Image

Beeldhouwers van nabijheid

30 Aug 2018 Milo Vermeire

Een gesprek met Margriet van Breevoort en Paul de Reus

Wie zijn de kunstenaars achter belangrijke, kwetsbare en kritische kunstwerken? Hoe ziet hun blik op de wereld eruit en wat zeggen ze precies over de thematieken die ze met hun werk aansnijden? Museum Arnhem is in 2018 tijdelijk gesloten vanwege uitbreiding en vernieuwing. Mister Motley gebruikt deze kans om in de collectie van het museum te duiken en kiest maandelijks een spraakmakend werk uit. Deze laatste zomermaand is een dubbeleditie waarin twee werken van twee verschillende kunstenaars besproken worden. The Tourist (2016) van Margriet van Breevoort en Mr. Hyde (2000) van Paul de Reus.

Voor mij ligt een klein, glimmend, monsterfiguur op een werktafeltafel. Ik zie de gapende gaten waarin uiteindelijk de ogen geplaatst zullen worden om het beeld tot leven te wekken. De maker van dit wezen is Margriet van Breevoort (1990). Samen met kunstenaar Paul de Reus (1963) zit ik in haar atelier in Amsterdam West om met zijn drieën te praten over de verschillen en overeenkomsten in de artistieke praktijk van de beide beeldhouwers en de rol van realisme en vervreemding in de kunst.

Margriet van Breevoort, The Tourist, epoxy, hoorn, silicone, textiel kleding, glas, cement, 2016. Collectie Museum Arnhem.
Margriet van Breevoort, The Tourist, epoxy, hoorn, silicone, textiel kleding, glas, cement, 2016. Collectie Museum Arnhem.

Het werk van De Reus en Van Breevoort is op het eerste oog heel verschillend. Van Breevoort maakt hyperrealistische sculpturen van wasklei waarmee ze de toeschouwer weet te overtuigen om te geloven in het bestaan van fantastische creaturen. Zo lijkt haar werk The Tourist (2016) uit de collectie van Museum Arnhem aanvankelijk een toevallige passant die wellicht verdwaald is. Totdat je ziet dat deze figuur wel erg grote ogen heeft, doodstil staat en op het hoofd een gewei tooit. The Tourist gebruikt de perfectie van de techniek om de toeschouwer te overtuigen dat er echt een buitenaardse toerist gearriveerd is. Het werk doet daarmee denken aan de sculpturen van de bekende hyperrealistische beeldhouwer Ron Mueck (1958),maar wijkt daarvan af door het gebruik van magische elementen.

Paul de Reus, Mr. Hyde, textiel, haar, hout, spiegelglas, 2000. Collectie Museum Arnhem.
Paul de Reus, Mr. Hyde, textiel, haar, hout, spiegelglas, 2000. Collectie Museum Arnhem.

De Reus gebruikt net als Van Breevoort realisme in zijn sculpturen en installaties om het publiek zijn wereld binnen te ‘lokken’. Neem bijvoorbeeld het werk Mr. Hyde (2000), ook uit de collectie van het museum. We zien een geheimzinnige figuur die volledig in zichzelf is gekeerd. De enige manier om zijn gezicht waar te nemen is indirect, via een spiegel. Na de initiële schok dat er echt iemand in de kamer lijkt te staan treedt de vervreemding in. Deze is echter van een andere aard dan de vervreemding die optreedt bij het werk van Van Breevoort, De Reus richt zich niet op het buitenaardse, zoals Van Breevoort, maar juist op het ‘aardse’. Hij is geïnteresseerd in het intieme van de mens en hoe wij constant bezig zijn ons innerlijk te verbergen.

Naast de gemeenschappelijke thematiek van realisme en vervreemding hebben de kunstenaars nog iets gemeen: de liefde voor hun materiaal.

Waarom werken jullie hoofdzakelijk met hout en wasklei?

Paul de Reus (PdR): “Ik werk het liefst met hout omdat het mij de meeste voordelen geeft. Als ik net als Margriet wasklei zou gebruiken, dan zou ik mezelf verliezen in de details en moeite hebben om de grote vorm vast te houden. Het voordeel van hout is dat het zowel constructief is als plastisch. Je kunt er een tafel mee bouwen en tegelijkertijd organische vormen mee creëren. Daarnaast is het gewoon het eindproduct. Bij ander materiaal moet je bijvoorbeeld mallen gaan maken.”

Margriet van Breevoort (MvB): “Ja heerlijk toch!”

PdR: (Lachend) “Vreselijk! Uiteindelijk komt het dan uit de mal en dan denk je: ‘dit is het toch niet?’ Dan is het totaal iets anders geworden dan je van tevoren bedacht had. Vandaar dat ik veel liever direct met het materiaal werk. Hout heeft een ontzettende weerstand, maar dat werkt goed voor mij, die tegendruk. Een stuk hout heeft al een vorm van zichzelf en daar moet je iets mee. Dat heb ik in het normale leven ook, als je met iemand spreekt dan is er al iemand. Anders sta je tegen jezelf te praten en moet je vanuit het niets beginnen.”

MvB: “Maar als je vanuit het niets begint dan heb je juist zoveel mogelijkheden.”

Hoe begin jij dan Margriet, als je vanuit het niets start?

MvB: “Ik begin met het idee in mijn hoofd en vervolgens bouw ik het op met klei. Ik gebruik wasklei op basis van olie waardoor het nooit opdroogt en je eindeloos kan blijven modelleren. Dat zorgt ervoor dat je heel precies te werk kan gaan. Als de vorm klaar is giet ik het af met siliconen, de klei is dus nooit het eindproduct. Met hout moet je een vorm onttrekken uit iets anders, met klei kan je juist stukjes toevoegen en weghalen totdat het exact de vorm krijgt die jij wil.”

Jullie combineren allebei sculpturaal werk met het maken van (houtskool)tekeningen. Hoe verhouden de tekeningen en de beelden zich tot elkaar in jullie praktijk?

PdR: “Ik werk altijd vanuit een tekening, ik teken eerst en dan maak ik een werk. Voor mijn beelden maak ik schetsen in mijn schriftje en schrijf ik dingen. Die zijn veel grilliger en staan nog veel meer open voor wat het zou kunnen zijn dan mijn andere tekeningen.”  

MvB: “Ik schets altijd eerst, maar werk het vervolgens gelijk helemaal uit. Een tekening is dus ook direct een eindproduct op zichzelf.”

Maar het is nooit zo dat je begint aan een tekening met het idee 'dit wordt een tekening' en dat het ‘eindproduct’ dan uiteindelijk toch een sculptuur wordt?

PdR: “Nee. Je hebt gewoon het praktische verschil. Ik bedoel, als je tweedimensionaal bezig bent dan kan je alles doen, je kan een heel landschap maken zonder restricties behalve dat je maar één standpunt hebt. Bij sculpturen kun je vanuit alle hoeken kijken, dat maakt het juist interessant, dat je eromheen kan bewegen. Daardoor sta je er op een gelijkwaardigere manier tegenover. In dezelfde ruimte, in de wereld.”

MvB: “Ja, dat maakt het echter. Tegelijkertijd geeft een tekening inderdaad meer mogelijkheden, je kan dingen maken die sculpturaal onmogelijk zijn.”

PdR: “Maar een tekening blijft een illusie, het is niet genoeg. Ik zie mezelf ook niet als een tekenaar. Het is duidelijk een groot verschil.”

Hoe belangrijk is de specifieke context van een sculptuur voor het werk? Ik kan me voorstellen dat een ruimte grote invloed kan hebben op de mate waarin je als toeschouwer op een gelijkwaardige manier tegenover een sculptuur staat. Het werk Homunculus Loxodontus (2016) van jou, Margriet, staat bijvoorbeeld in het ziekenhuis van Leiden in de openbare ruimte, terwijl The Tourist als onderdeel van een museumcollectie waarschijnlijk heel anders gepresenteerd wordt. Ben je daar mee bezig als je een werk maakt?

MvB: “Ik houd er wel rekening mee. De Homunculus Loxodontus heb ik echt voor die specifieke plek gemaakt. Dit werk was daarop geïnspireerd en past daardoor automatisch in deze context. Met The Tourist hield ik er zeker ook rekening mee dat hij goed staat in een ruimte, met mensen eromheen. Dat het niet zomaar een beeld op een sokkel is. Ik wil dat het object levensecht overkomt en daarvoor moeten de verhoudingen tot het publiek kloppen. Het beeld moet mensen overhalen om te geloven dat het echt is.”

Geld dit ook voor Mr. Hyde, Paul? Moeten mensen geloven dat er echt iemand in de hoek staat?

PdR: “O ja, dat gebeurt zo. Mensen hebben met paspoppen al het idee dat er echt iemand staat. Een spiegel werkt ook heel goed, door de beweging die je vanuit je ooghoek denkt te ervaren. Dat zie je bij de beelden van Margriet natuurlijk ook. Alleen de ogen al. Daar maak je direct contact mee als toeschouwer. Bij jouw beelden valt me ook de huid heel erg op. Het is echt vlees dat je direct wilt aanraken.”

MvB: “Ik houd van de details omdat het ervoor zorgt dat je ineens heel dichtbij kan komen, terwijl wij als mensen onderling nooit zomaar die nabijheid met een ander ervaren.”

PdR: “Ik vind het mooi dat Homunculus Loxodontus in de wachtruimte staat van het ziekenhuis. In dat soort ruimtes geeft iedereen automatisch zijn begrenzing aan, om zijn eigen plek te claimen. De sculptuur doorbreekt die grenzen, dat taboe, omdat het mensen uitnodigt dichterbij te komen.”

Werk als Mr. Hyde of Gezin (1997)  lijken ook door die barrière van nabijheid te breken, maar dan op een andere manier. Hoe is bijvoorbeeld Mr. Hyde ontstaan Paul?

PdR: “Ik wilde iets, iemand, maken die zich verbergt in zichzelf. Ik moest daarbij natuurlijk ook aan Jekyll en Hyde denken, iemand die het goede en het kwade van zichzelf wil scheiden. Door de spiegel zie je hem alleen op indirecte wijze en hij jou ook, dat voelt heel ongemakkelijk.”

Bij jouw werk zit de vervreemding juist in het ongemakkelijke menselijke?

PdR: “Meer in het innerlijke en in datgene wat wij willen verbergen. We verbergen ons innerlijk vaak terwijl deze wel de hele tijd onbewust naar boven komt. Je doet kleren aan en toch schiet er borsthaar uit je shirtje bijvoorbeeld. Het innerlijk is iets wat de hele tijd door de werkelijkheid heen piept. Je bent continu bezig om je aan bepaalde conventies te houden terwijl er voortdurend stukjes persoonlijkheid ontsnappen. Dat is natuurlijk ook wat iemand menselijk maakt. Als het keurslijf dan doorbroken wordt, dan is dat een mooie aanleiding om contact te hebben.”

En die manier van contact maken met toeschouwers zoek je met jouw sculpturen specifiek op?

PdR: “Ja, dat hoop ik wel. Dat iemand zich daarin herkent. Zaken als humor, realisme en afschrikken zijn een middel. Dat ik zie ik ook bij het werk van Margriet. Een middel om mensen nieuwsgierig te maken, zodat ze dichterbij willen komen, maar het gaat natuurlijk ergens anders om. We hebben het over de lijst, over de vorm.”

MvB: “Ik heb sowieso altijd gestreefd naar dat hele realistische. Dat is gewoon iets wat ik mooi vind omdat het heel toegankelijk is en opgaat in de wereld. Het wordt een onderdeel, het is niet zomaar iets op een sokkel, het is geen beeld, het komt tot leven. Tegelijkertijd wil ik geen madame Tussauds maken natuurlijk.”

Hoe vermijd je dat dan precies?

MvB: “Door onder ander die vervreemding in te zetten. Ik houd daar erg van. Laten zien wat de mogelijkheden zijn of wat er juist niet mogelijk is in de wereld, en dat dan toch mogelijk maken door het zelf te creëren met mijn handen.”

Dit stuk is geschreven in opdracht van Museum Arnhem, zonder redactionele inspraak. Museum Arnhem is momenteel gesloten in verband met een uitbreiding en vernieuwing. Hoewel de collectie nu niet te zien is in het museum, is een groot deel van de collectie te raadplegen via de website van het museum.