Steun hier het nieuwe seizoen van de radiopodcast Kunst is Lang.

Image

‘Ik maak nu wat ik wilde maken toen ik jong was.’ – in gesprek met Lieke Göbbels

09-02-2021 Fenne Saedt

Het idee dat experiment en vernieuwing enkel bij de jonge kunstenaar te vinden is, lijkt in onze hersenen geprogrammeerd. Om die reden duik ik in de praktijk van kunstenaars die juist zo interessant zijn omdat ze meer levenservaring hebben. Kunstenaars die meer zijn dan enkel oud, en nog iedere dag kunst maken, gevoed door al die ontwikkelingen die ze door de jaren ervaren hebben. Makers die door hun levenservaring scherp de huidige tijdsgeest in perspectief kunnen zetten door deze af te zetten tegen andere tijden. Zoals kunstenaar Lieke Göbbels (1948) die sinds een aantal jaren aan huis gebonden is en zich daardoor vierentwintig uur per dag tussen haar kunst begeeft: installaties van poppenhuisservies, een opgezette haas en een lichtgevend huis dat in de lucht zweeft. Werken die ontstaan vanuit herinneringen, fantasie en het dagelijks leven.

 

De vrijheid kunnen nemen om zo ruimtelijk te werken, daar heb ik meer dan veertig jaar over gedaan.

Fenne Saedt (FS): In 1988 schreef NRC het volgende: ‘Voorwerpen uit het dagelijks leven worden letterlijk door Lieke Göbbels in een ander licht gezet en kenmerken zich door een persoonlijk ‘ouderwets’ karakter. Wat is er veranderd de afgelopen 32 jaar?

Lieke Göbbels (LG): ‘Ik maak nu wat ik wilde maken toen ik jong was. Dat is wat er veranderd is. Ik groeide in de jaren ’50 op in het dorp Posterholt in de buurt van Roermond. Daar werd de kunst niet met de paplepel ingegoten. In de boekenkast van mijn ouderlijk huis lag een kunstboek van Leonardo da Vinci en Van Gogh, daar bleef het bij.

Mijn ouders wilden dat mijn broer, zus en ik gingen studeren. Om die reden vonden ze het wonder boven wonder niet kwalijk dat ik voor de academie koos. Ikzelf werd op die plek echter minder gelukkig. Het was er te braaf, ik begreep het niet. Ik was zeventien en leerde er schilderen: bloemetjes en stillevens. Zo klassiek, ik werd er niet goed van. Ik kon dat niet, ik ging door voor talentloos en daarom mocht ik leren weven. Ik kan me herinneren dat ik in die tijd al enorm gefascineerd was door ruimte. Ik maakte een glazenhuis met een zilveren stoeltje erin en noemde het werk ‘Kasteel voor fluitmuziek’. Kun je je iets kwijlerigers voorstellen? De hele klas viel stil, ze begrepen het niet. En ik voelde me zo bevangen. Zo onbegrepen. Ik had iets gedaan wat niet mocht, geloof ik. Het werk was te kwetsbaar en voor kwetsbaarheid zijn mensen bang.

Na de stadsacademie was ik klaar met de beeldende kunst. Ik had verschillende baantjes tot het twee jaar later weer begon te kriebelen. Ik maakte veertig tekeningen en besloot toelating te doen voor de Jan van Eyck academie in Maastricht. Ik werd aangenomen en al snel overdonderd door een installatie van Richard Menken, een medestudent uit een hoger jaar. Ik kan het me nog herinneren als de dag van gisteren. Een installatie van een bed gevuld met stenen. Dat wilde ik ook! Me volledig overgeven aan ruimtelijk werk.

Ik vervolgde echter mijn schilderpraktijk. Ook toen was mijn persoonlijke leven al onderwerp. Zo had ik een hele passieve man, die schilderde ik bijvoorbeeld al liggend met een sigaretje in een ruimte met daarnaast een rechtopstaand vrouwenfiguur. Ik bedenk me nu dat het er toen al inzat dat ik ooit installaties zou gaan maken, want ik schilderde altijd ruimtes. Met lijnen gaf ik de ruimte aan waarin mijn onderwerp zich bevond. In de kamer waar ik woonde spande ik letterlijk draden om dat ruimtelijke fysiek te maken. Dat waren al dingen die met een installatie te maken hadden, maar ik kon dat nog geen vorm geven buiten het platte doek. De vrijheid kunnen nemen om zo ruimtelijk te werken, daar heb ik meer dan veertig jaar over gedaan. Voorwerpen uit het dagelijks leven zijn hiervoor nog steeds de voeding, de vorm waarin ik dit gebruik is echter drastisch veranderd.’ 

Lieke Göbbels - Covid bioscoop, foto: Hans Vos
Lieke Göbbels - Covid bioscoop, foto: Hans Vos

 

FS: Wat is er met je schilderwerk gebeurd?
LG: ‘Ik kreeg een nieuw atelier en besloot alle werken van voor mijn stap naar ruimtelijkheid te vernietigen. Mijn schilderwerk is naar de stort gegaan. Er was plek nodig voor een nieuwe praktijk: installaties. Vanaf het moment dat ik die installatie van mijn studiegenoot zag heb ik überhaupt nooit meer in volle vrijheid kunnen schilderen. Sterker nog, vandaag de dag begrijp ik helemaal niet meer wat schilderen is.

Er zijn drie dingen voor mij belangrijk: poëtisch gevoel, integriteit en materiaalgevoeligheid. Dat kan ik in deze kunstvorm kwijt. Ik ben een emotioneel mens, dat theatrale wezen uit zich ook in mijn werk. Ik voel nu eindelijk dat ik alsnog mijn medium gevonden heb. Die eer ligt niet enkel bij Richard Menken hoor, maar ook bij de Duitse kunstenaar Blinky Palermo die notabene schilder is. Door naar zijn werk te kijken heb ik eigenlijk alles ontdekt wat je nodig hebt om iets moois te maken. Laten we hopen dat ik soms iets moois maak.’ 

Lieke Göbbels - Sissi, foto: Hans Vos
Lieke Göbbels - Sissi, foto: Hans Vos

 

FS: In 2005 maakte je de installatie ‘Home sweet home’. Het werk is ontstaan vanuit verschillende jeugdherinneringen, door jou aan elkaar verbonden: een garagebedrijf met autobussen, mijnwerkers en het dienstmeisje. Is het alledaagse leven altijd al de voeding van je werk geweest?

LG: ‘Het is een combinatie tussen herinneringen, het nu en de fantasieën die zich in mijn gedachten voordoen. Onlangs maakte ik een installatie getiteld ‘Diner a deux’. Het zijn twee polaroids van portretten van mijn vader en moeder die aan elkaar verbonden worden door een lint van poppenservies. Ze zweven in de lucht. Ik vind het mooi dat ik eindelijk iets voor hen heb kunnen maken, een beeld van mijn ouders die samen in de hemel dineren. Het is een vertaling van het schilderij van Sigmar Polke, ‘Höhere wesen befahlen: rechte obere ecke schwarz malen!

Soms ontstaat een werk ook vanuit een herinnering. Als kind kregen mijn zusje en ik allebei een beer cadeau. In de jaren ‘50 kwamen priesters in ons dorp met vrachtwagens spullen verzamelen voor de arme kinderen in Polen. Mijn moeder wist dat verhaal goed te brengen, ik gaf mijn beer af voor een kind dat het minder had dan ik. Mijn zusje deed dat niet, die heeft die beer nog altijd. Afgelopen zomer kreeg ik op een middag enorme ruzie met mijn zus. Gedurende onze onenigheid zag ik in een flits van een seconde de jeugdherinnering van de beer voor me. Ik had al een plan met beren waarvoor iemand tientallen beren voor me verzameld had, maar wat ik er mee zou maken, daar kwam ik niet uit. Opeens dacht ik: het moet een berenbal worden. Die beer die vertegenwoordigt heel veel, daar is op gesabbeld, geknuffeld, gegooid. Moeders hebben ze schoongewassen. Ze hebben van alles meegemaakt. Het is een alledaags voorwerp dat iedereen kent en eigen herinneringen aan beleefd.’

Mijn beelden hebben misschien iets droomachtigs maar de ideeën ontstaan wanneer ik klaarwakker ben.

Lieke Göbbels - Mij, projectie van schapen door Jan Wieger van den Berg, foto installatie Hans Vos
Lieke Göbbels - Mij, projectie van schapen door Jan Wieger van den Berg, foto installatie Hans Vos

 

FS: Je installaties vormen zich door een combinatie van ‘gevonden’ objecten (honderd neppe koolmeesjes, tientallen miniatuurstoelen of een beschuit), objecten die je in opdracht laat maken zoals een beer van suiker en je polaroidfoto’s of de sculpturen die je maakt van bijvoorbeeld bijenwas. Samen vertellen ze de verhalen die in je hoofd zijn ontstaan. Waar vind je deze materialen?

LG: ‘Hele dagen google ik het net af naar de materialen die zich in mijn verbeelding hebben genesteld. Zo vind ik poppenservies op marktplaats of bestel ik een glanzende, donkerblauwe helium ballon op feestwinkel.nl. Het leukste aan deze zoektochten is toch wel het menselijk contact. Zo belandde ik laatst bij een preparateur die op internet liet weten dat hij nog een opgezette haas in zijn achtertuin had staan. Daar heb ik direct beslag op gelegd. Ik bel dan wat rond en regel dat er iemand met me mee gaat richting Aalten. Die hazen in mijn installaties houden de wacht, het was het eerste knuffeldier van mijn dochter.

Een voorbeeld van iets dat ik écht graag wou laten maken en er daadwerkelijk kwam is een beer van suiker. Ik wilde een film maken van mij in mijn rolstoel met een beer die ik eindeloos aai. De installatie moest bestaan uit een bioscoop vol beren die naar die film kijken. Dat was het toch niet. Ineens wist ik het: het moest een beer van suiker zijn die de film bekijkt. Twee dagen lang heb ik gebeld, op zoek naar een patissier die een suikerbeer kon maken. Die vond ik uiteindelijk in Gennep, heb je half Nederland afgebeld en dan blijkt een banketbakker om de hoek je gewoon te kunnen helpen. Drie maanden later spraken we af om de beer op te halen. Hij was zo mooi hoe hij daar zat. Hij heeft een karkas van chocolade en daarover ligt de suikerlaag. Het leek me het enige ware idee. Zoiets popt dan in mijn hoofd op en dan moet het er komen. Ik ben dan niet te stuiten, verschrikkelijk. Mijn beelden hebben misschien iets droomachtigs maar de ideeën ontstaan wanneer ik klaarwakker ben. Toen ik jong was waren het droombeelden - nu zijn het droombeelden, die met het leven verbonden zijn – letterlijk.’ 

Lieke Göbbels - planet.nl, foto: Hans Vos
Lieke Göbbels - planet.nl, foto: Hans Vos

 

FS: De afgelopen twaalf jaar ben je aan huis gebonden. Je studio is je huis en je huis is je studio. Wat maakt iemand die nooit haar kunstpraktijk kan verlaten? Neem je ook weleens een dag vrij?

LG: ‘Mijn dag begint iedere ochtend om half zes. Ik sta dan op met een rustig ontbijt en val dan even in een gat. Meestal zet ik mooie muziek op, van mijn grote favoriet David Byrne bijvoorbeeld. Dan begin ik iets te verzetten of te verleggen of maak ik nog eens een ronde door het huis. Vaak ga ik dan met Google aan de slag of maak ik polaroidfoto’s van situaties in mijn huis die ik vervolgens bewerk. In de middag kijk ik soms naar een foute Duitse soap.

Een dag vrij, dat zit er niet in. Ik kan niet anders. Ik ben eraan gewend dat ik er niet meer zelfstandig op uit kan. Dat niet meer kunnen lopen bepaalt ergens wat ik wel of niet kan maken, maar ook dat is inmiddels ‘gewoon’. Soms heb ik geen materiaal meer in huis, uit hoge nood heb ik zelfs wel eens een beschuit bewerkt. Het is natuurlijk goed shit als zoiets je overkomt, ziek worden of het verzwakken van het lichaam, maar de dood van mijn kind, dat is het enige dat me echt veranderd heeft.

Wonen te midden van je werk heeft trouwens ook zo zijn voordelen. Ik ben een ijdeltuit en heb nu wel tien spiegels om me heen. Als ik vroeger geweten had dat ik zo zou moeten leven dan had ik dat vreselijk gevonden. Maar ik voel me nu vrijer dan ooit. Wanneer ik iets helemaal zat ben en er niet meer naar kan kijken, dan zet ik het gewoon in de tuin. Of in een vuilniszak. Soms duurt het wel een jaar voordat ik weet hoe ik een bepaald onderdeel in moet zetten.’

‘Als ik de kunst niet had gehad, was mijn leven heel erg arm.

FS: Met het verliezen van je dochter Martha in 2002 kende je praktijk een onontkoombare omslag. Het verhaal van Lieke en Martha werd de voeding van je praktijk, je maakte een ode aan je dochter. De installaties vaak donker en vol verdriet waarin droom realiteit en realiteit droom lijkt te worden. Onlangs toonde je bij Singular Art Gallery in Nijmegen een installatie bestaande uit 150 bewerkte polaroids van situaties in je huis. Vandaag de dag lijkt je werk lichter, ging de kunst als medicijn fungeren?

LG: ‘Als ik de kunst niet had gehad, was mijn leven heel erg arm. Ik wil niet zeggen dat ik een geluksvogel ben, ik ben aan huis gebonden en heb veel pech in het leven gehad. Maar de kunst, wát fantastisch dat ik dat mag doen.

Het verlies van Martha, dat is het meest verschrikkelijke wat ik in mijn leven meegemaakt heb. Ik had nooit gedacht dat ik zon fantastisch kind zou krijgen. ‘s Nachts lig ik nog altijd ruzie met haar te maken in mijn dromen, en dan is ze al bijna twintig jaar dood. Misschien zette haar verlies mij wel aan om nog meer mezelf te zijn, ik kon niet meer iemand anders zijn dan wie ik was. Ik wilde een werk maken waarin ik haar in alle schoonheid liet zien. Dat werd een installatie van een enorme babyfoto met daarop een film van lammetjes geprojecteerd. Op de grond lagen tachtig poppenserviesjes als een loper naar de projectie. Het is allemaal vreselijk afgelopen maar ik heb het ontzettend goed met haar gehad. Ik kon niet anders dan zulke kunst maken. Je wordt zo bepaald door dat verdriet, de rouw en het missen. Tegelijkertijd verwerk je het daarmee, de rouw is nu weg. Het klinkt kwijlerig maar onlangs ging er weer een levend hartje kloppen, ik denk dat ik me weer met het leven bezig houd.’ 

Lieke Göbbels - Hangend in de wind, foto: Hans Vos
Lieke Göbbels - Hangend in de wind, foto: Hans Vos

 

FS: De titels van je kunstwerken zijn altijd heel poëtisch, als dichtregels. Zoals ‘op de thee bij mijzelf’ of ‘juweel voor 100.000 dwergen’. Sinds 2015 schrijf je korte, vluchtige Facebookgedichten: teksten vanuit het perspectief van een eenjarige. Schuilt er ook een dichter in Lieke Göbbels?

LG: ‘Toen ik in 2015 op Facebook terechtkwam bedacht ik me dat deze digitale aanwezigheid een structuur in mijn dag zou kunnen worden. Iedere ochtend zou beginnen met mijn ontbijt en het schrijven van een klein stukje tekst. Tekst over een eenjarige die de meest wilde avonturen beleeft met haas vos en beer. Soms was ik om 05:00u al aan het schrijven.

Kunstenaar Ronald de Ceuster likede die verhaaltjes op Facebook altijd en liet me weten dat hij vond dat ik er iets mee moest doen. Niet veel later heeft hij een hele theatervoorstelling in elkaar gezet van die teksten. Dat schrijven is iets wat ik altijd heb gedaan. De materialen die ik gebruik zijn vaak ook de beeldtaal voor mijn teksten. Zo werkte ik een tijd met watten die in mijn verhalen een wolkendeken visualiseerden. Het schrijven staat in die zin direct in contact met mijn installaties.’

FS: We begeven ons te midden van je installaties. Aan het plafond hangt een lichtgevend huis. Op de grond liggen in een spiraal geplaatste mini-kopjes, een opgezette haas en sculpturen gemaakt van was. Daartussen knippert een licht en klinkt het geluid van het kloppend hart van een ongeboren kind. Met wie maak je deze werken?

LG: ‘Ik ben de enige kunstenaar in Nijmegen met wel vijf assistenten. Dat moet ik wel, vanwege mijn lichamelijke gesteldheid. Het zijn bevriende kunstenaars zoals Gerard Koek en Jan-Wieger van den Berg. De beelden van mijn installaties ontstaan als een helder plan in mijn hoofd. Ik heb dan een idee dat ik wil uitvoeren en zij komen opdraven om het voor me uit te voeren.

Een van mijn assistenten is niet eens kunstenaar, dat is een technicus die natuurkunde heeft gestudeerd. Ik ontmoette hem in mijn vroegere jaren op een feestje bij een bevriende natuurkundige. Die man kan álles maken. Zelf ben ik vrij lui. Vaak denk ik: zoiets ingewikkelds, dat doe ik niet. Deze assistent bedenkt constructies voor me zodat de installaties die ik bedenk kunnen blijven bestaan. Zo wil ik nu bijvoorbeeld dat hij iets verzint zodat ik iets zwevend kan maken. Hij komt hier dan een middag knutselen zoals hij anders altijd saxofoons repareert.

In technisch opzicht hebben ze dus goede tips maar ik degradeer ze toch echt tot assistent. Dat is soms werkelijk waar verschrikkelijk, want Gerard Koek vind ik bijvoorbeeld een veel betere kunstenaar dan ik zelf ben.'

FS: Moet je ook wel eens streng voor ze zijn?

LG: ‘In principe niet. Het is geen samenwerking. Een enkele keer komt het voor dat ze niet doen wat ik wil. Zo staat er al enige tijd een installatie van een herdershond met een Chinese babypop die niet van echt te onderscheiden is in de hoek van mijn slaapkamer. Naast dit tafereel staat een vlag die ik heb gemaakt van een luier. Dat beeld wil ik graag vastleggen om als achtergrond voor een nieuwe installatie te kunnen gebruiken, maar ik krijg tot dusver niemand zo gek om het te fotograferen. Hans Vos die me altijd helpt met het vastleggen van mijn werk antwoordde op mijn verzoek: ‘dat doe ik niet, het is zo anders dan je andere werk’. Toch krijg ik het beeld van mij in mijn rolstoel, voor die geprojecteerde achtergrond terwijl ik de teksten die ik schreef eruit ram, niet uit mijn hoofd.’

FS: Deze rubriek is in het leven geroepen om te ontrafelen wat het ‘jonge’ in de kunst omvat. Wat kenmerkt volgens jou een ‘jonge’ kunstenaar?

LG: ‘Mijn huisarts vroeg laatst hoe oud ik wilde worden. Vijfenzeventig antwoordde ik toen. Een aantal dagen later bedacht ik mij: nee, ik wil toch zevenenzeventig worden. Nog drie jaar leven, dat is me veel te kort. Ik ben nu pas bezig met wat ik daadwerkelijk wil, op mijn manier. Daardoor voel ik me jonger dan ooit.

Als ik met de kennis van nu een jongere versie van mezelf advies zou mogen geven en het leven over zou kunnen doen, dan zou ik mezelf meegeven altijd ‘het hekje open te zetten’. Die woorden hoorde ik onlangs in een lezing van filosoof Maxim Februari over ‘slechte kunst’. Dat ging over de dingen die je bezig kunnen houden en de vreselijke digitale wereld waar we ons toe moeten verhouden waarin hij eindigde met: ‘mensen, zet het tuinhek open’. Dat is toch wel mijn credo vandaag de dag: de deur openen voor totale zelfacceptatie en om nieuwe dingen op je in te nemen, in ontwikkeling te blijven. Het heeft lang geduurd maar uiteindelijk doe ik nu wat ik wil, dat houdt volgens mij een kunstenaar jong.’

Ook adverteren op mistermotley.nl? Stuur dan een mail naar maurits@mistermotley.nl