Image

Dirk de Wachter over eenzaamheid, populisme en zijn kat: ‘Nogmaals, dit is absurd.’

16 Apr 2019 Annelein Pompe

Wanneer ik aankom op het perron in Kortenberg bij Leuven, zie ik bordjes langs de sporen hangen. Er staat een telefoonnummer op voor de mens in nood. Voor de springer. Nooit eerder gezien. Ik ben op weg naar het Universitair Psychiatrisch Centrum van de KU Leuven. Ik heb het niet zo op dokters, daar ben ik onverklaarbaar bang voor. De klinische hoveniers-activiteiten en onooglijke beeldhouwwerken, het grind, om maar niet te spreken van de wachtkamers. Ik hoor hoe iemand richtingaanwijzingen krijgt naar een dokterskamer. Onmogelijk ingewikkeld. Mocht je hier in verdwaalde toestand op consultatie moeten, zou je niet eens tot de deur komen. ‘Je kunt hier kilometers wandelen.’ zegt een warme stem en ik volg de man die ik ken van televisie. Het is de eerste lentedag en gerustgesteld door zijn lieve lach, wandelen we naar de werkkamer van de Belgische psychiater Dirk de Wachter. In die kamer schreef hij de boeken Borderline Times, Liefde en De Wereld van de Wachter. Op dit moment werkt hij aan De Kunst van het Ongelukkig zijn. Hij staat bij zijn studenten bekend als de Nick Cave van de psychiatrie en we willen kennelijk meer horen van de cultuurcriticus die tegenwoordig meer werk heeft dan ooit. Een van de redenen van zijn succes is zijn persoonlijke benadering van de mens waarin hij het algemeen gehanteerde boek DSM, Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, links laat liggen. In Nederland lijden we massaal aan eenzaamheid maar hoe behandel je dat? Zonder diagnose heb je geen recht op behandeling. Omdat eenzaamheid geen plaats kent in de protocollen van het DSM zijn we bij Belgische psychiater Dirk de Wachter aan het juiste adres.

-Bestaan er verschillende vormen van eenzaamheid? 

Er bestaan zoveel soorten eenzaamheid als er mensen zijn. We kunnen dat diagnostisch categoriseren maar daar ben ik niet voor. De neurotische eenzaamheid, de borderline eenzaamheid, de psychotische eenzaamheid… Daar doe ik niet aan.

-Is een man op een andere manier eenzaam dan een vrouw?

Fundamenteel niet, denk ik. Dat zou raar zijn.

-Eenzaam is eenzaam?

Er zijn mensen die alleen leven, die minder eenzaam zijn dan mensen die veel andere mensen om zich heen hebben. Eenzaamheid is een inwendig subjectief gevoel en het heeft vaak niet alleen te maken met de oppervlakkige levenssituatie.

Laat mij onmiddellijk nuanceren. Het zit niet enkel en alleen in uw kop. Er zijn mensen die niet worden opgenomen in een maatschappelijk weefsel omwille van allerlei redenen zoals migratie, ras en armoede. Je hoort mij niet zeggen dat hun leven niet moeilijker kan zijn qua eenzaamheid. Als men hier aanspoelt uit een Afrikaans land als diep getraumatiseerde mens, en men moet hier overleven? Onderschat het niet. Maar mensen die alles hebben en succesvol zijn kunnen hier zitten, zo eenzaam als de verschrikking. Dat bestaat ook.

- U spreekt vaak over mensen als zinzoekende dieren, velvoelende dieren of gehechte dieren. Als ik aan dokters en eenzaamheid denk denk ik ook aan Toon Tellegen, een huisarts die veel over dieren schrijft. Wat vindt u daarvan? 

Toon Tellegen schrijft over mensen. Hij schrijft niet over dieren.

Maar mensen die alles hebben en succesvol zijn kunnen hier zitten, zo eenzaam als de verschrikking. Dat bestaat ook.

-Toch zijn die dieren vaak de belichaming van eenzaamheid. 

Dieren worden gebruikt als de belichaming van van alles. Bepaalde dieren spreken tot de verbeelding.

-Ik zeg dat omdat dieren vaak eenzaam worden zodra er een hek omheen staat of zodra ze in een kooi worden gestopt. Dat doet me dan denken aan de economische hand van de mens die invloed heeft op een emotioneel gebied. Kunt u reageren op hoe onze economie nu bijdraagt aan de eenzaamheid van menselijke dieren?

De concurrentiestrijd zorgt ervoor dat mensen tegenover elkaar gezet worden. Maar ik zie het nog voorbij de economie. De beste en de sterkste en de rapste en de mooiste moeten zijn is niet bevorderlijk voor verbinding. Ik denk wel dat de mens fundamenteel eenzaam is. Dat is ons lot. We worden uit onze moeders geperst en in de wereld geworpen.
De relaties die we aangaan en de verbindingen die we aangaan met onze peers, ouders, geliefden, gaan nooit de baarmoeder vertegenwoordigen. Dat vormt altijd een tekort. Het onmogelijke verlangen.

Ik denk wel dat de mens fundamenteel eenzaam is. Dat is ons lot. We worden uit onze moeders geperst en in de wereld geworpen.

-Als een individu terug wil naar de baarmoeder, waar wil de samenleving dan heen?

Ik denk dat onze samenleving heel erg inzet op ‘het ikkige’, op zelfontplooiing. Dat is een aspect van de mens dat wel wezenlijk is maar waar het afhankelijke bijna een scheldwoord is. Door die extreme autonomie-gedachte, raakt nodig zijn voor anderen en het nodig hebben van anderen, ondergesneeuwd. Dat is de eigenlijke oorzaak van de reusachtige eenzaamheid in onze wereld. De illusie dat een alleenige mens een vervuld bestaan kan hebben.

-Heeft u beelden bij andere vormen van economie die dat gevoel zouden doen verminderen?

Ik ben een romantisch mens dus heb daar beelden bij maar ik ben geen econoom en wil op mijn terrein blijven. Je ziet soms bottom-up initiatieven ontstaan met een ruileconomie en kleine gemeenschappen met afspraken. Ja, dat zijn romantische ideeën.
Ik wil daar wel direct kritisch over zijn. Ik heb gezien dat mensen die net iets ouder zijn dan ik en uit een hippieachtig milieu komen, met idealen uit de jaren ’60, behoorlijk vastgelopen zijn. Ik zie daar de kinderen van. Zij vertellen mij niet altijd verhalen van rechtvaardigheid en geluk. Commune-achtige gemeenschappen die alternatieve vormen van samenlevingen probeerden op te zetten. Daarin schemerde dikwijls onder de oppervlakte van gelijkheid een nog grotere ongelijkheid dan in het burgerlijke leven.

-Ik denk dan aan de kraakbeweging die bij vlagen extreem seksistisch en hiërarchisch bleek. Toch blijf ik voorstander van kraken en hun idealen. Waar keek u naar?

Ja, dat is een voorbeeld. Maar dat is van veel later. In mijn tijd was er niks. Er was niets eigenlijk! (lacht) Maar daarvoor, de mensen waar ik een beetje naar opkeek?
Ik keek als kind naar de film Woodstock en de betogingen in Parijs in ’68. Als ik later ga studeren dan wil ik ook zo zijn, dacht ik. En ik ging studeren aan de universiteit. En, echt waar, in 1978 was ik de enige met lang haar. De enige! Ze hadden allemaal kort deftig geknipt haar. Ze kwamen allemaal met chique auto’s, ik kwam altijd te laat.

Daarin schemerde dikwijls onder de oppervlakte van gelijkheid een nog grotere ongelijkheid dan in het burgerlijke leven.

-Bent u nog steeds te laat?

Ik word nu gelukkig gehoord, en massaal gehoord door jonge mensen. Mijn kritische analyse van deze tijd die ik destilleer uit wat ik bij de mensen in mijn consultatie hoor, wordt blijkbaar door twintigers opgepakt en dat doet mij heel veel plezier.

-Misschien komt dat ook wel omdat onze economie voor onze samenleving nu soms onmenselijk is?

Het ontmenselijkt. Het is potentieel ontmenselijkend!

-In uw boeken spreekt u over het vervagen van rolpatronen in de gezinnen van onze westerse samenleving, hoe we ons steeds minder goed kunnen spiegelen aan onze vaders en moeders. Wanneer u denkt aan een Vadertje Staat in die context, wat doet Vadertje Staat dan nu goed?

Ik zit zo niet in elkaar, van goed en slecht. Wat ik wel denk is dat er in deze tijd veel mensen zijn met hechtingskwetsuren. Het gezinsleven wordt door elkaar geschud. Daar hebben we nog geen evenwicht in gevonden. Ik ben geen cultuurpessimist; ik denk we gaan moeten leren om de horizontale verbindingen eventueel te wisselen. Het blijkt nu een tijd te zijn van seriële monogamie of andere vormen. Maar laten we alsjeblieft de verticale verankering naar kinderen toe goed bewaken. Als dat niet gebeurt en dat zie ik vaak, dan dreigen mensen met zulke kwetsuren angstig en onzeker te worden. Bij gebrek aan hechtingsfiguren gaan zij zich richten op imaginaire projecties van hechtingsfiguren zoals ‘sterke leiders’. Dat verklaart deels het succes van het populisme: vaderfiguren en moederfiguren die houvast bieden. 

- Hoe bieden populisten houvast?

‘Volg mij.’ zegt de populist. ‘Ik weet het. Je hoeft niet meer te denken.’ Door een gebrek aan verbinding en onzekerheid worden mensen een gemakkelijke prooi voor populisten. Dat brengt het gevaar dat het wegen uitgaat wat achteraf klinkt van ‘Wir haben es nicht gewußt’.
Ik denk dat de opkomst van sterke leiders deels te verklaren is door een maatschappij die wat fluïde is in normen en waarden. Een sterke leider is een eufemisme natuurlijk. De oplossing ligt niet bij sterke leiders. Zeker niet in deze tijd van communicatie, van Bottom-Up processen waar mensen worden aangezet door zelf te reflecteren en kritisch na te denken. Daarin kunnen zij hun eigen oplossingen genereren en het niet over laten aan anderen. Hersenloosheid is nooit een goed idee. U komt uit Nederland? U bent gaan stemmen gisteren?

De oplossing ligt niet bij sterke leiders.

-Was ik maar gaan stemmen! Maar zeg eens, staatshervormingen tegen de eenzaamheid?

Ik probeer nooit oplossingen aan te bieden. Mensen moeten zelf hun oplossingen vinden dat werkt veel beter. Maar dat is wel frustrerend. Als ik zou zeggen wat mensen zouden moeten doen zou ik in de politiek moeten gaan. Dan doe ik wat ik juist wil tegengaan. Ik wil mensen in hun kracht zetten, verbinding maken. Niet overnemen. Dat koloniseert de mens en dat holt haar uit. Dan denkt zij niet meer zelf na, zij laat voor haar denken als je gaat zeggen hoe het moet. 

-Denkt u dat we het kapitalisme de schuld kunnen geven van onze eenzaamheid? 

Nee, dat is te kort door de bocht. Eenzaamheid is het lot van de mens. In der Welt geworpen zijn, zoals Heidegger zegt. We worden in de wereld geworpen en we zijn daar eenzaam en verlaten. Knip doet de schaar! Dat is ons lot. Allereerst in de wereld geworpen zijn, de ruimtelijke metafoor. Ten tweede weten we dat we gaan sterven. Dat is anders bij de hond en de kat. Wij weten dat we doodgaan en dat is een grote uitdaging in een wereld zonder God.
Het enige dat we kunnen doen is op zoek gaan naar verbinding, wetende dat dat nooit helemaal gaat lukken en dan kunnen leven met die verwonding. Dat is denk ik het menselijke zijn. Het nooit meer helemaal in de ander zijn en nooit terug kunnen gaan. Misschien in de dood.
‘Wat moet ik nu? I
k ben hier alleen en na een tijd is het gedaan.’ Dat is heel moeilijk en de meeste mensen denken daar maar niet over na.

We worden in de wereld geworpen en we zijn daar eenzaam en verlaten.

-Waarom niet?

Omdat dat een bedreigende gedachte is. Tot ze ergens tegenaan lopen. Met pensioen gaan, gezondheidsproblemen hebben of gewoon ouder worden. Uw geliefde die weggaat! Uw geliefde die maar niet weggaat! Er gebeurt altijd wat! En dan komt de zin ineens in ons gezicht geslagen of de zinloosheid, dan komt de ledigheid en dan komt de nietigheid.

-Vertel.

Wel, er zijn niet zoveel mensen die aan de zin van het bestaan ten gronde nadenken als er niets verkeerd loopt. Het probleem van onze samenleving is zelfgenoegzaamheid. Alles is ok. De restaurants zitten vol. Je moet lang op voorhand reserveren of je hebt geen plaatsje. Wat is het probleem?!

-Voor u!

Voor velen. Wat zit ik te zagen met mijn boeken? Alles is toch goed? We hebben een huis en een tuin en een hond. We hebben alles! We hebben geen honger en geen oorlog.

-Voor wie spreekt u nu?

Een maatschappelijke zelfgenoegzaamheid die dreigt en mij ergert. Kom eens luisteren hier bij mij in de praktijk, wat een onmogelijk verdriet ik hier elke dag beluister van dezelfde mens die op restaurant zit of hij die er niet zit en die we niet horen. De grote uitdaging voor de tijd is de zin van het leven. Wat doen wij hier?

-Wat doen we hier?

Dat weet ik niet. Er is geen a priori zin. Het leven heeft geen zin. We zijn hier toevallig in een onwaarschijnlijke toevalligheid van moleculaire interactie. Geen mens begrijpt hoe. Maar de mens, het menselijke dier heeft door zijn neuronale ontwikkeling en door zijn bewustzijn van zijn sterfelijkheid, nood aan zin. Daar ligt iets dwars. In de zinloosheid van het bestaan en de zeer wezenlijke nood aan zin.
Vorige generaties hadden eeuwenlang een God en dat is verdampt en weg. Nu worden we gedwongen om over de zin na te denken. Dat is heel boeiend, maar blijkbaar heel problematisch en een van de redenen waarom ik zoveel werk heb.

Daar ligt iets dwars. In de zinloosheid van het bestaan en de zeer wezenlijke nood aan zin.

-Als u met een dier kon spreken en hier als patiënt kon hebben. Welk dier zou uw belangstelling trekken? Ik kan me voorstellen dat een rat anders eenzaam is dan een giraffe.

Ja, de mier is dan ook helemaal anders. Net als de bijen, die leven in een gemeenschap. Het individuele is helemaal op de achtergrond. Ik weet niet met welk dier ik zou willen spreken. Ik wil wel opletten om dieren te antropomorfiseren, menselijke eigenschappen op ze te projecteren. Dat dier denkt daar niet zo over! Moest ik nu een dier kunnen spreken dan was het geen dier meer.

-Als we het niet kunnen hebben over spreken, laten we dan nadenken over communiceren met dieren. 

Ik had een kat! Kasimir. We zeiden vooral Poesz. De kat is zeventien en een half jaar bij ons thuis geweest. Dat was een deel van het gezin. En die kat was, eigenlijk was het een heel mooie kat. Een kartuizer. British blue. Wonderbaarlijk mooie kat. Een van de mooiste katten van de wereld hadden wij. Zoals Bukowski zegt. 
“Ive seen dogs with more style then men and dogs have no style. Cats have style, they have it with abundance.”
Waarom had ik een kat? Ik heb die kat gekocht omdat mijn vader graag katten zag. Maar mijn moeder had schrik van katten waardoor we thuis nooit een kat hebben gehad. Toen ik een eigen gezin had en een eigen huis, heb ik die kat aangeschaft. Om mijn vader plezier te doen en mijn vader had daar plezier van. Wanneer hij bij ons thuis kwam dan keek hij niet zozeer naar de kinderen. Hij was een lieve man hoor, maar dat vond hij niet zo interessant. Maar die kat! Altijd maar die kat! Een kat kan goed eenzaam zijn. Beter dan een hond.

-Hoe of wat zou u met Kasimir willen bespreken?

Dat zou nog boeiend zijn! Hoe heb je dat gezin beleefd al die jaren? Hoe heb je dat bekeken? Ik zou hem dus niet zoveel vragen. Ik zou Kasimir niet sturen. Ik laat vooral spreken dus vertel eens. Hoe is dat geweest? Was het daar een beetje leuk?
Nogmaals, dit is absurd.
We hadden drie kinderen en mijn vrouw wou nog wel meer kinderen. Alstublieft zeg. Toen heb ik een kat gekocht.

-Heeft u hem begraven?

Dat is een heel triest verhaal en dat is het laatste! We zijn over onze tijd! Maar het is een heel triest verhaal waar ik. Spijt. Van. Heb. Waar ik mij schuldig en beschaamd over voel.
Onze kat is heel oud geworden. Kasimir was op het eind van zijn dagen blind en liep dus zo toep tegen de paaltjes. En, ook een beetje incontinent. Maar hij was zo een deel van het gezin, we hebben dat allemaal gedragen. Onze kinderen waren heel lief. Op een dag was de kat heel moe en kwam ze niet meer uit haar mand en op den duur was de kat zo moe dat ze bleef liggen, en bijna niet meer kon eten of drinken. Toen hebben mijn kinderen, alle drie, gewaakt bij het sterfbed van de kat. Met een pipet hebben ze een klein beetje bij beetje water gegeven, tot de kat dood was. En dan was ze dood. Dat was mooi. Dat was heel mooi. Wij wonen in de stad en we hebben geen tuin. We hebben geen tuin! We konden de kat niet begraven. Ik dacht wat moet ik nu doen met dat lijf? En dan heb ik gebeld naar de stadsdiensten om te vragen.
Maakt een telefoon van zijn hand. ‘Ik heb een dode kat. Wat moet ik daarmee?’

We hadden drie kinderen en mijn vrouw wou nog wel meer kinderen. Alstublieft zeg. Toen heb ik een kat gekocht.

-Dat had u nooit moeten doen.

Ik zeg het toch? Ja…
‘Ach ja.’ zei de dienst aan de andere kant van de hoorn. ‘We hebben daar een speciale dienst voor…’
Dus men heeft containerparken om het vuil te sorteren. Maar er is een specifiek containerpark in Antwerpen dat ook dode dieren opvangt. En dan ben ik met een doosje op schoot met onze kat erin naar dat containerpark gereden. Daar moest ik wachten voor een slagboom.

-Gingen uw kinderen mee?

Nee! Dat heb ik gelukkig alleen gedaan. De meneer bij de slagboom zei ‘Wat heeft u te brengen? Radio actief afval?’ 
Ik zei ‘Neen ik heb een kat.’
‘O een kat. Dat is container 12 daar meneer, is de kat.’
En dan zag ik container 12 en het lag VOL dode beesten. Het was verschrikkelijk. Honden! Katten! Beesten. Kleine, grote…

-Vogels?

Alles! En ik heb onze kat daarbij gesmeten zonder nog te kijken. Dat vond ik verschrikkelijk. Het is uiteindelijk allemaal wat het is. Dat beest heeft goed geleefd. Goed gestorven ook, maar toch.
Achteraf gezien had ik dat anders moeten doen. Ik had een romantisch idee dat het waardig zou zijn of mooi. Ik had dat ook kunnen bedenken. Ik heb weggekeken maar ik heb natuurlijk wel gekeken! Ik heb dat beeld voor ogen! Geen trauma hoor maar…

Op de terugweg denk ik aan de baarmoeder. Willen mensen echt terug? Als kind maak je daar grapjes over om je moeder aan het lachen te maken en ook om de waarheid te testen. Je neemt een aanloop, je buigt je hoofd naar voren en je springt!
Op het perron in Kortenberg wacht ik, met horden mensen die klaar zijn met werken, op de eerste trein naar Brussel. Wacht hen thuis een raskat? Of een tijdsmetafoor die hen de ruimte in blaft en ons lot bepaald? In mijn trein zit gelukkig een oude verfrommelde dame die om hulp vraagt bij het opstaan.  Ze strekt haar armen omhoog als een klein kind dat opgepakt wil worden. De persoon die het dichtst bij haar staat is ook toevallig de grootste en gevaarlijkste man die je je kunt inbeelden. Iedereen in de coupé houdt zijn hart vast. Hij buigt voorover en tilt haar omhoog. Hij smelt- wij allemaal-  en word beloond met een natte zoen. Mensen gaan dag in dag uit terug, om vooruit te gaan.