Image

Atelierbezoek: Michaël de Kok - Een schilder die zijn werk doet

02 Nov 2018 Alex de Vries

Van 10 november 2018 t/m 20 januari 2019 laat Museum De Pont in de Podiumzaal nieuwe schilderijen zien van Michaël de Kok (Hilvarenbeek 1958). Daar is Museum De Pont goed in: te midden van een internationaal programma ook regionale kunstenaars presenteren die landelijk niet altijd voldoende aandacht krijgen, maar die zich serieus kunnen verhouden met de hoge kwaliteit van de museumcollectie.

 

Michaël de Kok is een schilder die vooral in België waardering geniet en daar tot het beste wordt gerekend van wat de hedendaagse schilderkunst te bieden heeft. Ogenschijnlijk is niets aan zijn werk spectaculair of imponerend, maar zoals bekend: schijn bedriegt. Bij sommige schilderijen moet je heel aandachtig kijken voordat je beseft dat je zoiets nog nooit eerder hebt gezien. De schilderijen van De Kok onttrekken zich aan het gewemel van alledag en laten zien dat door onthechting en contemplatie de mens kan reflecteren op zijn bestaan.

Niets aan de persoon Michaël de Kok beantwoordt aan het beeld van de kunstenaar die in afzondering van de wereld zijn werk maakt dat alleen op zichzelf wordt betrokken. En toch is hij zo’n kunstenaar. Alleen hij kent daar geen enkel belang aan toe. Hij woont in Tilburg en gaat dagelijks naar zijn atelier waar hij met olieverf en linnen beelden tot stand brengt die binnen het idioom van de schilderkunst een eigen waarde vertegenwoordigen. Zijn atelier is een neutrale ruimte en aan de materialen die hij gebruikt is ook niets bijzonders af te zien. Hij laat zich niet voorstaan op hoe zijn werk tot stand komt. Het enige wat telt zijn de schilderijen die daaruit voorkomen. Een kunstenaar is in zijn ogen ook maar iemand die zijn werk doet en zich daarbij van niemand iets aan moet trekken.

Hij werd geboren in een kunstenaarsgezin dat in het buitengebied van Hilvarenbeek, net boven de Belgische grens woonde. Zijn vader en moeder – Fons de Kok en Charlotte Bannier - hadden allebei een kunstenaarspraktijk. Ze bouwden bij Hilvarenbeek eerst een atelier en daarna een huis waar een tijd lang primaire voorzieningen als elektriciteit ontbraken. Pas in de loop van de jaren nam het comfort toe. Fons de Kok was een invloedrijke docent op de Academie van Beeldende Vorming in Tilburg en Charlotte Banier maakte textielkunst en was druk met de opvoeding van vier kinderen. Ze woonden dan wel buiten, maar ze leefden geen afgezonderd bestaan. Ze waren meer op Antwerpen dan op Tilburg gericht en hadden veel vrienden uit Vlaanderen waar ze ook langere tijd hadden gewoond. Er kwamen veel mensen, vooral kunstenaars, over de vloer en de gesprekken gingen altijd over het vak. Dat gebeurde zo vaak dat een van de broers van De Kok aan tafel weleens wanhopig uitriep: “Kan het ook nog eens ergens anders over gaan?”

Niets aan de persoon Michaël de Kok beantwoordt aan het beeld van de kunstenaar die in afzondering van de wereld zijn werk maakt dat alleen op zichzelf wordt betrokken.

Michaël de Kok kan het goed over iets anders dan de kunst hebben, maar voor hem is het kunstenaarschap altijd vanzelfsprekend geweest. Hij ging naar Academie St. Joost in Breda maar kreeg het daar al snel aan de stok met de hoofddocent die van hem verwachtte dat hij het kunstenaarschap breder ging opvatten, maar De Kok wilde alleen maar schilderen in een tijd dat dat niet meer zo gangbaar was en de conceptuele invalshoek de boventoon voerde. Nu heeft De Kok niets tegen op het ideematige van de kunst – sterker nog, al zijn schilderijen zijn uitwerkingen van voornemens die in zijn hoofd ontstaan – maar hij wilde wel een vakmatige schilder zijn met ambachtelijke vaardigheden en materiële kennis. Nog in het eerste jaar liet hij de academie in Breda achter zich en stapte over naar de kunstacademie in Maastricht, maar ook daar bleef hij maar kort, omdat hij werd aangenomen aan de Rijksacademie in Amsterdam waar hij van 1983 tot 1987 heeft gestudeerd. In die jaren ontwikkelde de Rijksacademie zich van een eerbiedwaardig hoger onderwijsinstituut – de leraren werden er aangesproken met professor – tot de postacademische voorziening die het nu nog is. Er kwamen jonge docenten als Henk Visch en Marlene Dumas die hem sterkten in de opvatting dat het schilderen binnen de kunst een niet aflatend belang had. Hij vond aansluiting bij Vlaamse schilders die in dat vak veel gedegener waren opgeleid en die tegelijkertijd over de onbevangenheid beschikten om de schilderkunst op hun eigen manier te benaderen. Later in zijn loopbaan, toen hij zelf enige tijd lesgaf aan de academie in Tilburg, merkte hij dat de nieuwsgierigheid van veel studenten naar de vaktechnische aspecten van de schilderkunst door de opleiding nauwelijks werd ingelost. Hij begon met een reeks lessen waarin hij juist daarop inging en waarvoor veel animo bestond.

Voor Michaël de Kok heeft het uitoefenen van zijn vak niets verhevens. Hij is simpelweg een schilder. Dat is wat hij doet, zo goed als hij kan. Hij houdt de wereld geen moreel gelijk voor. Zoals een schoenmaker schoenen moet maken, zo maakt hij zijn schilderijen. Ze moeten voldoen aan de behoefte van de mensen die ze nodig hebben. Dat er meer mensen behoefte hebben aan schoenen dan aan schilderijen doet er voor hem niet toe. De crux voor hem is dat hij met simpele middelen uit het niets iets tot stand kan brengen dat een innerlijke beleving weerspiegelt en aansluiting vindt bij anderen die er ontvankelijk voor zijn.

Als jonge schilder werd Michaël de Kok door de charismatische kunstbemiddelaar Florent Bex (1937), die van 1985 tot 2002 directeur van het Museum van Hedendaagse Kunst (MUHKA) in Antwerpen was, in de Vlaamse kunstwereld geïntroduceerd. De ingetogen landschappelijke schilderijen van De Kok kregen daar de gewaardeerde belangstelling die hij in Nederland in mindere mate had ondervonden toen hij zijn werk toonde bij galeries in Amsterdam. Vanaf 2002 heeft hij consequent in Antwerpen zijn werk laten zien, eerst bij Galerie Het Vijfde Huis en later bij de 1st Floor Gallery.

Hij is simpelweg een schilder. Dat is wat hij doet, zo goed als hij kan. Hij houdt de wereld geen moreel gelijk voor. Zoals een schoenmaker schoenen moet maken, zo maakt hij zijn schilderijen.

De schilderijen van Michaël de Kok vertegenwoordigen een mentaliteit die ieder spektakel vermijden. Zijn landschappen zijn vrijwel altijd een atmosferische bezinning op de plaats van de mens in de wereld. Alles wat er op zijn doeken te zien is, heeft de adem van iemand die op zichzelf is aangewezen, met wie of wat hij zich ook omringt. Het zijn landschappen waar niemand is, hooguit de schilder zelf. Soms zie je hem als eenzame wandelaar door dat landschap trekken, op weg naar niets eigenlijk, alleen maar daar. Hoewel hij van het geschilderde deel uitmaakt, beziet hij het ook met grote afstandelijkheid. Vooral de landschappen waar in de verte aanduidingen van stedelijke bebouwing te zien zijn, maken duidelijk dat er een besef is van dat je uitsluitend op jezelf bent aangewezen, met wie je ook verbinding zoekt. Die stedelijke aspecten dreigen in zijn schilderijen teloor te gaan.

Michaël de Kok heeft een gezin en verstaat zich met zijn vrouw en zoon die hij nooit iets heeft op willen leggen; hij heeft zichzelf de schilderkunst opgelegd en van daaruit heeft hij een verstandhouding ontwikkeld met wie hij zich wezenlijk verbonden voelt. De dag begint voor hem door met zijn Tsjechische wolfshond door het buitengebied bij Tilburg te lopen. Daar wordt hij opgenomen in landschappen die hij in stilte ondergaat. In zijn atelier zet hij bij het schilderen die gewaarwording van verlatenheid en verstilde gemoedsbewegingen voort. Hij werkt aan doeken die hij in de avonduren als voornemen formuleert met betrekking tot bepaalde kleurstellingen, contrasten, absorptie en uitstraling. De bron daarvoor is het visuele waarnemen van het vrijwel onwaarneembare: hoe gedraagt het licht zich, waar valt het op, wat reflecteert het. Hij denkt met name na over het proces van het schilderen: hoe hij moet beginnen om de voorgenomen uitkomst te benaderen. Hij wijkt vrijwel altijd af van wat hij tevoren heeft bedacht. Het schilderen kent zijn eigen wetten.

Hij hoeft niets tegen iemand te zeggen, zoals schaarse bergwandelaars elkaar passeren met een nauwelijks hoorbare groet.

De schilderijen van Michaël de Kok tonen in het weinige wat erop te zien is een rijke voedingsbodem, een bestaansgrond. Het zijn landschapsbeelden met een onwerkelijk gehalte, terwijl alles erin ook herkenbaar is. In de schilderijen die hij geeft gemaakt met de tentoonstelling in Museum De Pont in gedachten, heeft hij zijn schilderkunstig vermogen in abstracte, duale, monochrome kleurvelden uitgewerkt. Een onbestemd blauw dat hij heeft samengesteld uit groen en kraplak plaatst hij naast een oker gemaakt met cadmium geel en ongebrand omber. Onder de oppervlakte zindert een onzichtbare gloed die uitstraalt in het doek. Hij werkt met een uitgesproken palet waarin hij naast ombers ook meerdere kleuren wit, een heel sterk rood en citroengeel gebruikt. Hij stelt zijn schilderijen niet samen door het mengen van primaire kleuren. Het zijn schilderijen waarin je ogen de kleuren mengen. In alles wat hij maakt zie je de picturale overwegingen terug: wat is de toon van een schaduw onder een boom, hoe valt het licht op de bladeren, wat onderga je als je uit een donker bos het open veld inloopt? Het zijn die sensaties die hij, in de tijd die het schilderen neemt, ondergaat als een wandeling door het landschap. Hij hoeft niets tegen iemand te zeggen, zoals schaarse bergwandelaars elkaar passeren met een nauwelijks hoorbare groet. Aan de passage zelf heb je genoeg om de verbondenheid met elkaar te ondergaan. In de schilderijen lost de tijd op, het licht neemt af, de kleuren vervagen of doemen weer op.

Doordat Michaël de Kok schildert wat hij in de waarneming ondergaat, zijn de schilderijen regelmatig onverwachte explosie van tegenstellingen in kleur. De kleurvelden in zijn abstracte tweeluiken ketsen soms keihard op elkaar en verwonden elkaar in de overgangen tussen het een en het ander. Ze verstoren elkaar waar ze tegen elkaar worden aangezet. Het een maakt zich waar ten opzichte van het ander. De invasie van het licht stuit op het verzet van het donker. Zoals Morandi schildert hoe het licht tussen voorwerpen beweegt, zoals Rothko schildert hoe kleur licht opneemt, zo schildert Michael de Kok hoe licht hij is in zijn hoofd. Met zijn schilderijen krijgt hij daar greep op.

Alex de Vries

Michaël de Kok - Untitled - 2018; olieverf op linnen, 50x70cm
Michaël de Kok - Untitled - 2018; olieverf op linnen, 50x70cm

Michaël de Kok - Hikers - 2017; olieverf op linnen, 60x50cm
Michaël de Kok - Hikers - 2017; olieverf op linnen, 60x50cm

Michaël de Kok - Park - 2018; olieverf op linnen, 70x90cm
Michaël de Kok - Park - 2018; olieverf op linnen, 70x90cm

Michaël de Kok - Pool - 2015/2018; olieverf op linnen, 200x150cm
Michaël de Kok - Pool - 2015/2018; olieverf op linnen, 200x150cm

Michaël de Kok - Untitled - 2015/2017; olieverf op linnen, 150x180cm
Michaël de Kok - Untitled - 2015/2017; olieverf op linnen, 150x180cm

Michaël de Kok - Untitled - 2017; olieverf op linnen, 90x70cm
Michaël de Kok - Untitled - 2017; olieverf op linnen, 90x70cm

Michaël de Kok - Untitled diptych - 2018; olieverf op linnen, 60x105cm
Michaël de Kok - Untitled diptych - 2018; olieverf op linnen, 60x105cm

Michaël de Kok - Untitled diptych - 2018; olieverf op linnen, 200x300cm
Michaël de Kok - Untitled diptych - 2018; olieverf op linnen, 200x300cm