Image

Virtual reality en taoïstisch zelfbeminnen

03 Oct 2018 Daan Borrel

Literatuurwetenschapper en schrijver Daan Borrel voelt een weerzin tegen het secundaire lichaam in virtual reality en games. Maar tijdens het taoïstisch zelfbeminnen werk je ook met een tweede lichaam, is dat een wezenlijk verschil?

Mijn interesse in het werk van mijn ex-geliefde was nooit groot genoeg. Hij maakte content voor virtual reality en, hoezeer ik ook mijn best deed, ik kon maar niet werkelijk begrijpen wat daar nu zo noodzakelijk aan was. Ik sleepte mezelf wel mee naar alle avondjes over het onderwerp, en bekeek geduldig de filmpjes waarin hij informatie over deze nieuwe realiteit presenteerde maar meestal gingen de discussies niet veel verder dan: wordt de journalistiek beter of slechter van virtual reality, of: maakt virtual reality mensen meer of minder empathisch? De reflectie op het medium zélf voelde beperkt – voor mijn gevoel werden de eigen fundamenten, het waarom en het waarheen, nooit goed bevraagd. Waarom zou je je in vredesnaam bezighouden met een tweede werkelijkheid, als je het eerste nog niet eens begreep? Waarom een bril opzetten, als je hier op deze aardse wereld nog niet alles had gezien? How can you stay outside, zingt de Israëlische Yael Naïm, there’s a beautifull mess inside.

 

Achteraf snap ik mijn desinteresse van toen al wat beter: bij virtual reality ging het allemaal over de buitenwereld kennen met je geest, over nóg meer verhalen maken en zien, terwijl mijn lichaam zich in die tijd net begon te manifesteren. Dat begon met stilletjes vragen, kopjes geven, naar steeds harder roepen, gillen, schreeuwen: luister naar mij, ik heb waarheden voor je.

*

 

Ik moet bekennen dat ik me nooit zo heb kunnen inleven in een secundair lichaam. Als kind verlangde ik bijvoorbeeld niet naar een gameboy en ik houd niet van spelletjes waarbij je ineens een poppetje op een spelbord moet voorstellen. Het liefst verdwijn ik in een boek of een film waar ik ánderen kan observeren. Een wereld waarin mijn eigen lichaam helemaal verdwijnt. Er is al zoveel ‘ik’ in het dagelijkse leven dat zich moet verhouden tot van alles.

 

Virtual reality is denk ik het extreemste voorbeeld van een secundair lichaam worden: ‘je’ wordt via de bril in een andere wereld geplaatst. Anders dan bij film of theater waarin je de spelers beschouwt, word je daadwerkelijk tussen de spelers geïnstalleerd. In plaats van je in te voelen in een ander, voel je je in jezelf; een ander zelf.

 

Mijn geliefde had een van de eerste VR-brillen in handen. Dus dat ding werd naar alle feesten en partijen meegesleept zodat anderen ook getuige konden zijn van het nieuwe wereldwonder. De paar keren dat ik zo’n bril op mijn kop zette werd ik kotsmisselijk maar ik kon er wel van genieten te kijken naar anderen die door de bril een nieuwe wereld binnenstapten. Zoals de keer dat mijn beste vriendin een virtual reality-pornofilmpje bekeek. Ze beschreef haar eigen (mannen)lichaam, daaromheen allemaal gewillige vrouwen die aan haar (zijn?) penis zaten, likten, stoeiden. Ik heb haar volgens mij nog nooit zo hard zien lachen. Ze klapte met haar handen als een klein kind dat een groot verjaardagscadeau krijgt.

 

*

 

Een tijdje terug moest ik ergens voorlezen uit mijn boek over seksualiteit. Na mij sprak filosoof Janna van Grunsven van de TU Delft die onderzoek deed naar sekspoppen. Ze liet een intrigerend filmpje van The New York Times zien waarin seksrobots werden gemaakt. Van Grunsven haar thesis was dat wederzijdse kwetsbaarheid en empathie ontbreken bij het contact tussen seksrobot en mens omdat ‘echte’ huid ontbreekt bij die eerste partij. Toch vermoedde ze dat het gebruik van sekspoppen nog wel eens aanzienlijk zou kunnen groeien in de toekomst.

 

Op zich niet heel vreemd: we hebben altijd iemand, of íets, anders nodig om zelf te ‘zijn’. Je moet ergens tegenaan kunnen duwen, projecteren. Het idee van een zelf bestaat door de ander. En wat nou als daar gewoon een heel makkelijke oplossing voor is? Veel makkelijker dan een echt, oncontroleerbaar persoon? Een seksrobot, een vrouw die je pijpt in een virtuele realiteit?

 

Maar dan toch de hele tijd dat stemmetje in mijn achterhoofd: kunnen we niet méér met dat eigen lichaam? Waarom is het hebben van een ander – een andere pop, mens of secundair lichaam – toch zo verleidelijk?

 

*

 

Een deel van het antwoord hierop vond ik in het taoïsme: het is heel eng om naar je eigen lichaam te luisteren, want het houdt zoveel verdriet en intens geluk vast. Drie jaar geleden raakte in contact met deze Chinese filosofie. Zij zien seksualiteit als een energie, een energie die zorgt voor vernieuwing. Het zit in de bomen, de vogels en in mensen; als je opgewonden raakt, voel je de energie letterlijk warm worden. Je kunt deze seksuele energie leren transformeren door je lichaam en het gebruiken als een soort natuurlijke batterij.

Van het taoïsme leerde ik ook zelfbeminnen, een soort masturberen plus. Zoals je in seks met een ander ook twee soorten seks hebt – het eerste is gericht op klaarkomen, op lust, op aanspanning; het tweede is gericht op een ontmoeting met de ander – bestaat dit verschil ook voor masturbatie. Je kunt liggend op bed voelen wat fijn voelt in je lichaam zonder per se te focussen op een snel opluchtend orgasme.

Er ging een wereld voor me open. Vooral omdat dit vreselijk moeilijk bleek: elk deel in mijn lichaam wilde zich bij de minst geringste opwinding aanspannen zodat er snel een hoogtepunt kwam. Ik kon niet rustig worden, niet in stilte liggen. Ik kon mijn lichaam niet schaamteloos liefhebben en aanraken. Ik kon de onwetendheid van een grootser, onbekend orgasme niet aan (taoïsten onderscheiden namelijk zes verschillende orgasmes, waar de meeste mensen alleen met het piekorgasme bekend zijn).

 

Ik oefende een tijdje met het zelfbeminnen. Stopte ook weer, door de confrontaties die het meebracht. Ik durfde de controle niet écht los te laten. Begon weer, omdat het lokte. En nou ja, zo een tijdje door. Achteraf zou ik wel zeggen dat ik me er ook even in verloor, als in een religie. Andermans verhalen kon ik alleen nog maar door een taoïstische bril bekijken. En dat van mezelf al helemaal.

 

Dit alles speelde tijdens de verkering met de virtual reality-geliefde. Twee mensen in één huis die onbewust een heel andere kant oplopen. Een die voor haar werk de onwetendheid van het lichaam wil toelaten, de ander die voor zijn werk de controle over het lichaam juist als kunst probeert te beheersen.

 

*

 

Van de taoïsten mag je geen erotische fantasieën gebruiken om opgewonden te raken. Je mag je tijdens het zelfbeminnen alleen een stilstaande foto van een hoofd van een geliefde inbeelden. Het idee hierachter is dat je geen energie verspilt aan het verbeelden van fantasieën in je hoofd, aan het verzinnen van verhalen, zodat er meer aandacht is voor wat er in je lijf gebeurt.

 

Wat dan weer wel mag is een map, een visuele afdruk maken van je eigen lichaam – eigenlijk ook een secundair lichaam – waarin je helemaal compleet bent. Ook als je in je ‘echte’ lijf een baarmoeder mist, of een eierstok, dan heb je die in je secundaire lichaam wel. Zo kun je je altijd verbeelden dat de energie door je complete lichaam stroomt. In gedachte ben je heel, is alles er. Maar ook als je niks mist in dit fysieke lichaam, ben je tijdens het zelfbeminnen constant bezig met het visualiseren van je ‘secundaire’ lichaam. Ik weet namelijk niet hoe mijn eierstokken, mijn baarmoeder, mijn vagina eruitzien, ik kan het me alleen voorstellen door het te voelen, door mijn aandacht er vanbinnen op te focussen.

 

De vraag is in hoeverre dit secundaire lichaam verschilt van de VR-pornofilm waarin mijn beste vriendin gepijpt werd. Ook zij had ‘ineens’ een lul. Is het een dan beter dan het ander? Waarom keurde ik het een als helend, en werd ik misselijk van het ander?

 

Antwoorden op deze vragen heb ik (nog) niet, maar ik weet wel dat ik zachter ben geworden door het voelen en het visualiseren van mijn eigen secundaire lichaam.

 

Dat ‘zachter worden’ wordt mooi verbeeld in een scene met een tienjarig jongetje in de documentaire Innsaei van Hrund Grunnstreinsdottir en Kristín Ólafsdóttir. In de documentaire onderzoeken ze of moderne mensen in de snelle en uiterlijke wereld nog wel hun intuïtie trainen. Het meest ingrijpend vind ik niet de alarmerende uitspraken van wetenschappers die waarschuwen voor nog meer burn-outs en opgebrande zielen, maar het verhaal van een tienjarig Engels jongetje dat sinds een tijdje meditatieles op school krijgt. Vòòr die lessen, vertelt zijn juf, was hij vrij agressief. Hij speelde zijn oorlogsgames na op het schoolplein bij klasgenootjes die dit niet konden waarderen. Sinds hij mediteert – hij zich op zijn eigen secundaire lichaam focust – kan hij spelen met andere kinderen, en, zo vertelt hij zelf, wordt hij niet meer boos op zijn broer die hem vaak uitdaagt. In het shot daarop zien we de twee aan een tafel met lego spelen, zijn oudere broer zegt iets vervelends, en daar zien we als kijker het resultaat van de meditatie: het jongetje draait even zijn oogballen omhoog uit irritatie en zakt dan voor vijf seconden ergens in een ander lichaam, een dieper lijf, en speelt vervolgens gewoon door.

 

*

 

Je kunt de wereld om je heen niet controleren. Je kunt er alleen in leren meevaren, je eigen bootje zo goed mogelijk leren kennen zodat je de golven herkent en daar op gepaste manier kunt reageren. Bepalen of je überhaupt reageert.

Toch spelen de secundaire lichamen van virtual reality, Instagram en consorten precies op tegenovergestelde in: ze doen lijken dat dingen wél te controleren zijn. Hoe we eruit zien, welke plekken we zien, hoe ons leven verloopt, hoe vaak we gepijpt worden, en vooral: hoe we ons daarbij voelen.

Ik denk dat we maar beter meer kunnen zelfbeminnen. Dan komt er ook eenzaamheid boven, daar valt niet aan te ontkomen, alleen leer je wel dat er een einde aan is. Totdat het weer begint.

 

 

Daan Borrel (1990) studeerde literatuurwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam en is freelancejournaliste. Ze schrijft onder meer voor NRC Handelsblad, De Correspondent en Het Parool over cultuur en seksualiteit. In 2017 stelde ze met huisarts en seksuoloog Peter Leusink de bundel Dit gaat niet over seks samen. In het voorjaar van 2018 verscheen haar persoonlijke essay over verlangen onder de titel 'Soms is liefde dit', dat een intieme blik geeft in het hoofd én de onderbuik van een mens die in alle nuance probeert haar eigen seksualiteit te begrijpen.