Image

Over de kunstenaar die een detective wilde zijn

13 Jan 2014 Rosan Dekker

Hotelgast

In iedere hotelgast huist een ander
die, zo gauw alleen, laden en kasten opentrekt
Wat zoekt hij daar?
Hoopt hij dat iets verborgen of
achterbleef: een haarspeld, paperclip,
miniem verhaal, of desnoods
iets dat onklaar geraakt tenminste
wijst op een vorige bewoner. Niets
van dit alles (het is een goed hotel)
Hij betaalt voor een kamer die hem weigert
en dat is wat hij zoekt en vindt
in lege ladenkasten: zichzelf

Bernlef 1997, p. 513.

Bij een bezoek aan de wekelijkse antiekmarkt in Den Haag krijgt kunstenaar en fotoverzamelaar Arjan de Nooy een blikken trommel in zijn handen gedrukt. Hij kan niet voorzien dat wat hij daarin vindt de fotografiewereld op z’n kop zal zetten. Het antieke blik bevat fotografische artefacten, die hij herkent als een soort zoutdrukken, en twee volgeschreven aantekeningenboekjes uit 1788 en 1789 van ene Adriaan Paauw.
De Nooy gaat als een detective aan het werk. Hij neemt de trommel mee naar huis en bestudeert de afdrukken en notities uitvoerig. Hij laat een chemische analyse uitvoeren en buigt zich over de handgeschreven bladzijdes. Dat leidt tot een onverwachte uitkomst. Uit de aantekeningen van Paauw blijkt dat deze, als natuurwetenschapper, jarenlang gewerkt heeft aan een
eenvoudige methode om objecten te kopiëren, zodat deze niet meer nagetekend hoefden te worden. Door papier lichtgevoelig te maken met zilverchloride en deze na de belichting te fixeren met een ammonia-oplossing, ontwikkelde de wetenschapper een uniek proces om foto’s te maken. De afdrukken uit de trommel blijken vele jaren ouder te zijn dan de foto uit 1826 van Nicéphore Niépce, de Fransman die tot nog toe gezien werd als de uitvinder van de fotografie. De Nooy komt erachter dat Paauws onbekende fotogrammen als de eerste foto’s uit de geschiedenis moeten worden aangemerkt. Dankzij zijn onderzoek kunnen deze afdrukken nu als belangrijk bewijsmateriaal worden aangemerkt; de Leidse natuurwetenschapper blijkt de eigenlijke grondlegger van de fotografie. Een vroegtijdige dood ontnam Paauw de kans om zijn fotografische onderzoek af te ronden tot een stadium dat hij rijp achtte voor publicatie. Eeuwen later worden ze alsnog gepubliceerd: Paauw’s notitieboekjes en fotogrammen zijn afgebeeld en beschreven in het boek dat De Nooy samenstelde naar aanleiding van zijn vondst: De Facto – Een geschiedenis van de Nederlandse fotografie (2009).
In deze scriptie zal ik ingaan op de vraag of de kunstenaar in wezen een detective wil zijn. Welke kunstenaars verzamelen net als De Nooy materiaal uit de werkelijkheid, om daarmee vervolgens tot onverwachte ontdekkingen te komen? Hoe gebruiken ze hun vondsten om een kunstwerk tot stand te brengen? En staat het werk van deze kunstenaars op gelijke voet met de werkzaamheden die een detective verricht, of verschilt die in ambitie en aanpak?
Aan de hand van het werk van verschillende kunstenaars, wordt in vier hoofdstukken ingegaan op deze vragen. In het eerste hoofdstuk beschrijf ik de overeenkomsten en verschillen tussen het werk van de kunstenaar en dat van de detective. Vervolgens bespreek ik de kunstenaar als bewuste naïeveling. Het derde hoofdstuk is gewijd aan het retorisch vermogen van de kunstenaar en hoe deze wordt ingezet. Tot slot laat ik zien wat die overtuigingskracht teweeg kan brengen en hoe deze het publiek scherper en bewuster naar de wereld leert kijken.
Wat valt er te leren van de kunstenaar in de rol van de detective?

Download onderzoek