Image

De ambiguïteit van DNA

18 Jun 2018 Luna van Loon

Meten is weten en kennis is macht. Tegen die twee basale veronderstellingen leunt én trapt het werk van de New Yorkse kunstenares, activist en bio-hacker Heather Dewey-Hagborg. Want wat er wordt gemeten, voor wie, door wie en met welke consequenties, kan in een tijd waarin welhaast alles gedataficeerd is, behoorlijk problematisch zijn. Over wie toegang heeft tot de digitale sporen die we achterlaten, en hoe deze precies gevolgd en geanalyseerd worden, is veel discussie. Bij mezelf en eigenlijk bij iedereen met wie ik erover spreek, bespeur ik een zeker onbehagen bij de gedachte me online niet meer anoniem te kunnen bewegen, dat het echter meestal verliest van het gemak en de laagdrempeligheid van internet als venster op de wereld. De hang naar vrijheid, gemakzucht, de behoefte aan informatie en communicatie en het belang van veiligheid raken zo met elkaar verknoopt in een onontwarbare kluwen.

 

Dewey-Hagborg wijst op de fysieke sporen die we offline achterlaten, de traceerbaarheid hiervan en de (on)mogelijkheid om op basis van DNA een herkenbaar gezicht tevoorschijn te toveren. Van genetisch materiaal maakte ze portretten van de anonieme ander in 3-D print. Haren, nagels, de afdruk van vette lippen op een servetje. Geboeid door datgene dat we onbewust overal achterlaten, begon haar zoektocht naar de state of the art van biometrische- en gentechnologie, en daarmee een langdurige samenwerking met ‘Genspace’; een open-source biolab en community, in Brooklyn, New York, dat werd opgericht om biotechnologie open te stellen en voor iedereen toegankelijk te maken. Dewey-Hagborg duikt niet enkel in deze technologie voor de creatie van beeld, maar vooral om de beperkingen en kwetsbaarheden bloot te leggen van systemen die suggereren neutraal en systematisch te functioneren.

 

 

Heather Dewey-Hagborg met haar eigen DNA-snapshot
Heather Dewey-Hagborg met haar eigen DNA-snapshot

Het lichaam liegt niet. Dat heb ik ooit meegekregen van een therapeut, en altijd onthouden. Het leerde me mijn fysieke reacties op een emotionele situatie serieus te nemen, ook al weet ik nog lang niet altijd wat kippenvel, een haperende stem, verkrampte schouders, opwinding en wiebelende benen me precies willen vertellen. Tussen waarneming en interpretatie gaapt een gat. De wens tot verklaren, of beter nog: voorspellen, lijkt diep in de menselijke aard te liggen. Hoe minutieuzer het te analyseren materiaal in beeld gebracht kan worden, hoe beter we kunnen anticiperen, indelen en organiseren. Is de hoop. En ook; hoe meer informatie er is, hoe beter we het risico op criminele ontsporingen kunnen voorspellen, waar mogelijk kunnen voorkomen en hoe gerichter we het kunnen bestraffen, als het toch nog misgaat.

 

Via allerlei wegen vinden meetsystemen, ontwikkeld in de wetenschap, hun weg naar de praktijk van opsporing en surveillance. Onlangs werd nog verslag gedaan van de relatie tussen stresshormonen en agressief gedrag: ‘Je wordt niet alleen crimineel, dat ben je ook biologisch’, luidde de kop van een artikel naar aanleiding van een onderzoek naar neurologische factoren die een rol spelen bij agressief gedrag. Het was niet zozeer het onderzoek, dat een relatie laat zien tussen neurologische factoren en agressieve handelingen, waarvan ik schrok, als wel van de gretigheid waarmee staatssecretaris van Justitie de verworven inzichten van het onderzoeksbureau direct in wilde zetten.

 

Ook Dewey-Harborg was verbijsterd toen ze haar eigen project, of in elk geval de werkwijze daarvan, terugzag in een publieke campagne. Waar haar onderzoek namelijk begon als een experiment, een speculatief ontwerpproces dat vooruit probeerde te lopen op een dystopische toekomst waar bio surveillance aan de orde van de dag zou zijn, werd zij ingehaald door de praktijk. Ooggetuigenverslagen die leidden tot profielschetsen van mogelijke daders zouden worden vervangen door apparatuur die DNA snaphots kan genereren op basis van een restje DNA. Althans dat was wat het bedrijf Parabon Nanolab (voor een flinke prijs) beloofde: “a revolutionary new forensic DNA analysis service that accurately predicts the physical appearance and ancestry of an unknown person from DNA.”

 

‘Ik verwachte een dergelijke ontwikkeling binnen een jaar of vijf. Maar dit was te vroeg’ schreef Dewey-Hagborg op haar website. Voor het project Stranger Visions genereerde ze vervolgens zelf DNA snapshots, van vreemdelingen en zichzelf. Door deze ‘portretten’ naast de echte gezichten van de personen in kwestie te houden maakte ze duidelijk dat er zeker overeenkomsten zijn, maar dat hun accuraatheid valt te betwijfelen.

 

 

Strangers Visions
Strangers Visions

 

Genetisch materiaal levert informatie over de kleur van huid en ogen, het haar, sekse, en oorsprong. Dat laatste is ingewikkeld omdat het categoriseert op etniciteit van voorouders en in percentages uitdrukt of iemand ‘West-Afrikaanse’ dan wel ‘Noord- of Zuid-Europese’ voorouders heeft.  Dat we hoe langer hoe meer een mengelmoesje zijn is geen nieuws meer en maakt het verlangen om terug te keren naar een tijd dat er nog pure, in uiterlijk te herkennen, specificaties zijn te onderscheiden, niet alleen ronduit triviaal maar vooral ook zeer gevaarlijk. Het creëren van een gelijkend pixelprofiel van een verdachte, door een plukje achtergebleven haar te voeren aan een apparaat, is meer wens dan dienst. De machinerie, vol algoritmes die niemand begrijpt, geeft raciaal profileren de schijn van objectiviteit. Een machine is immers geen racist, heeft geen wensen of belangen, geen honger of dorst, geen foute vrienden of gebrek aan geld. Een machine is gewoon een machine.

 

Dewey-Hagborg doet meer dan enkel zichtbaar maken hoeveel informatie de fysieke markers die we achterlaten zodra we de deur uitstappen bezitten, haar speculatieve ontwerpen spelen ook in op het progressief vormgeven van de mogelijkheden die DNA phenotyping te bieden heeft in de vorm van counter-surveillance. Invisible is een kunstwerk, een performance, een debat en een fictief bedrijf in één. Het bevat een toolkit om DNA-sporen weg te werken, of juist van ruis te voorziet, met daarin twee sprays: Erase (niet meer dan water met wat chloor. Het verwijdert nagenoeg al je genetische sporen) en Replace (samples van zo’n vijftig verschillende genetische bronnen, vermengt en zo samengesteld dat het op kamertemperatuur stabiel blijft). In een aantal video’s componeert de kunstenares de context waarbinnen haar producten van betekenis zijn en stelt ze de vraag of DNA phenotyping wel de status verdient van nieuwe ‘gouden standaard’, als het menselijk genoom zo gemakkelijk is te verbloemen, te vervalsen of te verplaatsen.

 

In juli 2015 trok Dewey-Hagborg’s verbeeldingskracht, kritische houding en ervaring met DNA phenotyping de aandacht van Paper magazine, dat een interview wilde publiceren met ‘klokkenluider’ Chelsea Manning. Manning werd tot 35 jaar cel veroordeeld voor het lekken van staatsgeheimen aan Wikileaks; nooit eerder was een klokkenluider tot zoveel jaar veroordeeld geweest. Een andere reden waarom deze zaak zoveel aandacht kreeg, was dat Manning in de periode dat ze vastzat te kennen gaf zich altijd vrouw te hebben gevoeld en er alles voor over had om de daadwerkelijk transitie aan te gaan. In het eerste interview dat Manning gaf na haar vrijlating, omschreef ze het gevecht dat ze heeft moeten leveren om de transitie mogelijk te maken, haar motivatie voor het lekken van documenten en dankbaarheid aan de voormalige president.

 

Wat minder bekend is, is de rol die Dewey-Hagborg mogelijk in dit proces gespeeld heeft. Ten tijde van het interviewverzoek waren er namelijk nog geen beelden van Manning in gevangenschap en het verzoek van Paper magazine om foto’s te komen maken, werd geweigerd. De achterliggende gedachte was dat wie ‘staatsgevaarlijk’ is geen empathie verdient. En beeld refereert, meer dan tekst, aan het gevoel. Als we elkaar kunnen aankijken (al is het via een foto) kunnen we ons identificeren met de ander. Het werd dus volledig verborgen gehouden hoe Manning er precies aan toe was en er op dat moment uitzag. Dewey-Hagborg zocht contact met Manning en vroeg haar om samples en een plukje haar uit de gevangenis te sturen. De analyse van het genetisch materiaal is dezelfde als die Dewey-Hagborg toepaste voor Stranger Visions; een techniek die het uitlezen van genen aan sjablonen verbindt welke vervolgens weer worden gebruikt voor 3-D gezichtsherkenning. In de sjablonen waarmee je het beeld kunt na bewerken zijn stereotypes verankerd, uitersten waar je tussen kunt bewegen: van meer mannelijk naar meer vrouwelijk, van jong naar oud, van wit naar zwart.

 

 

Chelsea Manning met haar verschillende gezichten
Chelsea Manning met haar verschillende gezichten

 

Dewey-Hagborg besloot dit keer om Chelsea’s genetische sexe niet uit het DNA te extraheren en ook niet de suggestie te wekken ‘het gezicht’ van Manning tevoorschijn te (kunnen) toveren. Probably Chelsea bestaat uit een reeks virtuele portretten waarvan Dewey-Hagborg er intuïtief een aantal selecteerde die het meest tot de verbeelding spraken. Het project illustreert de ambiguïteit, beperkingen en subjectieve interpretatiemogelijkheden van DNA phenotyping. Twee portretten begeleidden het interview dat Paper magazine plaatst; de één gender-neutraal en de andere meer vrouwelijk. Maar daarmee was het proces nog niet afgerond: eenmaal publiek zichtbaar, begonnen verschillende dynamieken op elkaar in te werken. Chelsea Manning pleitte voor vervroegde vrijlating, Dewey-Hagborg bracht haar beeld naar buiten en gaf tekst en uitleg aan het project, een illustrator uit India haakte aan en samen creëerden ze een document in stripvorm. De strip krijgt een hoopvol einde: Manning tegenover haar eigen portretten, op vrije voeten.

 

De dag dat de strip publiek werd gemaakt, besloot Obama Manning clementie te verlenen.

 

Waar het werk van Dewey-Hagborg in wezen over gaat is de paradox van zichtbaarheid. In haar eigen woorden:

 

We need a form of biopolitical art which utilizes visuality to expose and undermine the paradox of visibility—a form of art which operates in seemingly contradictory ways, to make the disappeared visible and the apparatus of visibility problematic. It critiques its own form, and it engages biopolitics at the level of materiality, using the medium itself as a site of artistic research to understand and question its dominant position.