Mister Motley heeft een boek gemaakt. Koop hier 'Dit is een vertaling'.

Image

Interview met Arna Mačkić over de bedreiging van de inclusieve stad

22 May 2019 Milo Vermeire

Architect Arna Mačkić (1988) heeft samen met Lorien Beijaert het architectenbureau Studio L A opgericht. Daarnaast is ze hoofd van de afdeling Architectural Design aan de Gerrit Rietveld Academie en tot 2016 verbonden geweest aan ontwerpbureau RAAAF. Ook is ze de auteur van het boek Mortal Cities & Forgotten Monuments waarin ze onderzoekt hoe stedenbouw verbonden is met identiteit en hoe architectuur kan bijdragen aan een open manier van stadsontwikkeling en wederopbouw – met behoud van (immaterieel) historisch erfgoed. 

 

Ik interview Arna Mačkić 's ochtends vroeg in de kantine van de Gerrit Rietveld Academie. Op de achtergrond klinkt muziek van de Talking Heads, studenten druppelen het gebouw binnen.

In de Tegenlicht-aflevering City for Sale (2017) word je geïnterviewd terwijl je op de pont naar de NDSM-werf staat. Je hebt het dan over hoe belangrijk het is voor de stad en haar architectuur om zo inclusief mogelijk te zijn. Waarom is dat zo waardevol?

“Het is voor een mens belangrijk om zich te kunnen herkennen in zijn of haar omgeving. Als je ergens woont dan maak je daar herinneringen aan. Je ontmoet, wandelt, speelt, werkt en koppelt al die gebeurtenissen aan specifieke plekken. Dat zorgt ervoor dat je om ‘jouw’ plek gaat geven en nog meer binding opzoekt, bijvoorbeeld door met mensen in gesprek te gaan die daar ook komen. Zo ontstaat er een gemeenschap. Als mensen die connectie niet voelen, dan voelen ze zich ook niet verantwoordelijk voor hun omgeving en valt de sociale cohesie weg.”

“Het in contact komen met mensen in je buurt die wezenlijk van jou verschillen is heel belangrijk voor die binding. Door in een stad samen te wonen met mensen die anders zijn dan jijzelf, besef je dat je er niet alleen woont en dat je je moet verhouden tot de ander. De diverse, of inclusieve stad wordt vaak gezien als een zwakte waar we ‘mee om moeten gaan’: de kracht ervan wordt niet herkend. Terwijl de ander zien, wie de ander ook is, juist de kwaliteit van de stad is.”

Kan je als architect inclusiviteit implementeren in je ontwerp? 

“Jazeker. Je kan je als architect bewust bezighouden met de eigenschappen van een publieke ruimte. Kunnen verschillende mensen zich erin herkennen? Zijn er genoeg verschillende gebruiksmogelijkheden, zodat een breed publiek er daadwerkelijk iets te zoeken heeft? Het is belangrijk om daar als architect verantwoordelijkheid voor te nemen en dat niet enkel op de gemeente of projectontwikkelaars te laten aankomen.”

“Daarnaast kun je kijken naar welke publieke functies het gebouw heeft dat je ontwerpt. Op het moment dat je een bepaald gebouw neerzet, wat geef je dan eigenlijk terug aan de bewoners van de stad, wat draag je bij aan het publieke domein?”

Amsterdam lijkt steeds minder inclusief te worden: bepaalde groepen mensen worden naar de randen van de stad verdreven terwijl in het centrum een steeds eenzijdiger publiek komt te wonen. Hoe ga je deze tendens tegen?

“Dat is heel moeilijk. Amsterdam heeft heel veel mooie publieke plekken. Dat het minder inclusief wordt ligt vooral aan het feit dat het steeds duurder wordt. Er is een groeiende groep mensen die het wonen in de stad niet kan betalen. Dat zijn mensen van onze generatie, mensen die net beginnen met settelen en gewoon een baan hebben, maar erachter komen dat dat niet voldoende is. Als architect zijn je middelen daartegen beperkt, je bent een uitvoerder van plannen. Ik kan er wel ideeën over hebben maar ik ben niet degene die beslist.”

“Zelf neem ik bepaalde opdrachten niet aan. Als ik weet dat ze exclusief voor één bepaalde groep zijn of als er door de opdrachtgever wordt gevraagd naar een soort homogeniteit in de esthetiek van de architectuur. Daardoor krijg je namelijk gebouwen die niet locatiespecifiek zijn, gebouwen die net zo goed in Amsterdam als in Londen of New York zouden kunnen staan. Vaak zijn dit soort plekken ook alleen toegankelijk voor bevolkingsgroepen met een hoger inkomen. Een voorbeeld hiervan is het nieuwbouwproject State naast de Bijlmerbajes in het Amstelkwartier. Dat is een woningbouwproject met een generiek soort architectuur dat gericht is op (en alleen toegankelijk is voor) mensen met een aanzienlijk hoog inkomen. Ik vind dat je daar als architect kritisch op moet blijven en de gemeente en ontwikkelaars waarmee je samenwerkt op moet aanspreken.”

Als jij zulke opdrachten niet aanneemt, zijn er dan niet vijf anderen die het wel willen doen? 

“Zeker, maar dan heeft de opdrachtgever in ieder geval een duidelijke boodschap ontvangen. In die zin doe ik wat ik kan en wat ik denk dat goed is. Wat er vervolgens daadwerkelijk mee gedaan wordt weet ik niet. Dat vind ik lastig. Ik heb het idee dat er weinig visie is, over welke kant de stad op moet en wat voor stad we willen zijn.”

Amsterdam Noord en de gehele NDSM-werf zijn al ruime tijd in ontwikkeling. De laatste paar jaar is deze ontwikkeling echter in een stroomversnelling terecht gekomen waarbij de vraag lijkt te ontstaan of het vrije karakter van de werf wel behouden kan worden. Zie jij de werf als een klassiek voorbeeld van gentrificatie, met alle voor- en nadelen inbegrepen?

“Soms vind ik het lastig om de voordelen van gentrificatie te bedenken. In het geval van de NDSM-werf gaat er waarschijnlijk meer geld verdiend worden en komt er meer ruimte voor woningbouw, maar ik ben erg kritisch over hoe het proces verloopt en hoe er wordt ontworpen. De gemeente had beter moeten kijken naar hoe de werf zich de afgelopen halve eeuw heeft ontwikkeld. Daarvan hadden ze een heldere analyse kunnen maken met de bestaande kwaliteiten, initiatieven, dromen en ambities van lokale bewoners en ondernemers als uitgangspunt. Vervolgens kijk je hoe je vanuit dat vertrekpunt een nieuw plan kan maken waarbij iedereen omhoog wordt gelift. Nu lijkt het alsof er wordt gezegd: ‘de kwaliteit komt alleen van buitenaf en kunnen we alleen maar bereiken als we bijvoorbeeld woontorens maken, de huren laten stijgen en we een specifieke doelgroep aanspreken.’ Ik vind dat het gewoon niet zo slim is aangepakt.”

Hoe zou jij het anders aanpakken?

“In mijn eigen praktijk houd ik altijd interviews met bewoners en onderzoek ik een locatie door er echt veel te zijn. Op basis daarvan maak ik vervolgens een ontwerp. Die methode wordt door anderen niet veel gehanteerd, het kost te veel tijd of er wordt direct gezwaaid met een term als ‘bottom-up’, waarbij bewoners en kunstprojecten vooral gebruikt worden om een eigen agenda door te duwen.”
 
Hoe zou een betere analyse van de NDSM-werf zich in de architectuur van de buurt kunnen uiten?

“Door na te denken over hoe je deze plek kan herontwerpen op een manier waarmee verschillende lagen uit het verleden deel uitmaken van het ontwerp. Ik denk dat bijvoorbeeld de schaalloosheid, die industriële omgevingen zoals de NDSM vaak hebben, gebruikt moet worden in het ontwerpproces. Bij architectonische elementen zoals een loods, hellingbaan of kraan ontbreekt het meestal aan een menselijke schaal, je kunt niet goed inschatten hoe groot het object is omdat er bijvoorbeeld geen ramen of deuren inzitten met afmetingen die we direct herkennen. Juist deze schaalloosheid wordt op de NDSM geleidelijk weggepoetst, zoals bijvoorbeeld bij de oude kraan waar een hotel in is gemaakt. Ik vind dat, puur architectonisch gezien, heel lelijk gedaan. De manier waarop de kleuren zijn verdeeld over die oude kraan zorgen ervoor dat de schaalloosheid vervalt, de menselijke maat is toegevoegd. En als je die schaalloosheid weghaalt, ben je eigenlijk ook die unieke industriële identiteit aan het weghalen.” 

“Daarnaast hebben ze voor een van de nieuwe hotels een oude loods nagebouwd en opgetild om hoogbouw te creëren. Ik vind dat soort architectonische grapjes niet nodig. Het spreekt van het niet op de juiste manier kunnen reageren op een historische plek. Iets uit de geschiedenis onderwerp maken van je ontwerp doe je niet door het oude te slopen en vervolgens na te maken. Je gebruikt het oude, je ontwerpt iets nieuws, of je combineert dat. Maar dan moet je dat wel goed doen.”

“Een voorbeeld van waar de stadsontwikkeling heel goed is gegaan, is de Tolhuistuin. Daar gebeurt iets onverwachts. Er is een fietsenmaker, een hiphop-dansschool, een galerie en een restaurant waar je redelijk goedkoop kan eten en waar je ook heel uitgebreid heel veel hapjes kan bestellen en zo duur kan gaan als je wilt. Die brede scope vind ik heel goed en verassend. Het maakt de plek uitnodigend voor veel verschillende mensen.”

Je zegt dat een plek, door meerdere lagen van het verleden te tonen en een mix aan gebruiksfuncties te hebben, verschillende identificatiemiddelen aan een brede groep bewoners biedt. Is deze manier van diversiteit bevorderen nog steeds mogelijk op de NDSM-werf, ondanks de grote veranderingen die daar plaatsvinden en de vele partijen die een graantje mee willen pikken van de groeiende economie in de wijk? 

“In theorie geloof ik dat dit overal kan, maar niet als bewoners geen mogelijkheid hebben om betaalbaar te wonen of als de publieke plekken zo duur worden dat de doorgewinterde bewoner daar geen kop koffie meer kan betalen. Dan heeft het gewoon geen zin. Dan kan je zo verbindend zijn als je wilt met de architectuur; de mensen worden dan toch weggedreven. In het geval van de NDSM ben ik bang dat we echt te laat zijn. De mensen die daar straks wonen betalen veel voor hun woning. Dat betekent dat hun eisen ook hoog zijn en dat snap ik heel goed. Want als ik veel betaal voor iets en ik merk dat mijn buurman heel veel geluid maakt of er zijn kunstenaars beneden aan het lassen, dan ga ik daarover klagen.”

Zijn de kunstenaars die sinds de jaren 90 actief zijn op de NDSM-werf misschien te naïef geweest over de rol die ze spelen in het gentrificatieproces? 

“Nee, dat denk ik niet. In eerste instantie ben je als kunstenaar gewoon aan het overleven en kies je goedkopere plekken uit in de stad om een betaalbare atelierruimte te huren. Een van die plekken was vroeger toevallig de NDSM-werf. Aan de andere kant zijn ze natuurlijk wel deel van het ontwikkelingsproces en moeten ze zich dat heel goed beseffen. Ik denk niet dat kunstenaars daarin naïef zijn, het zal alleen niet voor iedereen het belangrijkste onderwerp zijn. Je moet je ook maar net met stadsontwikkeling bezig willen houden. Je merkt wel dat er veel kunstenaars zijn met goede bedoelingen en dat ze dan bijvoorbeeld een wijkproject gaan doen waar ze subsidie voor krijgen en voor je het weet hebben ze een soort gezellige wijk gemaakt. De gemeente springt er vervolgens bovenop omdat de wijk eindelijk op de kaart staat en er nu ‘echt ontwikkeld’ kan gaan worden.”

Wordt er dan eigenlijk sociaal werk verricht met behulp van kunstsubsidies in plaats van met sociaal-maatschappelijke geldbronnen?

“Ja precies. Maar aan de andere kant ken ik de gemeente hier goed en hebben we best veel geluk: er werken mensen die echt sociaal en maatschappelijk begaan zijn. Het zijn geen kwaaie mensen die alleen maar achter het grote geld aangaan. Toch gebeurt er blijkbaar iets in de processen van het maken van de stad dat door het grote geld afdwongen wordt. Waar het mis gaat en waarom de gemeente soms dingen niet kan blokkeren is moeilijk te zeggen. Zijn die andere krachten dan zo sterk? Of is het toch gebrek aan een duidelijke visie?”
 
Hoe kunnen de bewoners van Amsterdam zelf het tij keren? Hoe kunnen we homogeniteit in de stad bestrijden?

“We hebben visie nodig. Als steden de homogeniteit blijven opzoeken en steeds meer mensen uitsluiten en verdrijven dan wordt de eenzijdigheid op straat alleen nog maar groter. Misschien is het grootste probleem dat veel mensen zich niet bewust zijn van de impact die stedenbouw heeft op hun leven. Stedenbouw ontbreekt eigenlijk als onderwerp in het publieke debat en de politiek, terwijl het uiteindelijk bepaalt wie we ontmoeten in de stad.”

Ook adverteren op mistermotley.nl? Stuur dan een mail naar maurits@mistermotley.nl