Noraly Beyer werkte in haar geboorteland als nieuwslezeres voor de Surinaamse Televisiestichting. Na de decembermoorden in 1982 vertrok ze naar Nederland en werkte van 1982 tot 2009 bij de Wereldomroep en het NOS Journaal. Sindsdien schrijft Beyer columns en is zij actief in het theater als researcher voor theatermakers en als acteur. Zij was lid van de Stuurgroep Code Culturele Diversiteit en is Promotor van de code. Sinds februari 2018 is ze onderdeel van de raad van toezicht van het Mondriaanfonds en mister Motley spreekt met haar over het begrip ‘politieke correctheid’, de negatieve connotatie die daaraan is gaan kleven en het veranderende taalgebruik in het Nederlandse politieke debat.

Lieneke Hulshof: Wat betekent politieke correctheid, in het algemeen en voor jou persoonlijk?

Noraly Beyer: ‘’Politieke correctheid komt er gewoon op neer dat je je respectvol verhoudt tot je omgeving, tot de samenleving waar je onderdeel van uitmaakt. Er is een vervelende waas komen te hangen over dat woord, waar ik het niet mee eens ben, maar waar ik me wel toe moet verhouden.’’

LH: Waar komt die waas vandaan?

NB: ‘’Mensen zijn bang om in hun autonomie te worden aangetast. Bruut gezegd willen veel mensen blijven doen wat ze willen doen. Dit tref je vaak aan bij kunstenaars. Op zich heb ik daar geen probleem mee, maar op het moment dat je steun wilt van de overheid moet er in die autonomie, waar je de mond en het hoofd vol van hebt, worden geschikt. Als je aanklopt bij de overheid, zijn er regels.’’ 

LH: Hoe wordt er op dit moment dan gedacht over politieke correctheid? Welke opvattingen of negatieve ideeën heersen er?

NB: ‘’Nog te vaak wordt er lacherig gedaan over politieke correctheid. Wie bijvoorbeeld Geert Wilders en Zwarte Piet afwijst, wordt weggezet als politiek correct, waardoor de discussie verzandt in polariserend wij-zij denken. Politieke correctheid roept nu vervelende associaties op terwijl het volgens mij juist vooral getuigt van respect, van burgerlijk fatsoen en verdraagzaamheid voor mensen die anders zijn en anders denken dan jij. Tegenstanders van politieke correctheid vinden dat de vrijheid van meningsuiting bedreigd wordt. Iemand als Stef Blok mag dan inderdaad zeggen wat hij wil. Maar juist hij is het, meer dan anderen, aan zijn ambt alleen al verplicht om politieke correctheid uit te dragen en de multiculturele samenleving die Nederland al is te omarmen.’’  

LH: Diversiteit is een speerpunt voor veel instituten en samenwerkingen met kunstenaars. Een verwijt dat soms gemaakt wordt is dat dit voornamelijk nageleefd wordt om aan politiek correcte eisen te voldoen.  Omdat het goed valt bij het publiek, dat zich op deze manier eveneens politiek juist kan wanen door zich zijlings met onderwerpen als diversiteit en ongelijkheid te kunnen affiliëren. De kritiek richt zich vooral op de overtuiging dat dit ten koste gaat van zogenaamd ‘inhoudelijk cureren’. Hoe kijk jij daar tegenaan?

NB: ‘’Ik ben het er niet mee eens. Dit soort aanklachten komen voort uit het feit dat mensen het op zo’n moment niet eens zijn met de keuzes die er gemaakt worden in een culturele instelling. De hele situatie rondom de Biënnale van Venetië bijvoorbeeld vind ik onsmakelijk. Er zijn zeker fouten gemaakt, maar ik vind de manier waarop het wordt aangepakt door het veld verkeerd. Het smijten met dit soort ‘politieke correctheid' -leuzen, die erop neerkomen dat de diversiteit zo nodig bediend moet worden en dat de kunstenaars alleen maar gekozen zijn om hun Surinaamse afkomst en dit ten koste gaat van de inhoud, is schandelijk.’’

‘’Natuurlijk moeten instellingen en musea hun keuzes niet enkel baseren op argumenten van politieke correctheid, maar ook op de artistieke kwaliteit. Als het om prijsvragen gaat, of keuzes voor kunstenaars, toekenningen van gelden of prijzen, moet men als het ware automatisch politiek correct zijn. Dat is de basis. Vervolgens moet er worden gekeken naar de inhoud.’’

‘’Ik wil hier nog aan toevoegen dat ik daarom ook bijzonder ingenomen ben met het voornemen van de zes Rijkscultuurfondsen en de Nederlandse Unescocommissie om voortaan bij de toekenning van subsidies de code culturele diversiteit toe te passen. Vanaf nu is diversiteit een vanzelfsprekendheid voor, achter en op de cultuurpodia. Is dit politiek correct? Ja, dat is het zeker. Is het terecht? Ja, dat ook. Ik ben er een warm voorstander van.’’ 

LH: Toch gaat de kritiek op de keuze voor het plan van de Biënnale in 2019 grotendeels over het feit dat het Mondriaanfonds voornamelijk de keuze zou hebben gebaseerd op diversiteit, en minder gekeken zou hebben naar de inhoud van het plan. Hoe kan het anders zo zijn dat het hele project ‘gewoon’ doorgaat terwijl 1 van de 3 gekozen kunstenaars uiteindelijk toch niet mee doet, is de gedachte. Je bent het hier duidelijk niet mee eens, maar hoe zorg je er wel voor dat de keuze tussen inhoud en diversiteit in balans blijft? Dat diversiteit als het ware niet het enige speerpunt is? 

NB: ‘’Ik denk dat die balans heel erg aanwezig is, maar dat de mensen in het veld er niet mee eens zijn omdat ze zichzelf genegeerd voelen. Dan ga je allerlei redenen zoeken omdat jij niet op die plek bent gekomen, of waarom jij niet gekozen bent. ‘O het zijn alleen maar Surinamers, het zijn alleen maar mensen van niet-westerse afkomst. Zie je, ze zijn te politiek correct.’ Maar het fonds is toch niet gek? Tuurlijk is er naar de inhoud gekeken. Je gaat toch niet alleen maar uit politieke correctheid twee kunstenaars uitzoeken. Wat is dat voor onzin.’’

LH: Uiteindelijk zijn kunstinstellingen in Nederland grotendeels financieel afhankelijk van een fonds. Kun je als fonds een kunstklimaat veranderen?

NB: ‘’Veranderen vind ik een groot woord. Ik denk wel dat je het kunt stimuleren en beïnvloeden, maar je bent ook afhankelijk van de vraag die je krijgt. Ik heb een paar keer gezeten in beoordelingscommissies van projecten bij de overheid , een fonds voor culturele evenementen. Het probleem dat wij daar hadden was dat alle goede plannen geschreven werden door witte mensen. Er waren ook zwarte mensen die plannen indienden, maar die plannen rammelden aan alle kanten.  Als je dus alleen daarnaar zou kijken, dan zouden de zwarte mensen helemaal niet aan bod komen. Dat kan natuurlijk niet in de Randstad waar 1 op de 3 mensen van niet-westerse afkomst is. We hebben aan de minister de situatie uitgelegd en er is toen een coach aangenomen die mensen kon begeleiden bij het maken van hun plan. Als je niet meedenkt sluipen er heel snel uitsluitingsmechanismes jouw instelling binnen en daarop moet je alert zijn.”

LH: Als nieuwslezer ben jij al bijna je hele leven betrokken bij wat er in de wereld gebeurt, en met welke woorden hierover gesproken wordt. Hoe sta jij tegenover de veranderingen in taal, en het denken over politieke correctheid in relatie hiertoe?

NB: ‘’Het is iets van de laatste jaren dat er zo diepgaand wordt gediscussieerd over de betekenis van woorden en met name in relatie tot het koloniale verleden van Nederland. Betekent het dan dat het journaal namen als Jan Pieterszoon Coen schrapt, net zoals dat bij straatnamen gebeurt? Nee, vooralsnog niet, maar je kunt niet als een woord als slaaf niet meer gebruikt wordt, dit negeren en je zult de woorden zwart, wit en blank op hun nieuwe waarde moeten toetsen.’’

‘’Daarnaast wordt de taal steeds rauwer en directer in de samenleving. Dat is niet altijd gunstig, maar zo weet je wel hoe we tegen over elkaar staan. Toch hou ik niet van de toon waarop het gebeurt en ik ben blij dat het journaal die niet overneemt. Ze doen wel verslag van bijvoorbeeld de zwarte pieten discussie, maar gelukkig vermijden ze die harde, ruwe toon.’’ 

LH: Waarom?

‘’Als ik tegen jou zeg; jij bent een racist want jij viert Sinterklaas met Zwarte Piet, dan ben jij klaar met mij en dat is natuurlijk eigenlijk helemaal niet mijn bedoeling. Uiteindelijk wil ik dat we samen een oplossing vinden voor een probleem dat mij al heel lang aan het hart gaat. Toch denk ik dat de hardheid wel weer een beetje begint te zakken. Dat die boosheid, die felle uitbarstingen wegtrekken en er nu meer op inhoudelijk niveau wordt gepraat.’’

LH: Waaraan merk je dat?

NB: ‘’Als we het bijvoorbeeld over die diversiteit hebben. Wie had er ooit gedacht dat een zwarte vrouw de P.C Hooft-prijs zou krijgen? Dat een zwarte vrouw de Theo D’or zou winnen?  Dat er überhaupt meer belangstelling is voor de culturele diversiteit in de maatschappij. Er is nu ook veel meer aandacht voor het koloniale verleden dan jaren geleden, dat is ook aan het veranderen.’’

LH: ‘’Meer diversiteit in musea etc. is natuurlijk een heel positieve ontwikkeling. Zou je kunnen zeggen dat echte diversiteit pas kan wanneer niet alleen geld wordt gegeven voor het aandragen van niet-westerse namen, maar juist ook vooral van het aandragen van nog onbekende niet-westerse namen. Of, nog verder; zit diversiteitsbeleid niet vooral in het creëren van meer creatieve ruimte, tijd en geld voor bijv. curatoren zodat ze daadwerkelijk de mogelijkheid krijgen om verder te kijken en onderzoek te doen?

NB: ‘’Daar ben ik het helemaal mee eens. Het zit niet alleen in geld vrijmaken, maar ook in hoe je het doet. Ik vind dat het Rijksmuseum nu zijn uiterste best doet om echt een Rijksmuseum te zijn. Ze betrekken expliciet mensen uit diverse gemeenschappen die ze anders nooit binnen zouden halen en behandelen onderwerpen die leiden tot een hoop controverse. Ik refereer nu aan die tentoonstelling over Zuid-Afrika, daar hebben ze heel veel kritiek op gekregen. Daar heeft het museum van geleerd, en nu gaan ze door. Op dit moment maken ze een grote slavernij tentoonstelling en wordt er gewerkt met curatoren uit diverse culturen. Het Rijksmuseum, de Schouwburg, het Concertgebouw, dat zijn zulke gevestigde bastions waar mensen uit de Bijlmer de drempel niet over durven te gaan. Maar het belastinggeld van die mensen wordt wel gebruikt. Ze hebben er dus net zo veel recht op als iedereen. Daarom is het belangrijk dat die instellingen niet alleen programma’s laten ontwikkelen door mensen uit verschillende culturen, maar ook dat de getoonde kunstenaars, muzikanten en acteurs representatief zijn.’’