Steun hier het nieuwe seizoen van de radiopodcast Kunst is Lang.

Image

De laatste pudding - op atelierbezoek bij Arnout van Albada

17-11-2020 Lieke van den Krommenacker

Lieke van den Krommenacker bezocht het Groningse atelier van Arnout van Albada, de man die frambozentaartjes, Ibericohammen en gezouten boter schildert op paneel. Én puddingen. Symmetrische, levensechte drilpuddingen in al hun onschuldige, tere zoetheid. 

 

I

We zaten bij elkaar in de auto, op weg naar de première van een theaterstuk in Oost-Groningen waar we allebei bij betrokken waren. De reis duurde tamelijk lang, wat ons alle tijd gaf om het leven en de liefde te bespreken. Zij woonde, net als ik, samen met een zzp’er. En ook hij bewoog zich, net als wij allemaal, in de wereld die zichzelf voortdurend moet bewijzen in termen van nut en noodzaak maar juist in de afwezigheid daarvan zo vaak haar waarde betuigt: het terrein van kunst en cultuur.

Wat hij dan precies deed, vroeg ik.

‘Hij schildert.’
‘Oh, wat leuk. Wat maakt hij?’
‘Puddingen.’

‘Puddingen,’ echode ik enigszins beduusd. Alsof het niet waar kon zijn, alsof het te mooi was om waar te zijn, alsof wat hij schilderde bij nader inzien wel iets moest zijn binnen de gangbare grenzen van mijn voorstellingsvermogen. Niet te veel doorvragen, schoot het nog door me heen, dit verhaal is te mooi om te verliezen aan de realiteit.

‘Als in: eetbare puddingen?’
‘Ja, van die drilpuddingen. Zoals die van de Mona, weet je wel?’

In de manier waarop ze haar ogen onbewogen op de weg gericht hield, las ik het verontrustende bewijs dat alles went. Zelfs de schoonheid van het samenleven met een puddingschilder, die ook weleens taarten bleek te schilderen. Zelfgebakken banket dat hij, al dan niet met soms een hap eruit, meenam naar zijn atelier, zo’n vijftig meter schuin oversteken vanaf hun huis. Zo lang de helft maar intact bleef, viel het zijaanzicht, net als bij een pudding, nog prima vast te leggen.

Alleen was hij intussen wel zo’n beetje door de variaties aan puddingen heen, zei ze. Daarom werkte hij momenteel aan zijn laatste. Een blauwe dit keer, in opdracht van een jong Amerikaans koppel dat zich door een kunstadviseur op het hart had laten drukken naast een Andy Warhol ook een Arnout van Albada in huis te halen.

Ik dacht aan een van mijn eerste colleges journalistiek waarin de docent vertelde over de keer dat hij Andy Warhol had mogen interviewen. Tevergeefs had hij gebroed op een niet-uitgemolken openingsvraag. Tot Warhol de deur opende op rolschaatsen en met groen haar, en dat bracht het gesprek vanzelf op gang.

En hier zat ik, in een auto in Oost-Groningen, een handdruk verwijderd van deze Warhol van het noorden en zijn last pudding

Arnout van Albada - Komet Blueberry, 2019.
Arnout van Albada - Komet Blueberry, 2019.

 

II

Arnout van Albada ontvangt me niet op rolschaatsen, wel hangen er twee grote Ibericohammen doodstil aan een touw dat is vastgespijkerd aan de vide in zijn Groningse atelier, de onderste helften verpakt in bakpapier. ‘Ze hangen er al jaren’, zegt hij geruststellend, ‘maar deze zomer begonnen ze te lekken.’

De schilder is op zijn noordelijks in zijn nopjes. De postbode heeft zojuist een pakket bezorgd. Het zijn de kersen op zijn taart, zo blijkt als hij twee potjes ouderwets aandoende kersen in chemisch rood en groen uit de kartonnen doos haalt. Besteld bij een toko in Almere.

‘Mijn taart dreigt wat saai te worden, dus er moest iets bovenop’, verklaart hij. Na nogal lang door toefjes slagroom te hebben gescrold op internet, koos Van Albada voor deze minder ingrijpende oplossing. Hij is op zijn hoede voor te veel tierelantijntjes.

Arnout van Albada is een perfectionist. Het is de reden dat hij schilderijen die nog niet klaar zijn op de kop zet. Zo kan hij er makkelijker langs lopen zonder steeds dingen te zien die er nog aan moeten gebeuren. Hij kijkt met een haviksoog. Een aangesneden stuk brie op een plankje op een wit tafellaken: precies goed. Hetzelfde stuk brie op een toastje op een plankje op een wit tafellaken? Nee. Te frivool, te uitleggerig. Of, te illustratief, zoals dat vroeger heette.

Van Albada’s stillevens van olieverf zijn smaakvol en zintuiglijk, zijn composities strak en stevig. Hij houdt van symmetrie, vereenvoudiging en verfijning. Van de vroege Italiaanse renaissance en zeventiende-eeuwse stillevens, maar ook van het naoorlogs Nederlands realisme en cartoons vol zelfspot, van het Amerikaans realisme en Pop Art.

De extreem gedetailleerde mokkaschnitt, frambozentaart en instant Jell-O puddingen, maar ook de Parmigiano, scheermessen en rabarber die Van Albada tweedimensionaal en tegen contrasterende pasteltinten tot leven wekt zijn onalledaagse afbeeldingen van alledaagse consumptiegoederen. Veelal eten, of verpakkingen daarvan. Je kunt het witte schimmellaagje op de droge worst haast voelen, de zilte haring ruiken, de dril in de pudding ontwaren. Ik moet de neiging onderdrukken met mijn hand over de geraffineerd geschilderde vouwen van het gladgestreken laken onder het bordje van de laatste pudding te strijken.

De blauwe toet met egaal zalmroze achtergrond staat tussentijds te drogen op een plankje aan de muur. Links ernaast de taart in wording, een vanillecake met een mierzoete witte glazuurlaag. Het wat schuin gezakte modelexemplaar rust ertegenover op een taartplateau op een hoog tafelblad in de hoek van zijn atelier. Het schilderij is bedoeld voor een thema-expositie (thema: taart) ter ere van de tiende verjaardag van ‘galerie with tsjalling’ in de stad. De zwembadblauwe pudding vertrekt over niet al te lange tijd voor de reis overzee, naar New York. Als het goed is dan.

De puddingen maken hem soms nerveus, bekent Van Albada. Meer dan een taart doet. Omdat een taart geen onderdeel is van een serie waar ze naadloos in moet passen. Daarbij moet bij de laatste pudding het blauw in één keer goed. ‘Zo doorschijnend en dun is deze kleur’, zegt Van Albada.

Sinds zijn eerste pudding in 2013 – een frambozenpudding van Saroma waarvan het origineel gekrompen, keihard en verkleurd op een vitrinekast staat – schilderde hij er zo’n tien. Van geen enkel ander voorwerp maakte hij zo veel schilderijen.

De vraag voelt even onnozel als essentieel: waarom puddingen? Tja. Waarom landschappen? Waarom dieren? Waarom mensen? Het antwoord is bedrieglijk eenvoudig. ‘Ik houd van eten’, zegt Van Albada. ‘Maar meestal heb ik wel iets meer binding met de smaak dan bij een pudding.’

Bij de puddingen zijn het de kleurstudies die hem bekoren. En hun vorm, hun textuur. ‘Een pudding is bijna een klein gebouwtje’, vindt Van Albada. Hij werpt een blik op de blauwe pudding, die bijna licht geeft dankzij zijn kraakwitte onderlaag van eitempera die bevreemdend door het blauw heen schijnt. Hij lacht. ‘Oké, in dit geval meer een ufo misschien.’

Eigenlijk legt hij de vergankelijkheid vast, zegt Van Albada. Zijn schilderijen zijn momentopnames van het voorbijgaan. En bij een pudding moet hij snel zijn; ze worden snel lelijk. Van Albada: ‘Als ze een middagje staan, zijn de contouren al niet meer scherp. Ze vervagen, worden dof.’

Om ze iets van hun levenslust terug te geven, troont Van Albada de puddingen ’s avonds mee naar huis, waar hij ze smelt in de magnetron en geduldig weer terug in vorm duwt. Het is liefdevol uitgestelde eindigheid, met een maakbaar randje. 

Arnout van Albada - Frambozenpudding, 2013.
Arnout van Albada - Frambozenpudding, 2013.

 

III

Zijn telefoon piept. En nog eens. En nog eens. WhatsApp. Het is zijn vaste galeriehouder van galerie Mokum in Amsterdam, weet Van Albada zonder te kijken. ‘Hij appt altijd van die losse zinnetjes snel achter elkaar.’

Sinds begin jaren zestig geldt Mokum als toonaangevende galerie voor figuratieve kunst. Van eind mei tot eind juni dit jaar was er nog een tentoonstelling van Van Albada te zien. De galeriehouder wil graag wat foto’s van het blauwe wonder in wording. De toekomstige eigenaren zijn nieuwsgierig en zitten hem achter de broek.

Met de gezonde weerstand van een kunstenaar die zijn werk nog niet heeft vervolmaakt en zo goed en kwaad als het gaat, in het namiddaglicht dat de schemer alvast aankondigt, probeert Van Albada het kunstwerk te fotograferen.

‘Ik ben een uitsteller’, zegt hij schuldbewust. Van Albada talmt niet uit luiigheid, maar uit aarzeling over een volgende stap. Of omdat de ingang van zijn schilderij even zoek is. Alsof hij de deur van zijn huis niet meer kan vinden. Het gebeurt soms en het kan uren of dagen duren, dat verdwaalde gevoel. Heeft hij de deur weer gevonden, dan gaat het vanzelf. Gemiddeld werkt hij zo’n vier weken aan een pudding, zes inclusief uitstelgedrag. Deze laatste laat, mede door corona en de zomer, al wat langer op zich wachten. ‘Op deze doe ik misschien wel nog meer mijn best dan anders, merk ik.’

En dat voor een pudding die nooit de bedoeling was.

Of hij nog één pudding wilde maken, vroeg zijn galeriehouder hem begin dit jaar, op verzoek van de Amerikaanse kunstverzamelaars. Nou, nee, luidde Van Albada’s antwoord. ‘Maar, wat hadden ze in gedachten dan?’

Blauw dus. Smurfenblauw. Van Albada: ‘Verdomme, dacht ik. Blauw… Zo’n kleur die zo verre van eetbaar is. De enige kleur die ik al die tijd had overgeslagen. Ik dacht: ik doe het.’ 

Arnout van Albada, bezig aan de laatste pudding.
Arnout van Albada, bezig aan de laatste pudding.

 

IV

Thuis blader ik door de catalogus Á Point van een expositie in het Drents Museum (2017) die Van Albada me heeft meegegeven. Mijn oog valt op een stuk tekst in het midden van het boek: In gesprek met Arnout van Albada – door Arnout van Albada.

Ik schiet in de lach en blijf hangen bij een passage over de betekenis van kunst en de tijdelijkheid van alles om ons heen. Voor al wat leeft is het toch eten of gegeten worden, stelt Van Albada vast.

‘Ik zie het maken van kunst toch een beetje als een onbeholpen poging van de mens om zich daarmee te verenigen. Voor mijn gevoel is er dan ook geen wezenlijk verschil tussen een schilderij van een man die aan het kruis is genageld of een stilleven van een ham aan een touw. Alle diepere betekenis en symboliek ten spijt; ik wil gewoon een goed schilderij maken. En dan kies ik voor de ham.’

Wanneer is een schilderij een goed schilderij, vroeg ik hem vlak voor ik de deur uitstapte. ‘Dat is moeilijk’, zei hij. ‘Ik weet niet precies wat ik nastreef, maar wel wanneer het niet goed genoeg is. Ik schuur steeds aan tegen wat het moet zijn.’

Dat is het leven, denk ik. Je schuurt aan tegen wat het moet zijn, en voor je het weet is het voorbij. Dit bij benadering te kunnen vastleggen, als het even kan in een fonkelende drilpudding: meer kan de kunstenaar niet doen. 

Arnout van Albada - Jell-O Lemon, 2013.
Arnout van Albada - Jell-O Lemon, 2013.

 

ARNOUT VAN ALBADA

Van Albada werd in 1968 in Groningen geboren als zoon van een sterrenkundige en een moeder die zich bewoog in de onderwijswereld. Van hen erfde hij zijn kritische blik en liefde voor eten. Tot zijn tweede groeide hij op in New York. Vroeger wilde hij chirurg worden, maar hij wendde zijn precisie aan voor de schilderkunst. In 1993 voltooide hij Academie Minerva in Groningen, waar hij viel voor de olieverf. Hij schildert wat hij mooi, lelijk of aantrekkelijk vindt. Van Albada woont samen met zijn vrouw en hun twee dochters. Exposities van zijn werk zijn te zien in binnen- en buitenland.

Ook adverteren op mistermotley.nl? Stuur dan een mail naar maurits@mistermotley.nl