedoeleinden. Zodoende kom ik op mijn algemene onderzoeksvraag:

Aan welke visuele eisen moet illustratie voor televisie voldoen?

Bij het beantwoorden van deze vraag is het nodig om deze specifieke vorm van illustratie als eigen kunstvorm te zien. Het ligt voor de hand om deze vorm af te zetten tegen de zusjes boekillustratie en tv-animatie, maar daar is binnen deze scriptie helaas geen ruimte voor. Daarom wil ik me voor dit onderzoek met name richten op tv-illustratie zelf, door te kijken naar de bronnen die bestaan over dit onderwerp.

Omdat er nog weinig geschreven is over tv-illustratie, heb ik me voor mijn onderzoek voornamelijk gericht op enkele relevante artikelen, en verder op in de appendix opgenomen interviews die ik heb gehouden met Henk Vermolen, Johan Volkerijk, Arie Teunissen en Monaa van Vlijmen, en de interviews met Hans de Cocq door A. Nonymus, Koosje Sierman en Sanne Jans, waarvan de laatste als eerste bijlage in deze scriptie is opgenomen.[9] Helaas is Hans de Cocq op 9 oktober 2009 overleden en heb ik hem niet meer zelf kunnen spreken.

Deze scriptie zal in twee delen worden opgedeeld. Het eerste deel is een theoretisch deel, gericht op dat wat het fenomeen tv-illustratie inhoudt. In hoofdstuk 1 zal ik een basis leggen door onder andere te wijzen op het verschil tussen stilstaand en bewegend werk, en grafisch en illustratief werk, en zal ik behandelen hoe de geïnterviewde illustratoren tegen tv-illustratie aankijken. In hoofdstuk 2 zal ik de eisen behandelen die televisie aan illustratie stelt.

Het tweede deel is gericht op de praktijk van de illustratoren zelf. In hoofdstuk 3 kijk ik naar de vrijheden van de illustratoren die ervoor zorgden dat ze alle mogelijkheden hadden om de grenzen van het vak op te zoeken en op te rekken. Tot slot zal ik in hoofdstuk 4 een case-study behandelen, om het – wel overvloedige – visuele materiaal te betrekken in mijn onderzoek, en de theorie van de eerste hoofdstukken toe te passen op de illustratie zelf.

[1] Ruarus, 1986, p.18

[2] Interview Arie Teunissen, zie bijlage, p.30

[3] Wijfjes, 1994, p.77

[4] Ibid. p.94

[5] Ibid. p.94

[6] Ibid. p.102

[7] Interview Henk Vermolen, zie bijlage, pagina 23

[8] Ibid. p.23

[9] Helaas is er op dit moment niets bekend over Jos van Grieken, deze illustrator is overleden.

Download onderzoek