Milo Vermeire in gesprek met Peter van der Es

Peter van der Es studeerde in 2010 af als kunstenaar aan ArtEZ Arnhem en richtte in 2013 samen met Adam Nillissen en Boris de Beijer het platform Unfair op, in een tijd waarin de kunstwereld werd gedomineerd door bezuinigingen en een negatieve crisisstemming. Unfair was in eerste instantie een antwoord op het oorspronkelijke model van een kunstbeurs waar vooral organisaties en galeriehouders een centrale rol spelen, en in mindere mate de kunstenaar. Inmiddels zit de vierde editie van de kunstbeurs vóór en door kunstenaars er net op. Ik praat met Peter over het creëren van een ‘vehikel voor gemeenschapszin’, zijn dubbelrol als enerzijds mededirecteur van Unfair en anderzijds beeldend kunstenaar en over de taal die wordt gehanteerd in de hedendaagse (commerciële) kunstwereld.

Milo Vermeire: Unfair is opgericht als een reactie op de bezuinigen uit 2011-2013. Het succes van unfair kan echter ook gezien worden als een argument vóór de bezuinigingen. Jullie werden als kunstenaars ineens gedwongen ondernemer te worden. Iets wat zonder de noodzaak misschien niet gebeurt zou zijn. Ben je onder druk het creatief ondernemerschap gaan omhelzen, en zie je dit als een positieve ontwikkeling?

PvdE: In tijden van ‘hardship’ ga je op zoek naar samenhorigheid met je collega’s. De bezuinigingen zijn iets wat ons allemaal treft, maar in eerste instantie vooral de individuele kunstenaar. De ontstaansgeschiedenis van Unfair heeft voor mij echter vrij weinig te maken met puur ondernemerschap en veel meer met collectiviteit.

We zijn een reactie op een veranderd cultureel milieu, maar daarin zijn we vooral samen gaan werken. Het financiële model dat we daaraan hebben gekoppeld is zakelijk verder ook absoluut niet de VVD-droom; het is non-profit. Wij zorgen ervoor dat kunstenaars meer kunnen verdienen, omdat ze niet iets hoeven af te dragen aan ons (zoals stand-huur of commissie per verkocht werk). Daarnaast zoeken we naar een model waar kunstenaars op een manier kunnen samenwerken waar wij zelf als kunstenaars ook baat bij hebben. Onze organisatie is in die zin veel meer een vehikel voor gemeenschapszin.

Unfair 2018
Unfair 2018

MV: Unfair heeft een hedendaags en hip imago. Het is een non-profit, maar wel een die de taal van marketing spreekt. Hoe zie jij de balans tussen kunst en ondernemerschap bij Unfair?

PvdE: We pakken alles aan vanuit ons eigen kunstenaarschap. We zijn voortdurend op zoek naar een manier om dingen anders te doen, meer op samenwerking gericht.

Met veilinghuis Christies hebben we bijvoorbeeld een langdurig partnerschap. Deze begon omdat we bij Christies binnenkwamen als kunstenaars, en niet als zakelijke klanten. We kwamen gewoon in onze atelieroutfit binnen met een leuk idee. Een van de eerste dingen die de toenmalige directeur van Christies, Jop Ubbens, zei was: hoeveel geld willen jullie? Toen zeiden we dat helemaal geen geld willen, we willen samenwerken. Die mentaliteit heeft voor ons veel deuren geopend. Samenwerking is het beginpunt. Zelfs met hele commerciële partijen waar we voornamelijk geld uit willen halen start het met een uitwisseling waar we allebei beter van worden.

MV: Je zou kunnen stellen dat jullie eerste editie een uitgesproken, tegendraads karakter had; het was nieuw dat een paar kunstenaars samen met andere kunstenaars een alternatieve kunstbeurs organiseerden. Langzamerhand zijn jullie veel groter en professioneler geworden, maar daarmee ook minder tegendraads en ‘underground’. Lopen jullie er weleens tegenaan dat jullie nu onderdeel zijn geworden van de grote kunstbeurzen in Nederland, dat jullie in zekere zin zelf ook institutionaliseren?  

PvdE: Ergens wel. Niet zozeer in hoe we werken, want ik denk dat Adam en ik met name veel dingen hebben geleerd en beter doen dan in onze eerdere edities. We zijn erdoor gegroeid, maar ik verwonder mezelf er wel vaak over: ik ben geschoold als kunstenaar, heb mijn eigen bedrijf, kan doen wat ik wil – toch heb ik voor mezelf een kantoorbaan gemaakt. Dat was niet helemaal de bedoeling, kan ik je vertellen.

Tegelijkertijd is het een luxe. Adam en ik hebben het er dikwijls over dat we de dingen op onze eigen manier willen doen. Dat op een institutioneel niveau doen geeft ook meer bereik en meer mogelijkheden. Ik denk dat het grote gevaar is dat je jezelf te serieus neemt, of te veel met andermans verwachtingen bezig bent. Daar letten we wel op; als we dan toch een instituut worden, dan wel een eigenzinnig instituut.

Unfair - Tafelvoetbaltoernooi in Sexyland 2017 (Foto door Lotte van Uittert)
Unfair - Tafelvoetbaltoernooi in Sexyland 2017 (Foto door Lotte van Uittert)

MV: Hoe gaan jullie om met de taal in de kunstbranche? Ten eerste is Engels jullie voertaal, en daarnaast valt het op dat jullie een eigen woordenschat gebruiken die lekker bekt en sexy oogt met zinnen als ‘we used to be an artfair’. Hanteren jullie regels waar jullie taal aan moet voldoen? 

PvdE: Dat valt erg mee. Wat vinden het leuk dat we ons best wat recalcitrantie kunnen permitteren. We werken vanuit ons kunstenaarschap op de werkvloer. Daardoor zitten we behoorlijk op één lijn en durven we de ruimte te nemen om dingen anders te doen. In essentie bepalen we onze eigen regels.

MV: Maar hoe komen jullie tot die taal? Hoe weet je wat werkt?

PvdE: Bas Koopmans, partner bij Unfair, is voor een groot deel verantwoordelijk voor onze beeldtaal. Ik denk dat hij waanzinnig goed is om waar we het net over hebben gehad, om te zetten in een visuele identiteit. We zitten graag een beetje te steken naar wat “hip” is, spelen graag met onze identiteit. We zijn daarin vrij compromisloos en nemen meerdere gedaantes aan. Hierin maken we ook onze eigen regels en blijven dicht bij wat we zelf tof vinden.

MV: Het is niet zo dat jullie actief het woord ‘kunst’ of ‘kunstbeurs’ misschien vermijden omdat dat stoffiger klinkt?

PvdE: Zeker wel! Absoluut. Daarom zijn we ook zo blij met dit jaar. We probeerden eerst vooral een echte kunstbeurs te zijn omdat we dachten daarmee een groot publiek aan te spreken. Naar mate ons kunstenaarschap meer onderdeel werd van onze organisator-schap beseften we dat we prima onze eigen regels kunnen dicteren. We hoeven ons niet te beperken tot het begrip ‘kunstbeurs’, maar kunnen in plaats daarvan een platform zijn dat het hele jaar door actief is en kunst veel vrijer benaderen.

Ik denk dat heel veel kunstinstellingen, instituten, overheden gebaat zijn bij meer kunstenaars die daar werken. Organisaties die zichzelf vrijheid permitteren kunnen uiteindelijk ook beter communiceren. Onze slogan We used to be an artfair is een knipoog, meer een trigger dan een boodschap.

Ik denk dat mensen, omdat het woord ‘fair’ in ‘unfair’ zit, ons eerst zagen als die “andere kunstbeurs”. We zijn echter helemaal geen traditionele kunstbeurs. We zijn meer een soort biënnale geworden met elementen van zowel een beurs als een tentoonstelling. Ik bedoel, we verkopen zeer veel werk, maar we hebben ook volop bezoekers die het gewoon super interessant vinden om nieuwe goede makers te leren kennen. De slogan We used to be an Art fair bevestigt dat. 

Unfair 2018
Unfair 2018

MV: Zou je daarmee kunnen zeggen dat in ons hedendaagse kunstlandschap een woord als 'kunst' of 'kunstenaar' niet meer helemaal past omdat het ergens te veel oude connotaties heeft of een te eenzijdig beeld kent Hoe kijk jij naar die tendens? 

PvdE: Hmm nee niet echt. Ik ben niet zo van de semantiek, maar ik vind de discussie wel bijzonder vermakelijk. Ik moet steeds denken aan die meneer Klibansky, die zichzelf ‘artist’ noemt omdat de term in het Engels voor hem meer betekenis heeft dan in het Nederlands. Super grappig toch. Misschien moeten ze er een emoji voor maken.

Het kunstenaarschap is een oeroud vak, dat geen decennium precies hetzelfde is gebleven.  Ik denk dat die constante verandering inherent is aan deze discussie. We kunnen er ontzettend lang over praten en dat gebeurt denk ik ook al heel lang zo. Misschien is dat juist onderdeel van wat woorden als “kunst” en “kunstenaar” voor mij betekenen.

MV: Dit jaar heb je voor het eerst zelf geen werk tentoongesteld op de beurs. Vind je dat jammer?

PvdE: Ik ben niet per se trots dat ik minder actief ben als maker, want het is nog steeds de voedingsbodem van alles. Als ik met unfair bezig ben dan is dat vanuit de gedachte: ‘wat wil ik als kunstenaar?’ Het was echter niet een artistieke overweging om er dit jaar niet te staan, maar een productionele. Het is ingewikkeld om kunstenaarschap en mijn werk bij Unfair praktisch te combineren.

Het was raar om er niet als kunstenaar te zijn, maar ik was daardoor wel meer ontspannen. Ik kan me voorstellen dat mensen mij echt heel kut vonden in 2016 omdat er toen ook een dag was waarop ik moest zeggen: ‘ik kan je niet helpen want ik moet dit ding dat ik hier heb gemaakt nu gaan installeren’.  Hierin verschillen Adam (Adam Nillissen, mededirecteur van Unfair) en ik heel erg. Adam heeft een hele mooie manier gevonden om zijn kunstenaarschap in lijn te brengen met de kwaliteiten die je ontwikkelt als je organisator bent. Hij pakt het dan gelijk groot aan.

Voor mij is het gewoon wat moeilijker gebleken. Ik denk dat ik steeds meer dingen ben gaan ontwikkelen vanuit Unfair waar ik mijn artistieke ambities die ik als kunstenaar heb, sterker in heb kunnen stoppen. Zo hebben we bijvoorbeeld ook tentoonstellingen georganiseerd (o.a. in NEST en De School). Daar zitten ook de ideeën in die je als kunstenaar hebt.

MV: Werkt het ook andersom? Beïnvloedt je werk bij unfair je kunstenaarschap?

PvdE: Zeker. Je leert aanzienlijk de kunstsector kennen vanuit een ander perspectief en je kan makkelijk een deur openen als je voor een groter idee praat of voor een grotere organisatie werkt. Zo hebben we in 2017 een tafelvoetbaltoernooi georganiseerd met een groot aantal Amsterdamse culturele instellingen, van het Stedelijk Museum tot het Amsterdams Fonds voor de Kunsten. Dat was leuk om te doen en was grotendeels mogelijk omdat je iets aan mensen vraagt vanuit een bepaalde hoedanigheid. Ik denk dat het inzicht in hoe dat werkt, ook terug werkt op je kunstenaarschap.

Daarnaast worstel ik ermee dat hoe meer tijd ik in Unfair steek, hoe minder werk ik maak. Voor mij is het lastig om überhaupt nog werk te maken nadat ik hier vijf dagen op kantoor heb gezeten. Tegelijkertijd beschouw ik Unfair steeds meer als een kunstwerk dat ik heb gemaakt. In mijn praktijk ontstond werk altijd vanuit een soort kinderlijke verwondering en dat is nog steeds mijn vertrekpunt, ook op institutioneel niveau