Image

De buning Brongers Prijs: op studio bezoek bij Ricardo van Eyk

30 Oct 2018 Lieneke Hulshof

Fietsend vanuit het centrum van Amsterdam naar Hoofddorp, verandert de afgewerkte en ‘strak in de verf zittende’ omgeving langzaam in een kaal, ruw en industrieel landschap. Snelwegen, viaducten en Schiphol passeren de revue. Het lijkt alsof deze transformerende fietstocht bedoeld is om de finish beter te kunnen begrijpen; het atelier van Ricardo van Eyk. Een kunstenaar die werk maakt dat gaat over ‘een gevoel van realiteit’, transformatie, sporen en het verliezen van controle. Dat klinkt misschien abstract, maar de betonnen fietstunnel vol graffiti die onderweg wordt gepasseerd maakt veel duidelijk. Het zijn deze onderdelen uit ons hedendaagse landschap die van Eyk interesseren; de ooit zo nieuwe en utopische plekken waarbij de oorspronkelijke betekenis door mensen wordt genegeerd om er een eigen platform van te maken. De publieke ruimte die verandert door de tijd en door kwajongens. Maar het kan ook een container zijn in de straten van Maarsenbroek die beplakt is met Action stickers, gewoon om de kale straat iets meer op te leuken, om dat wat anderen ooit voor jou bedacht hebben toe te eigenen.

Salon Ricardo van Eyk
Salon Ricardo van Eyk

Lieneke Hulshof: Voor de Salon van mister Motley liet je beelden zien van Maarssenbroek. Een dorp met utopische plannen, maar waar nu vooral de natuur overwoekert en het verval optreedt. Wat vond je daar zo boeiend aan?

Ricardo van Eyk: ‘’Ik wandel en fotografeer veel, toen ik de vraag kreeg een Salon te maken, leek het mij interessant om op een andere manier naar die handelingen te kijken. Ik ben opgegroeid in Maarssenbroek en had nooit echt weet van hoe deze plek is ontstaan. Eigenlijk is het heel gek wat daar is gebeurd, in de jaren ’80 zijn er 40.000 woningen neergeknald op een enorme systematische manier door veel fietstunnels en rondwegen te bouwen, zodat de fietser bijvoorbeeld nooit een auto tegenkomt. Die hele infrastructuur veroudert door de tijd heen, mensen gaan er wonen en hebben invloed op de straten, dat vind ik interessant. Het gegeven van de middenstandswijk is voor mij misschien wel spannender dan het gegeven van de stad.’’

Waarom?
‘’Omdat de stad zich op een tragere manier ontwikkelt dan wanneer er een nieuwe wijk uit de grond wordt gestampt. Zoals in Maarsenbroek, dan ontstaat er eigenlijk altijd iets heel kaals wat de mens dan zelf moet invullen in plaats van dat ze zich dienen aan te passen aan dat wat er al is, zoals in een stad. En die aanpassingen vind ik interessant, wat mensen daarvoor doen. Bijna alle huizen in zo’n wijk zijn hetzelfde, maar toch worden er dingen vormgegeven op een eigen manier. Het is boeiend dat er uit zo’n rigide stramien kleine dingen ontstaan op een lullige manier, maar die tegelijkertijd heel reëel zijn; je ziet het overal terug.’’  

In een interview met Peter Nijenhuis uit 2016 lees ik dat je wandelingen door industriegebieden maakt om tot schilderkunst te komen. Over die wandelingen zeg je: ’’Wat ik zoek, zijn vormen van onbedoelde schilderkunst.’’ Bedoel je daarmee te zeggen dat het dagelijkse leven altijd een vorm van kunst bevat?  
‘’Ja, dat klopt. Ik ben echter geen fotograaf, het tegenkomen en zoeken van die ‘vormen van onbedoelde schilderkunst’ is de helft van het proces, van de transformatie en het toe-eigenen om uiteindelijk tot een beeld te komen waar sporen van die foto inzitten. Dat uiteindelijke beeld moet een eigen leven gaan leiden of een nieuwe werkelijkheid worden, dat is voor mij waar het om gaat.’’

'Gass', 2017. foto door Peter Cox
'Gass', 2017. foto door Peter Cox


Vroeger trokken de impressionisten de natuur in om tot een kunstwerk te komen, jij het industrieterrein. Het zijn gebieden waar de menselijke hand en het nut overal zichtbaar zijn. Is dat spannender dan een boom die zijn bladeren verliest of een bloemenveld in bloei?
‘’Ik denk dat die twee, de natuur en het industrieterrein, niet zover van elkaar afliggen. Zo heb ik veel schilderijen waarbij ik de verf afschraap, geïnspireerd op industriële façades waar de verf van afbladdert. Toen ik daar mee bezig was begon het beeld uiteindelijk te lijken op een dak van bladeren dat in de herfst naar beneden komt. Dit beeld wordt zichtbaar, puur door het ‘werkproces’. Daarom vind ik het maken ook zo belangrijk, omdat er zo verbindingen in je werk ontstaan die niet alleen hangen aan je eigen beginpunt. Een kunstwerk is een goed werk wanneer dit soort ‘verrassingen’ zicht aanbieden, toevalligheden die niet onderdeel van mijn motief waren om het werk te maken’’

Ik denk dat die twee, de natuur en het industrieterrein, niet zover van elkaar afliggen.

Het schilderij gaat dus verder dan het ‘eigen denken’ op het moment dat je aan het maken bent?
‘’Ja, daar ben ik wel naar opzoek.’’

Is daarom die vertaalslag voor jou zo belangrijk, van foto naar schilderij? Dat je nog verder gaat dan enkel die foto?
‘’Ja en ik gebruik die foto ook helemaal niet zo expliciet. Het is niet zo dat ik bijvoorbeeld een schilderij waarin ik verf afschraap, precies heb nagemaakt van de foto. Het is meer dat ik die foto’s gebruik om de dingen die ik bijzonder vind te leren kennen. Vaak zijn dat handelingen of gebaren en die wil ik toe-eiegenen in plaats van namaken. Het toeval wat daarin zit, dat wil ik zijn in het atelier.

En bedoel je dit dan letterlijk? Dat als je een handeling ziet, zoals een vrouw die een container beplakt, je op die wijze met je eigen materiaal om wil gaan?
‘’Het kan ook zo zijn dat een container geschampt wordt en dat ik die sporen in mijn werk wil hebben. Soms zijn het heel letterlijk die gebaren en soms benader ik ze meer conceptueel.’’

Toch ligt de manier hoe ik over dat beeld nadenk, dat het voortkomt uit het kijken, dichter bij het schilderen dan letterlijk de handeling van verf aanbrengen op een doek.

Je hebt het veel over kijken, over het rondlopen en kijken naar de wereld om je heen. Is kijken een synoniem voor schilderen?
‘’Ik denk dat ik het daar mee eens ben. In sommige schilderijen van mij is vrijwel geen verf gebruikt. Bijvoorbeeld een serie van houten panelen die ik vorig jaar maakte waarbij maar heel af en toe verf komt kijken. Toch ligt de manier hoe ik over dat beeld nadenk, dat het voortkomt uit het kijken, dichter bij het schilderen dan letterlijk de handeling van verf aanbrengen op een doek. ‘’

Wat trekt jou eigenlijk aan in ruwe materialen?  
‘’Ik ben in de keuze van materiaal mij heel erg gaan beperken, er zijn zoveel keuzes om te maken als kunstenaar, in principe kan je alles doen. Het materiaal, zoals hout, latex en lak wil ik zo essentieel mogelijk houden om daar veel in te ontdekken. De materialen hebben daarom weinig toegevoegde kleuren omdat ik de kijker niet wil verleiden met de schoonheid van kleur, daarmee schiet ik het doel voorbij van waar ik nu mee bezig ben.’’

Kun je dat doel beschrijven?
‘’Uiteindelijk wil ik een werk maken waarin een duidelijk gevoel van realiteit zit.’’

Ik kan mij ook voorstellen dat dit materiaalgebruik een soort houvast biedt, een strikt stramien van waar je in werkt?
‘’Ik denk dat het als jonge kunstenaar belangrijk is om specifiek te zijn. Door die restricties kom ik erachter wat de kwaliteit vormt van dat wat ik maak en hoop ik te ontdekken wat kunst voor mij gaat betekenen. Vanuit daar kan je weer uitbreiden en zal het allemaal weer een plek krijgen in een bredere praktijk. Ik wil niet dat mijn werk willekeurig of vrijblijvend wordt. Als kunstenaar moet je sturen, en ik wil keuzes maken. Die beperking heeft er bij mij voor gezorgd dat ik juist in dat strakkere stramien vrijheid weet te vinden.’’ 

Je schilderijen hebben ook een soort proces in zich. Met al het materiaal dat er uiteindelijk in terecht komt, heb je eerdere handelingen uitgevoerd. Hoe belangrijk is de handeling voor jou in je werk?
‘’Enorm belangrijk. Toch moet ik ook uitkijken dat ik niet te veel handelingen uitvoer binnen één werk, ik ben nogal verslaafd aan werken. Daardoor mislukken heel veel dingen omdat ik het ‘overwerk’. Aan de andere kant zijn er ook op die manier heel veel werken ontstaan omdat het zo enorm overwerkt is. Veel schilderijen hebben 20 vormen gezien voordat het iets is geworden.’’

'Polish', 2017. foto door Natalia Jordanova
'Polish', 2017. foto door Natalia Jordanova


Kun je die handeling iets concreter uitleggen aan de hand van een werk?
‘’Het werk Polish dat genomineerd was voor de Koninklijke Schilderprijs, is een werk dat ik vanaf het frame heb kunnen bepalen. Voordat ik überhaupt met verf begonnen was, heb ik het frame en het oppervlak al aangepast middels zaagsneden. Vervolgens heb ik de eerste laag bewerkt met latex en daarna beschilderd met lak. Na het opbouwen van al die lagen, heb ik de lak eraf geschraapt waardoor de eerste laag weer naar voren komt. Alle lagen zijn gaan samenwerken en zowel conceptueel als beeldend kwamen de dingen bij elkaar. Het is boeiend dat elke stap invloed had op het uiteindelijke beeld. Toen het af was bracht kunstenaar Han Schuil mij op de gedachte van een palimpsest. Vroeger werd er op perkament geschreven en later werd daar overheen gekalkt om het perkament opnieuw te kunnen gebruiken, door de jaren heen is bij sommige palimpsesten de bovenste tekst afgebladerd waardoor de oude tekst weer naar voren komt. Dan krijg je een heel dubbel beeld met diverse ladingen uit verschillende momenten in de tijd. Dat vond ik eigenlijk prachtig als metafoor voor de dingen waar ik naar kijk. Zoals elektriciteit kastjes in de wijk die onder gekalkt zijn en weer worden overgeschilderd.’’

Dan krijg je een heel dubbel beeld met diverse ladingen uit verschillende momenten in de tijd.

Je werkt ook lang niet altijd met de hand op de ondergrond, maar gebruikt ‘apparatuur’ zoals waterpistolen of slijptollen, gaat het je daarbij om in-directheid? Dat er een stap tussen jou en de ondergrond zit?
‘’
Ja, precies dat. Ik ben vrij handig en technisch. Als ik iets wil, kan ik dat waarschijnlijk technisch voor elkaar krijgen, maar het gevaar daarin is dat het dan bijna een grafisch ontwerp kan worden en dus enorm dicht wordt. Door handelingen uit te voeren met de slijptol of het waterpistool verlies je de controle en voorkom je die strakheid in het werk.‘’

Heeft het er ook mee te maken dat je niet als enige verantwoordelijk wil zijn voor het eindresultaat en dus objecten ook een zekere vorm van auteurschap geeft?
‘’Ja, maar dan nog wel op een beginnende manier, ik kan dat nog veel verder trekken door bijvoorbeeld doeken een tijdje buiten te laten staan. Misschien gaat het ook nog die kant op, ik heb er wel ideeën over. Het belangrijkste wat er gebeurt met het gebruiken van apparatuur is het deels verliezen van de grip en dat het werk zo een energie gaat uitstralen. Die energie uit zich in ruwe, agressieve beelden die tegelijkertijd ook teder zijn.’’

Dit interview is geschreven in opdracht van de Buning Brongers Prijzen, zonder redactionele inspraak. De Buning Brongers Prijs is een tweejaarlijkse Nederlandse kunstprijs voor jonge beeldend kunstenaars. De prijzen worden uitgereikt door de Buning Brongers Stichting uit de nalatenschap van Johan Buning, zijn vrouw Titia Brongers en zijn schoonzus Jeanette Brongers. De Buning Brongers Prijs is de grootste particuliere kunstprijs van Nederland en is sinds 1966 uitgereikt aan 144 kunstenaars. De kandidaten voor de prijs worden door kunstopleidingen uit het hele land voorgedragen. Aan de prijs is een geldbedrag verbonden van € 4.500.

Voor de winnaars wordt van 1 tm 16 december een tentoonstelling georganiseerd in Arti et Amicitiae en een catalogus uitgegeven in samenwerking met kunstmagazine See All This. De prijzen worden op 30 november uitgereikt in Arti et Amicitiae. U bent van harte welkom! U kunt zich hier aanmelden.

De prijswinnaars van 2018 zijn David Noro, Ricardo van Eyk, Naomi Mitsuko Makkelie, Jenny Lindblom, Wouter Paijmans en Rutger de Vries. Tot de prijsuitreiking zal Mister Motley elke week een interview met een winnaar publiceren.

Klik hier voor info over het  werk van Ricardo van Eyk.