Mister Motley heeft een boek gemaakt. Koop hier 'Dit is een vertaling'.

Image

'Ik geloof niet dat je in je eentje een instituut kan veranderen’ – in gesprek met Amal Alhaag

07-07-2020 Rita Ouédraogo

Lang niet iedereen heeft in gelijke mate toegang tot de kunst die in ons land wordt tentoongesteld. Mister Motley stelde een jaar geleden aan mij de vraag: Hoe kunnen wij omgaan met inclusiviteit en een meer dekoloniale werkwijze toepassen? Hoe keek ik daarnaar? Mijn antwoord hierop was ‘het doen van iets structureels’ en een belangrijke vraag daarbij is: voor wie wil je inclusief zijn, oftewel, wie is je publiek? Als ik dat ben, wat zou ik dan willen lezen? Wie zijn mensen die mij inspireren en mij helpen nadenken over hoe je je plek kan vinden in de kunstwereld. Wie maken unapologetic werk, houden hun hoofd boven water en kunnen toch samenwerken met instituten die vaak bureaucratisch, log en wit zijn. Daarom heb ik besloten een interviewserie samen met Mister Motley te starten waarin we op intersectionele wijze onderzoeken hoe toegankelijk de Nederlandse kunstwereld is, voor zowel kunstenaar, student, professional als bezoeker.

Ik start de interviewreeks met Amal Alhaag. Een inspirerende onafhankelijke curator, schrijver, cultureel programmamaker, moderator, één van de oprichters van Metro54[1] en ook is zij één van de curatoren van Sonsbeek 20->24. Een culturele duizendpoot. Amal loopt al geruime tijd mee in het cultureel landschap en heeft al doende manieren gevonden het werk te maken en te doen dat haar inspireert zonder concessies te doen. Hoe doet zij dit? Wat zijn haar strategieën en hoe zorgt zij voor zelfbehoud in de samenwerking met instituten? In een openhartig gesprek bespraken wij haar werk, ervaringen en methodes.
 

Rita Ouédraogo: “Wat zijn voor jou manieren of strategieën waardoor je toch met bepaalde instituten kan en wil werken? De Biënnale in Venetië[2], een van de grootste en meest prestigieuze instituten binnen de kunstwereld is hier een goed voorbeeld van. Hoe ga jij hier mee om?”
Amal Alhaag : “Je kunt daar niet blue aankomen zonder een strategie. Mijn project voor het Rietveld Paviljoen is gevormd door levenservaring, referentiemateriaal en politieke principes. Het is meer een combinatie van levenservaring, wat je hebt gelezen en je politieke houding of perspectief en in hoeverre je bereid bent daar ook acties aan te koppelen. Ik denk dat ik sommige harde situaties heb moeten ervaren met instituten om te leren wat mijn grenzen zijn in deze samenwerkingen. Ik denk veel na over wat het betekent om methodologie te ontwikkelen waarbij je voorbij het auteurschap van één persoon gaat? Voorbij jezelf als de autoriteit. Als je een dekoloniale praktijk wil ontwikkelen moet je ook afscheid nemen van de hiërarchie tussen curator en kunstenaar, instituut en publiek en van hoe deze samenwerkingen worden gevormd. Het werk van Bell Hooks en het denken van Ngugi Wa Thiong’o zijn hierin belangrijk. 
Voor mijn bijdrage aan Work, Body, Leisure[3] was het belangrijk om met het principe van paying forward te werken. Ik werd als een individu uitgenodigd, maar ik heb een project voorgesteld waarin verschillende kunstenaars, activisten en onderzoekers een rol spelen. Mensen die mij hebben geïnspireerd, mensen met wie ik graag samenwerk maar ook bevriende kunstenaars, activisten en organisatoren waarmee ik soms meer dan tien jaar in gesprek ben geweest. Het was niet mijn doel om daar in mijn eentje te staan en ik wilde graag de fee delen met deze mensen. 
In Venetië presenteerde ik een speculatief onderzoeksproject waarin technologie, architectuur en slavernij elkaar ontmoeten. Een speculatief project over drie van de veertig forten waar de ontvoerde Afrikanen vanaf de Westkust van Afrika werden vervoerd. Ik heb het fort bestudeerd als locatie voor het commodificieren van het Zwarte lichaam tot niet menselijk eigendom. Een fort kan gezien worden als een technologie, als een systeem waar het concept van arbeid werd herzien. Denk aan het fort als architectonische ruimte waar slavernij en kolonialisme als technologieën het idee van arbeid herdefiniëren. De Zwarte mens als arbeidsproduct en het overleven van Zwarte mensen als sci-fi. Het systeem van slavernij en kolonialisme was ten slotte niet gemaakt voor Zwarte mensen om te kunnen overleven. Vanwege de historische lading was het geen onderzoeksproject dat ik in mijn eentje kon doen. De ideeën en de meerstemmigheid, dat het wordt gedragen door meerdere posities en mensen is essentieel om tot een speculatief idee te komen. In het verlengde van dit project stelden wij ook de vraag in hoeverre instituten gebouwd zijn om Zwarte mensen en mensen van kleur hun verhaal te horen en in gesprek te gaan over hun ervaringen en het idee van archieven en belichaamde archieven? In hoeverre kan je gemeenschappen meenemen? In hoeverre maak jij deel uit van een gemeenschap en kan je faciliteren in instituten? 

Veel van mijn strategieën in relatie tot instituten komen voort uit deze vragen, maar staan nooit op zichzelf. Het werk is gevoed en gestuurd door ervaringen van de afgelopen twintig jaar en institutionele beloftes die niet werden waar gemaakt. Het veranderen van instituten vereiste bijna dat je jezelf een burn-out in werkte, mensen werden tegen elkaar uitgespeeld en toch ontstaat er hier en daar ruimte. Ik kon op een jonge leeftijd grote programma’s maken doordat er nieuwe cultuurhuizen zoals de Tolhuistuin werden opgezet.”

Als je een dekoloniale praktijk wil ontwikkelen moet je ook afscheid nemen van de hiërarchie tussen curator en kunstenaar

RO: “Is dat nu anders dan toen, tien, vijftien jaar geleden?”
AA: “Ik vraag het me af, nu worden mensen van kleur vaak als tokens gevraagd, maar dat was tien jaar geleden ook al zo. De Rik van der Ploeg era (1998-2002red.), mensen werden binnen gehaald omdat culturele diversiteit op de agenda stond. Maar zodra dat weer van de agenda af was, waren mensen niet welkom of werd een tekortkoming aan kwaliteit tegen hen gebruikt waardoor allerlei mensen werden buitengesloten. Ik denk dat dat nu deels veranderd is omdat er bij de overheid, bij het ministerie of de Raad van Cultuur, en bij de fondsen een soort bewustzijn is ontstaan doordat zij bevraagt en bekritiseerd zijn.  Er is een wissel van de wacht. Maar wat kan je doen als je in je eentje ergens binnenkomt? Ik geloof niet in tokenism, ik geloof niet dat je in je eentje een instituut kan veranderen. Dat is gewoon een onmenselijke doelstelling.”

RO: “Buiten dat je in je eentje niet een instituut kan veranderen ben je ook set up to fail. Je krijgt te veel verantwoordelijk en tegelijkertijd te weinig ruimte. 
Dus ook wanneer jij besluit een uitnodiging aan te nemen zoals die van de Biënnale in Venetië, kijk je naar hoe je dit op jouw manier kan doen zodat het niet alleen dragelijk, maar ook interessant is, gang-gang? Je komt niet alleen?”

AA: “Ja zeker, ik kom niet alleen, ik kom samen met een crew. Ik maak daar grapjes over met studenten, maar een crew is een essentieel onderdeel van een dekoloniale strategie. Als ik alleen ergens kom dan ben ik er tijdelijk. Mijn ogen zijn gefixeerd op de uitgang. Als ik weet dat het over een langer project gaat, zorg ik er voor dat meerdere mensen deelgenoot kunnen worden van het project. Het werkt verrijkend. Je wilt ook geen token of tool zijn en als speelbal voor allerlei doeleinden gebruikt worden. Het gevaar is dat er dan White guilt verpakt in een of andere gekke agenda is waarbij ‘de toekomst veilig stellen van het eigen instituut’ voorop staat en niet een mogelijke herziening voor wie en wat het instituut is. Daarom vind ik ook het idee, dat leeft binnen bepaalde activistische groepen, om je eigen ego als eerste uit te schakelen, het beste advies dat mensen kunnen krijgen. Je eigen ego is altijd je grootste blindspot. Je bent niet speciaal. Dat kan je zien als pessimistisch, maar ik denk dat het een gezonde kijkwijze is om te begrijpen hoe de verhoudingen in elkaar steken. Ook het Westerse idee binnen de hedendaagse kunst van single authorship, dat als keursmerk centraal staat, moet worden herzien. Daarnaast is het ook zo dat je waarde vergroot wordt op het moment dat een groot instituut met je wil werken en iets in je werk ziet. Hoe kunnen we buiten deze ‘kwaliteitsmarkeerders’ bewegen?

Als ik weet dat het over een langer project gaat, zorg ik er voor dat meerdere mensen deelgenoot kunnen worden van het project.

RO: “Dus dat is wel waardevol? Het werken met instituten?”
AA: “Ja, werken met instituten kan zeker waardevol zijn. Ik weet dat het voor makers van waarde kan zijn. De geschiedenis van koloniale collecties fascineert me. Je kan die instituten ook zien als een soort ontmoetingsplek van mensen, kunstwerken en concepten maar wellicht kun je dit alleen inzetten als je toegang hebt tot macht of een machtspositie en financiële middelen kan beheren. Niet iedereen kan dat of heeft überhaupt de mogelijkheid om mensen uit te nodigen of een factuur te accorderen. Dit zijn basis, administratieve, boring dingen die essentieel zijn voor het verzetten van dekoloniaal en meerstemmig werk. Toch ben ik van mening dat het meest interessante werk buiten de instituten wordt gemaakt en georganiseerd. Reading groups, online bijeenkomsten, feesten, tentoonstellingen in kapperszaken en avondwinkels het zijn de plekken waar makers en kunstenaars van kleur samen met elkaar denken. Dat zijn de plekken waar concepten worden voorgesteld die een andere wereld verbeelden of centraal stellen waarbij eigen interesses en nieuwsgierigheid leidraad zijn.”

Toch ben ik van mening dat het meest interessante werk buiten de instituten wordt gemaakt en georganiseerd.

RO: “Hoe kan je met een instituut werken zoals bijvoorbeeld het Sandberg of het Tropenmuseum? Hoe kan je daarmee werken zonder te verdrinken? Wat zijn voorwaarden die jij bijvoorbeeld checkt voordat je denkt ‘dit ga ik doen en op deze manier kan het veilig zijn?”
AA: “Rita je weet, ik geloof niet in veiligheid hè (lacht). Ik denk dat veiligheid een illusie is, vooral in een wereld waarin je je constant moet verhouden tot de dominante cultuur en White supremacy. Het werken op het Sandberg instituut wordt gevoed door eigen nieuwsgierigheid en het kijken naar wat ik denk dat een kunstacademie mist, maar het instituut zelf is natuurlijk toxic as hell. Dekoloniaal werken betekent voor mij ook nadenken over hoe je omgaat met personeel, financiële vergoedingen en hoe mensen relaties met elkaar aangaan op de werkvloer. Dat betekent ook het hele kapitalistische systeem en hiërarchieën. De voorwaarde voor mij is bijvoorbeeld bij het Sandberg: ‘het herzien van de economische condities waarbinnen je moet bewegen’. Het zijn precaire condities, wat kan ik doen hierbinnen zonder mijn eigen politieke idealen, ideeën en acties op te offeren? Dat betekent dat de uren die ik daar zou gaan werken geminimaliseerd moesten worden, dat ik geen cijfers ging geven aan studenten en dat ik overeenkomsten altijd wil kunnen herzien. Er zijn heel veel dingen die je binnen zo’n instelling graag wil doen maar niet kunt doen vanwege de precaire condities. Dat moest ik de hard way leren. 

RO: “Bij je huidige werk als curator voor Sonsbeek 21->24 werken jullie ook met een crew. Hoe kwam dit tot stand?
AA: “Curator Bonaventure Soh Bejeng Ndikung heeft ons uitgenodigd. Hij heeft een groep samengesteld. Als iemand die niet houdt van de hele heisa van het biënnale-kunstwereld-circus met ster curatoren, moet ik zeggen dat het met deze groep samengestelde mensen best wel goed klikt. We spreken dezelfde taal. Je hoeft niet aan elkaar uit te leggen wat kolonisatie is en we vullen elkaars referenties aan. 

Het idee van een internationale kunst triënnale wordt in deze samenwerking opnieuw geformuleerd en dat vind ik heel belangrijk. Het is ook interessant om je tot een organisatie zoals Sonsbeek historisch te verhouden. “

RO: “Ja, en wellicht ook wel weer een strategie die heel goed te pas komt bij het werken met prestigieuze instituten. Door Covid19 heeft het werken bij Sonsbeek ook meer een Do It Yourself mentaliteit gekregen. Dat klinkt als een interessante link met jouw praktijk die ook helemaal DIY is begonnen? “
AA: “Ja, maar ook weer niet. Het lastige aan DIY vind ik dat het nog steeds het individu centraal stelt. Als ik denk aan vroeger was het meer Do It Ourselves.”

RO: “Our".
AA: “Ja, ourDat was essentieel. Er was geen social media. Er waren chats en fora. Het klinkt nu alsof ik uit een andere wereld kom (lacht) maar met sommige mensen die ik uit die tijd ken, werk ik nog steeds graag samen. Het zijn mensen voor wie al jaren interdisciplinariteit en meerstemmigheid vanzelfsprekend is.

RO: “Hoe werkte dat dan?” 
AA: “Ja er waren websites, hiphop websites en daarop connecte je dan met elkaar. Sommigen zijn journalisten geworden, andere schrijvers of directeuren van kunstinstellingen. Tegenwoordig zie ik vaak dat jonge mensen, wanneer ze uit hiphop stappen, denigrerend doen naar de cultuur van hiphop. Maar het heeft mij zoveel gebracht als alternatief curriculum, het ontwikkelen van methodologieën, het bouwen van een internationaal netwerk, organisaties en DIO. Maar ook de instelling dat wat een instituut kan, wij ook kunnen. Zelfs beter.

RO: “En als jij werkt met kunstenaars, makers en schrijvers, waar let je dan op?
AA: “Ik ben heel duidelijk in wat er mogelijk is, wat de limieten van het instituut zijn en dat de persoon een hapje krijgt en dus ook niet meer dan dat hapje moet produceren. Wees precies in wat je vraagt, ook in het limiet van wat jij kan faciliteren. Herinner mensen hieraan. Ik wil voorkomen dat het niet in balans is.”

Ik ben heel duidelijk in wat er mogelijk is, wat de limieten van het instituut zijn en dat de persoon een hapje krijgt en dus ook niet meer dan dat hapje moet produceren.

RO: “Dus het is ook jouw verantwoordelijkheid als curator, de kunstenaar te behoeden voor het instituut?”
AA: “Nou het is niet behoeden, want dat kan ook ervaren worden als iets paternalistisch, maar het is eerder de kunstenaar bewust maken van wat de condities zijn waarbinnen ze bewegen.”

RO: “Toen we het programma Body Politics in het Tropenmuseum organiseerden, had jij de Londense danser, Zinzi Minott uitgenodigd. Zij zei toen tijdens het event, op het podium, niet te gaan dansen. Zij zei dat Zwarte lichamen al te vaak op hebben getreden in etnografische musea. Ik vond dat heel mooi omdat het op zichzelf al een soort performance was dat zij in plaats van dansen, een lezing gaf. Zij was zich heel bewust van het instituut en tevens de ruimte om iets anders te doen. Anderzijds heb ik ook wel eens zelf iemand willen behoeden, maar dan krijg je zoals jij eerder al zei, een soort patriarchale, hiërarchische verhouding . Kan iemand van buiten het instituut, de grootsheid van het instituut bevatten? En hoe zorg je ervoor dat iemand niet medeplichtig wordt in het institutionele?”
AA: “Als ik denk dat ik het instituut ga veranderen, heb ik het mis. Hoe kan ik iets veranderen dat meer dan honderd jaar hetzelfde is geweest? Dat zou betekenen dat ik mezelf zou verliezen. Niet iedereen is zich ervan bewust wat Zwarte lichamen en andere lichamen voor rol hebben binnen deze plekken en ook wat de rol van ras is hierbinnen. Dit geldt overigens net zo goed voor kunstmusea zoals het Stedelijk als voor etnografische musea. Wat zegt een plek zoals het Stedelijk door niks te zeggen over jou? Het zegt: ‘You do not exist!’ Jij was hier nooit deel van en je mag komen kijken in deze white cube naar al het prachtigs en eens in de zoveel tijd hangt er werk van een kunstenaar van kleur en daar moet je dan heel blij mee zijn. Het is makkelijker om over een etnografisch museum te zeggen dat het gewelddadig is, dan over kunstinstellingen, kunstmusea en kunstinstituten. Terwijl zij zwarte mensen als backdropgebruiken zoals het van Gogh of het Rijksmuseum dat niet wil dealen met bepaalde thema’s, maar ondertussen wel weer een tentoonstelling over slavernij wil maken. Dat is iets waar een trendy topic als slavernij zelfs te kort kan schieten. Aan de andere kant denk ik dat het goed is dat er een beweging is binnen deze instituten. Hoe zorg je ervoor dat je niet tokenized wordt en voorbij symboolpolitiek gaat. En dan rest ons de vraag: Wat is het dan aan instituten waarom je wel een relatie met hun aangaat?”

Jij was hier nooit deel van en je mag komen kijken in deze white cube naar al het prachtigs en eens in de zoveel tijd hangt er werk van een kunstenaar van kleur en daar moet je dan heel blij mee zijn.

RO: “Ja, wat is de reden om dat toch wel te doen? Ik heb wel een bepaald soort hoop dat verandering binnen allerlei plekken moet gebeuren, dus ook binnen die established instituten. Wat denk jij?”
AA: “Ik denk het ook, maar ik ben dan niet de persoon. Je hebt bijna een christelijke achtergrond nodig. Het is missionarissen werk. Je moet er een soort levensmissie van maken en dan is nog steeds de vraag: ‘komen ze er’? Zijn alle ongelovigen al om? Ja ik vraag het me af, er worden stappen gemaakt, maar er worden ook stappen terug genomen. Het is geen lineaire ontwikkeling van bewustwording van de instituten. Het is zo een langzaam proces en ik merk dat ik het geduld er niet voor heb.” 

RO: “Nu Black Lives Matter movement zo globaal is, lijkt er ook meer aandacht voor te zijn binnen grote instituten en kunstinstellingen. Vind je het hoopvol?
AA: “Nee, nee. Het doet me denken aan ‘je suis Charlie’, dat was een soort mass hysteria, islamofobische mass hysteria en allerlei instituten deden mee, de Appel en nog veel meer. En nu denk ik ja, als je daadwerkelijk begrijpt wat dit betekent, dan kan je het ook internaliseren. Binnen een instituut werken natuurlijk mensen en het gaat erom dat deze mensen het anti-racistische denken en werken internaliseren en dan denken goh, wacht, ik was racistisch en laat ik eens wat gaan lezen en niet direct iets gaan posten over wat ik aan het lezen ben. Het echte werk gaat voorbij het performatieve. Het is achter de schermen en erg saai. Het lijkt bijna een marketing truc wat er nu gaande is. En tegelijkertijd denk ik dat veel jongeren van kleur en andere Witte jongeren die in het bewustwordingsproces zijn, van instituten eisen het werk te doen: Show up! Maar wellicht hebben sommige, vele Witte mensen nog niet goed nagedacht over wat ‘Show up!’ betekent. Het is meer dan het posten van een black square. ’Show up!‘ is een langdurig project. Net als dat mensen weten dat ze voor vier jaar een plan moeten indienen voor de Raad van Cultuur, zo moeten ze hier ook goed voor gaan zitten zonder inclusiviteitsexperts en ervaringsdeskundigen. Het is in Nederland niet makkelijk om mensen te ontslaan, maar ga actief nadenken over hoe je ruimte gaat maken. Niet voor één persoon, maar voor meerdere personen zodat het de stad, dorp of wereld weerspiegelt. Het gaat om een bezinningsproces, want wat betekent het als je Zwarte mensen aanneemt, maar je betaalt alle suppoosten slecht en je werkt met een schoonmaakbedrijf waarbij de mensen van kleur heel weinig betaald krijgen. Het moet dekoloniaal en dat betekent ook op het gebied van arbeid, van alles. Het moet intersectioneel en dekoloniaal zijn. En dat bereik je niet met #BLM.

Het echte werk gaat voorbij het performatieve.

RO: “En een Angela Davis quote.”
AA: “Ja, en natuurlijk vraag je je ook af op wat voor manier zwarte lichamen in dit proces worden gebruikt. Voor mij is dat eigenlijk ook vorm van Black Facing.

RO: “En een vorm van, waar we het eerder in dit gesprek over hadden, zwarte mensen weer tot bezit maken, het commodificeren van het Zwarte Lichaam.” 
AA: “Ja, en van Zwarte pijn en Zwarte kunst!”

 

Omslagbeeld: The Door(s) of No Return: On Technologies of Certain Bodies, Amal Alhaag. Dutch Pavilion WORK, BODY, LEISURE. 16th International Architecture Exhibition - La Biennale di Venezia, FREESPACE. Photo: Daria Scagliola

 

[1] Een digitaal en reizend platform voor jonge kunstenaars, artiesten en andere makers die de grenzen opzoeken van hun (kunst)disciplines met hierbij bijzondere aandacht voor hen die hun inspiratie halen uit de mondiale en hedendaagse stadscultuur. Een plek voor experiment waar dekoloniaal gewerkt wordt en daarmee is het platform op een bepaalde manier ook een alternatief voor de bestaande instituten. 

[2] Amal heeft bijgedragen aan de Nederlandse inzending, Rietveld paviljoen tijdens de Architectuur biënnale in Venetië 2018. Met de titel Work, Body, Leisure, het werd door architect en curator Marina Otero-Verzier gecureerd.

[3] (Nederlands inzending) aan de Architectuur Biënnale van Venetië in 2018

Ook adverteren op mistermotley.nl? Stuur dan een mail naar maurits@mistermotley.nl