In de beroemde roman Franz Sternbalds Wanderungen zegt de Duitse dichter Ludwig Tieck “Ik beschouw kunst als een onderpand van onze sterfelijkheid.” Hoe sta jij tegenover je eigen eindigheid in relatie tot ‘creatiedrang’?
Gijs Frieling: ‘Ik wil niet teveel bezig zijn met het voortbestaan van mijn eigen werk. Mijn muurschilderingen zijn toegewezen aan een locatie. De beheerder, bewoner of gemeenschap mag beslissen of, en hoe het bewaard wordt. 
Ik ben meer geïnteresseerd in de activiteit van het creëren dan in het overblijvende resultaat, en geloof dat de activiteit en het proces meer met je wezenlijke individualiteit te maken hebben dan ‘dat wat helemaal gevormd is’. Ik zie het uiteindelijk object als een slangenhuid die je afwerpt. Je teveel aan je eigen kunstwerken hechten vind ik een vreemde gewaarwording: ongezond voor een kunstenaar.

Dit wil niet zeggen dat objecten niet belangrijk zijn, of het resultaat vervangbaar. Als toeschouwer ben ik natuurlijk blij dat er nog veel oude kunst bestaat. De mozaïeken in Ravenna bijvoorbeeld – kunst uit de 8e eeuw die verhaalt over nog oudere schilderkunst. Of althans, dat denken we; we kunnen de referentie niet meer precies nagaan of controleren. Hetzelfde geldt voor de muurschilderijen in Pompeï, die gebaseerd zijn op Griekse decors die allemaal verloren zijn gegaan, omdat ze op doeken en houten panelen werden geschilderd. Het idee dat die murals gebaseerd zijn op iets vluchtigs vind ik eigenlijk heel mooi. Het is een soort poëtisch beeldrijm waarvan de referentie verloren is gegaan en we het zodoende nooit meer kunnen controleren. 
Ik ben er dus niet voor om alle kunst te vernietigen, maar ik hecht niet aan het kunstwerk als persoonlijk bezit.’    

‘Wat is jouw motief om kunst te maken?’
‘Ik wilde als kind al kunstenaar worden: werken met mijn handen, iets scheppen. Het is een wezenlijk verschil met bijvoorbeeld mijn collega’s bij Rijksbouwmeester. Zij werken enkel op beleids- procedure niveau. Aan het einde van de week sta ik te schilderen in mijn atelier en denk ik: wat fantastisch dat ik er bij kan zijn op het moment dat iets de wereld in komt, van niets opgebouwd wordt, en op een gegeven moment is het ook echt af. Die cyclus van een heel proces, en niet enkel onderdeel ervan te zijn, is ontzettend waardevol.’

Cultuurfilosoof Kees Vuyk stelt dat “wie ben ik als mens zelf” het belangrijkste motief is voor het maken van kunst. Bevestigt jouw kunst, of het maken van kunst, jouw eigen bestaan? 
‘Ik geloof dat zelfkennis iets heel fundamenteels is. Sterker nog: het hoort bij de definitie van het mens-zijn. Het meest essentiële aan ons bestaan is dat je jezelf wilt kennen. Dat is een proces waarbij je iedere keer je mening moet bijstellen over je idealen, je handelen en wie je bent. De mens is voortdurend in verandering en zelfonderzoek is een permanent proces van desintegratie. Allerlei dingen waarvan je bij wijze van spreken altijd hebt gedacht dat ze jou definiëren, zijn dingen die je ook weer kwijt raakt, waar je uitgroeit of die je verliest. Op heel veel niveaus neem je afscheid en verwelkom je, zo extreem dat je dingen die je altijd begreep plotseling helemaal niet meer kúnt begrijpen. Denk aan kunstwerken of muziekstukken waar je altijd veel van hebt gehouden, en plotseling vind je het niks meer, ben je het ontgroeit. Het is geen doorlopende lijn, zelfkennis. Je wint en raakt kwijt: iedere sprint heeft ook een wandeling terug. Daarin spreekt zich degene uit wie je bent. Een mens, en dus ook een kunstenaar, kenmerkt zich als een activator en een observator. Individualiteit is geenszins een statisch begrip.’

Welke rol speelt kunst in dit zelfonderzoek? 
‘Kunst is per definitie onvoorspelbaar en ondefinieerbaar. Vlak voor dit interview (dat we afnemen in het café van Marres, omdat Gijs middenin het schilderproces zit van The Painted Bird –red.) had ik een gesprek met Derk Thijs (deelnemende kunstenaar van de tentoonstelling –red.) over het grote papieren schilderij dat hij toont. Hij zei hierover: “Ik zou dit nu nooit meer kunnen maken, hoe graag ik dat ook zou willen.” Terwijl je technieken beter leert zorgt dat er ook voor dat bepaalde kunst niet meer uit je handen zal komen, hoe mooi deze misschien ook is. Dit pijnlijke proces noemen we vooruitgang. Je streeft ernaar kundiger te worden en neemt daarmee per definitie afscheid van naïviteit. Juist als kunstenaar ken je het mechanisme van winnen en verliezen maar al te goed. Ik kan met verlangen en nostalgie naar mijn oude werken kijken. Kunstenaar en oud directeur van de W139 Ad de Jong zei eens tegen mij: “Toen ik jong was en werk maakte ging ik net zolang door tot iets lukte, en als het geslaagd was maakte ik één werk en richtte ik me op mijn volgende interessegebied. Nu weet ik: als iets goed is probeer ik er zo snel mogelijk zo veel mogelijk van te maken. Voor je het weet ben je er alweer uit gegroeid.”
Stel je een menselijk lichaam voor: je persoonlijkheid ontwikkelt zich in het lichaam, maar het lijf wordt ouder en ouder.  Op een gegeven moment gaat het gewoon niet meer, en is het leven klaar. Zo werkt een kunstwerk ook. Je werkt eraan tot het af is, en dan laat je het los. Een lichaam stoppen wij in de grond, de Egyptenaren mummificeerden het. Dat doen wij met beeldende kunst ook: die bewaren we. De antroposofie heeft trouwens een interessante kijk op deze ‘bewaardrang’ en gemummificeerde farao’s: Door de lichamen te conserveren worden het een soort ankers die de zielen aan de aarde gekluisterd houden. Het vasthouden van die prinsen heeft iets heel duisters. Dat vind ik zo bijzonder aan muziek en theater: het vervliegt.’ 

Derk Thijs in the Painted Bird
Derk Thijs in the Painted Bird

Gijs Frieling is Marres
Gijs Frieling is Marres

Toen ik door de tentoonstelling liep, realiseerde ik me dat je vrij dwingend bent naar de toeschouwer. Het is ‘oogverdovend’. Je zorgt voor een overdonderende ervaring: zoals een opera waarin een sopraan de dood van haar liefde betreurt.
‘Dat is precies wat ik wil! Ik streef ernaar met mijn kunst een tijdelijke ervaring creëren die op het moment dat je erin stapt intenser is dan je rationeel kunt behappen. Meestal kijken we toch naar een tentoonstelling met ‘dingen erin’, dan loop je van object naar object en zal je zo’n ervaring nooit hebben. Voor een visuele opera heb je een samensmelting van kunstenaars nodig. Je moet de verstandelijke greep, die we als toeschouwer en maker zo graag hebben, loslaten.’

En als je uit de visuele opera stapt, is het dan fijn dat het er niet meer is?
‘Zeker. Laatst was er een vader van een bekende overleden. Ooit had hij samen met zijn vrouw in een appartement gewoond, daarna in een bejaardentehuis waar hij uiteindelijk overleed. De zoon was naar het tehuis gegaan om zijn spullen op te halen. Met twee kleine doosjes stond hij een paar minuten later buiten… Naar het einde van zijn leven toe had zijn vader van de meeste spullen afstand gedaan. 
Ik geloof dat in weinig bezitten ongekende vrijheid schuilt. 
In de kunst heerst er een vreemde verzamelwoede. Een kunstwerk wordt gemaakt, vervolgens meestal als eerste getoond in de galerie, waarna het daar wordt verkocht en linearecta verdwijnt in het depot, -want dat hebben verzamelaars tegenwoordig ook. Heel soms komen de kunstwerken in musea terecht en kunnen ze rondreizen over de wereld, maar het leeuwendeel zit verstopt in kamertjes en ziet misschien het daglicht wel nooit meer. Een absurde bedoeling, die ook backlash heeft, want kunstenaars die verkeren in dit ‘verkoop circuit’ maken dingen waarin dat verkoopbewustzijn zit. Het zijn kunstwerken gemaakt om in die tombes te verdwijnen. Ik heb het idee dat ik het er vaak vanaf zie, wanneer iets ‘typisch tombekunst’ is.’

Komt al dat bewaren inderdaad, zoals Ludwig Tieck stelde, voort uit een verlangen de dood te overleven? Wil jij herinnerd worden na je dood?
‘Ik ben ervan overtuigd dat we na de dood voortbestaan, dat er daarna nog allerlei te doen is. Op een andere manier, en in een andere vorm. Veel mensen vragen zich af of anderen na hun dood nog aan ze zullen denken. Ik ervaar ook trots wanneer studenten me laten weten dat ze echt iets aan een bepaald advies hebben gehad en daar nog vaak aan terugdenken. Dat is eervol en bijzonder, maar als ik dood ben vind ik die dingen geloof ik niet belangrijk meer. Eigenlijk is de fixatie op nalatenschap iets hyper atheïstisch.’

Je doet heel veel; kunstenaar, Rijksbouwmeester, leraar, adviseur, bestuurder, curator, jurylid (vader van 4 kinderen) etc. Je kunt nalatenschap ook abstracter opvatten en beschouwen als het doorgeven van ideeën…
‘Ik heb veel geleerd van Ad de Jong, die na het oprichten van W139 ruim 35 jaar bij de kunstinstelling betrokken bleef. Hij bemoeide zich op een prettige en aanwezige manier met alles en iedereen; stuwde de nieuwkomers voort. Toen ik daar begon als directeur zei hij tegen mij: “Gijs, het is eigenlijk heel eenvoudig om directeur te zijn. Je moet kunstenaars uitkiezen die beter zijn dan jij en vervolgens moet je ze niet in de weg lopen.” Hij bedoelde daarmee te zeggen dat je momenten altijd zo intens mogelijk moet maken en daarin vooral niet bang moet zijn voor het talent van anderen. Overdracht is nalatenschap. Het gaat mij om de ervaring, veel meer dan om spullen. Ik hoop dat aspecten daarvan voortleven in de mensen die onderdeel waren van de ervaring, zij het in een gesprek zoals wij nu hebben, of als bezoeker van de tentoonstelling.’

Bekijk hier de kunstwerken van Gijs Frieling en bezoek the Painted Bird hier.