Interview met Marie Reintjes
Tijdens de vorige This Art Fair werd ik een beetje verliefd op een schilderij van een balkon. Het toont – oneerbiedig gezegd – een blauwe vlek, een witte vlek en een kronkellijn met pootjes die samen een reling vormen; en toch zie je precies waar het om gaat. Een paar bloembakken geven die soberheid iets frivools. De schilder van dit tafereel is Marie Reintjes (1990), die uit hetzelfde dorp komt als ik en met wie ik op de middelbare school heb gezeten. Toch zie ik in Amsterdam pas haar schilderijen voor het eerst. Tijdens een atelierbezoek vertelt ze me meer over haar kunst, ontdek ik waar ze op de middelbare mee bezig was: proberen te schilderen als Carel Willink.

Carel Willink
Carel Willink

Bij je werkwijze – snel en op basis van foto’s – denk ik eerder aan pakweg de impressionisten dan aan Carel Willink. Wat sprak je aan in zijn werk?
‘Zijn schilderijen zag ik in kunstboeken die mijn ouders hadden. Hij maakte vlak voor de Tweede Wereldoorlog doeken met daarop dreigende luchten, alsof hij de oorlog al aan zag komen. Dat sprak me erg aan, die emotionele geladenheid van de lucht. Ik probeerde iets dergelijks te maken voor mijn profielwerkstuk: een dreigend schilderij over onze middelbare school die in puin ligt. Ik kreeg een goed cijfer, en het advies om het doek maar niet aan de directie te laten zien. (Lacht.) Maar het schilderij zelf viel me tegen. Ik had er veel uren werk in gestoken, en toch zag het er niet uit zoals ik het in mijn hoofd had. Misschien dat ik daarom tegenwoordig zo snel werk en zo blij kan zijn met wat per ongeluk tot stand komt.’

Hoe werk je nu?
‘Ik heb al doende een blik ontwikkeld voor situaties en beelden die zich goed zouden lenen voor een schilderij. Een tijdje terug zat ik in het vliegtuig naar Schotland, en onder me zag ik het polderlandschap vervagen. Ik zag voor me hoe dat landschap een schilderij zou worden, en heb toen gelijk een foto gemaakt – als visueel geheugensteuntje en als uitgangspunt.’

Hoe zou je je eigen werk karakteriseren?
‘Mijn schilderijen gaan vooral over schilderen. Dat is ook waarom dat schilderen zelf, het proces, zichtbaar blijft. Mijn beeldmateriaal is vrij persoonlijk, vooral in het geval van de familiealbums waar ik me soms op baseer, maar mijn benadering tijdens het schilderen is formeel. Ik let op vorm, kleur, lijnen. De oorspronkelijke betekenis van de afbeelding is dus veel minder belangrijk dan de manier waarop ik in verf de voorstelling heb vertaald. Als ik bijvoorbeeld een kerk schilder, doe ik dat niet omdat ik een religieus gevoel wil uitdrukken maar omdat de vorm van de kerk me aanspreekt. En ik laat erg veel details die ik voor het beeld onbelangrijk vind weg. Dat geeft een openheid die er voor zorgt dat de beschouwer zelf ook een beetje aan het werk moet. Dat vind ik veel boeiender dan een compleet plaatje. (Ze wijst op haar schilderij Wave.) Wanneer ik er in kan slagen om in een paar bewegingen een golf neer te zetten en het is uiteindelijk zowel verf als golf, dan vind ik het een interessant beeld.’

Wave
Wave

(Marie laat me op haar telefoon een schilderij zien van een vrouw, By Firelight (1908). De maker is Samuel John Peploe, een Schotse postimpressionist.) Het is tegelijkertijd duidelijk verf én een voorstelling; dat herken ik in jouw werk.
‘Ik vind het belangrijk dat je de verf goed kunt zien. De zichtbare verf maakt dat je kunt zien wat ik al schilderend gedacht en gedaan heb: het toont een soort proces. Het is voor mij de uitdaging, zoals ik net al even noemde, om met zo min mogelijk een voorstelling neer te zetten. Dat betekent automatisch dat de handeling zichtbaar blijft, want die poets ik niet weg. Wanneer mensen zeggen: “Die kerk van jou bestaat maar uit zes strepen”, dan bewijst dat voor mij dat er inderdaad maar zo weinig nodig is geweest om die kerk overtuigend neer te zetten. En dat niet alleen ik dat zie, maar dat een ander dat ook zo herkent.

Speelt het narratief van een foto mee in je schilderijen?
‘Van figuratieve kunst wordt vaak gedacht dat die ook iets verhalends heeft, maar in mijn werk is dat niet per se zo. (Ze wijst op een schilderij van een drijvende, doch onbemande kano.) Die foto kwam ik tegen in een fotoalbum van mijn ouders; ze is gemaakt tijdens een vakantie. Het contrast tussen het blauwe water en de gele kano was wat me aansprak. Toen ik het schilderij af had werd ik toch geboeid door iets dat je verhalend kunt noemen: er zat niemand in die kano. Met zo’n ontdekking achteraf kan ik ook zeker blij zijn.’

Je ‘begon’ met landschappen schilderen. Waarom?
Ik groeide op in de Achterhoek en wandel graag. Daardoor hebben landschappen altijd wel een aantrekkingskracht gehad. Vanaf het begin van de academietijd tot en met nu is het alledaagse altijd wel een prettig uitgangspunt voor het schilderen geweest. Daarbij horen ook het landschappelijke van mijn omgeving toen en de omgevingen die ik nu opzoek. Het beginnen met schilderen van landschappen had ook te maken met mijn favorieten uit het begin van mijn academietijd, die ik nog steeds hoog heb zitten: schilders als Turner en Whistler. Niet alleen het landschap sprak me aan bij deze schilders, maar ook hun behandeling van verf en de manier waarop ze hun kleuren gebruikten.

In de hoek staan een aantal schilderijen met hun rug naar ons toe. Hoe zit dat?
‘Dat is de strafhoek voor afgekeurde schilderijen. (Lacht.) Als een schilderij niet goed is, zet ik het weg. Overschilderen is vaak onhandig, want je blijft de ‘fouten’ zien. Daarnaast koop ik veel doeken in één keer; dat maakt de drempel om een werk zo snel af te keuren en weer te starten met een nieuwe, minder groot. (Marie wijst naar een hoek in het atelier waar diverse schilderijen met hun rug naar ons toe tegen de muur staan.) Ik werk ook snel: een goed schilderij is vaak binnen een half uur af.’

Tot slot: heb je een idee over je werk er in de toekomst uit zal zien?
‘Dat weet ik echt niet. Toen ik vier jaar geleden van de academie af kwam, dacht ik nog dat ik een landschapsschilder was, maar dat vind ik nu veel te beperkend. Het is belangrijk om mezelf uit te blijven dagen qua onderwerpen en techniek, om eens iets anders te proberen – bijvoorbeeld een keer niet eerst de achtergrond schilderen en daarna de voorgrond, maar beide vrijwel gelijktijdig te schilderen. Of ik schilder eens met m’n linkerhand, die niet in schilderen getraind is. In mijn atelier en op exposities hangen ook altijd doeken uit diverse series, zodat de onderlinge diversiteit te zien is. Ik ben jong en moet er niet aan denken om nu al mijn definitieve stijl ontwikkeld te hebben – laat staan dat ik nog jaren op deze manier moet schilderen.’

Website Marie Reintjes