Mister Motley heeft een boek gemaakt. Koop hier 'Dit is een vertaling'.

Image

Het bevechten van de neo-liberale hel – Op bezoek bij Caesuur

20-10-2019 Puck Kroon

Mister Motley spreekt komend najaar met initiatiefnemers van alternatieve tentoonstellingsruimtes door heel Nederland. Vaak wonen zij in hetzelfde pand, leveren veel vrije tijd in en verdienen niet of nauwelijks aan een dergelijke plek. Waarom vinden ze het dan toch belangrijk om een kunstinitiatief draaiende te houden? Wat maakt dat zij de hedendaagse kunstenaar zoveel van hun eigen tijd, ruimte en energie geven en wat dragen deze plekken bij aan het Nederlandse kunstklimaat? Vandaag deel 2: een bezoek aan Hans Overvliet van Caesuur in Middelburg. 
 

Hans Overvliet is beeldend kunstenaar en heeft in de meer dan 65 jaar dat hij op deze aarde leeft een schat aan kennis opgedaan. Hij kraakte panden, leidde protestacties met twintigduizend anderen, werkte als journalist in het Midden-Oosten, begaf zich in het onderwijs als docent, zocht naar vormen van organisatie, maar bovenal: hij stelde kritische vragen. En dat doet hij nog steeds. Overvliet heeft hart voor de kunst en heeft een scherpe visie op het kunstenaarschap ontwikkeld. Zijn drijfveren zijn een onderzoekende, open houding, maar ook de woede over het aanhoudende geweld in vooral het Midden-Oosten en hoe de media daarover berichten. Kunstruimte Caesuur bestaat uit een klein aantal vierkante meters oppervlakte met grote etalageramen en witte schotten die de ruimte scheiden van het huis waar Overvliet en Willy van Houtum (partner en mede-organisator) wonen. Vandaag ben ik bij hen op bezoek in Middelburg en ga ik in gesprek met Overvliet over deze bijzondere, maar alledaagse plek.


Puck Kroon: Mijn vorige interview in deze reeks was met Thijs Rhijnsburger van de Apotheek, wat vond je van zijn houding ten opzichte van het kunstplatform? 
Hans Overvliet: ‘Die gast vertelde er bijzonder over. Ik vind het interessant hoe een kunstplek zelf produceert in plaats van alleen cureert door het situationele uitgangspunt van de ruimte. Dat vind ik echt te gek.’​​​​​​ 

PK: Hoe zou je kunstruimte Caesuur omschrijven? Wat voor plek is dit?
HO: ‘We bestaan ondertussen bijna 25 jaar. Willy en ik zijn de kern: ik ben beeldend kunstenaar, Willy niet. Daaromheen hebben we altijd een groepje vrienden of kunstenaars gehad die ons aanvulden. Op dit moment zijn dat de schilder Giel Louws en de multimedia-meneer Dani Ploeger. We runnen Caesuur dus met z’n vieren en in die zin is het een kunstenaarsinitiatief. We proberen de tentoonstellingen, kunstenaars en/of praktijk zo dicht mogelijk bij onze eigen kunstpraktijk te houden. Dat wil zeggen dat we cureren vanuit de houding die je terugvindt in onze individuele kunstpraktijk.’

PK: Waaruit zijn jullie eigen voorwaarden en de noodzaak tot het oprichten van Caesuur te herleiden?
HO: ‘Er is een interne noodzaak en een interne noodzakelijkheid bij ons om zoiets te doen en dat heeft er - bij mij - alles mee te maken dat ongeveer 25 jaar geleden de neo-liberale hel is uitgebroken. Ik zag het grote misverstand opkomen dat de maatschappelijke activiteiten in een aantal loketten zouden worden opgedeeld om die loketten vervolgens een voor een te sluiten. Dat is iets wat in de jongste geschiedenis de strategie is van het kapitaal. Je hoort het al, ik ben van 1952. Ik ben opgegroeid met Marx, Engels, Frankfurter Schule, Nietzsche en Foucault. De beeldende kunst is ongelofelijk belangrijk in z’n intrinsieke waarde en alles wat met intrinsieke waarde te maken heeft, wordt door het neo-kapitalisme vroeg of laat vernietigd omdat het intrinsieke zich niet laat meten in grootheden als geld. Helaas heb ik gelijk gekregen. Het sociale contract waar Locke in 1850 over schrijft, “ik betaal belasting, ik ben gehoorzaam en de staat zorgt voor veiligheid”, is eenzijdig opgeblazen. De kunsten werden ook bij het grofvuil gezet. Enerzijds ligt de noodzakelijkheid van het opzetten van deze ruimte dus in de intrinsieke waarde en in wat wij belangrijk vinden: de autonomie van de hedendaagse beeldende kunst en het gesprek over kunst. Anderzijds maken we met Caesuur ook een statement door tegen het neo-liberale standpunt van waarde en winst in te gaan. We cureren altijd op kwaliteit, wat puur subjectief is, maar er tegelijkertijd voor zorgt dat een tentoonstelling niet kán mislukken.’

Anderzijds maken we met Caesuur ook een statement door tegen het neo-liberale standpunt van waarde en winst in te gaan. We cureren altijd op kwaliteit, wat puur subjectief is, maar er tegelijkertijd voor zorgt dat een tentoonstelling niet kán mislukken.

PK: Hoe zorgen jullie ervoor dat het over de kwalitatieve inhoud blijft gaan en de kunstenaars zich niet conformeren aan wat de ander wil zien?
HO: ‘Op onze manier hebben we met Caesuur een plek gecreëerd waar honderd procent ruimte is voor kunstenaars om hun ding te doen; we hebben gemerkt hoe belangrijk het is vanuit een bepaalde veiligheid te kunnen werken en het volledige vertrouwen te geven. Het komt goed, ik ben er en ik sta naast je en als het nodig is ga ik voor je staan. Dat zijn dingen die je bij een instituut of galerie niet snel zal horen. We geven inhoudelijke ondersteuning, maar nemen ook alles eromheen op ons zoals het maken van een uitnodiging en het kopen van een fles wijn. We genieten enorm van het feit dat iemand met ons de communicatie aangaat door middel van een bijzondere, kwetsbare taal. In de wereld waar we elkaar niet meer aanraken, we niet meer bij elkaar langskomen en alles het liefst via de mail afhandelen, is dat een godsgeschenk.'

PK: Zijn er in Zeeland nog meer plekken die open staan voor de kunstenaar van buiten?
HO: ‘Daar kan ik heel kort en krachtig over zijn. Een kleine kelder in Middelburg, Mon Capitaine van Kees de Valk en Harry Vandevliet, een klein schooltje in Burgh-Haamstede, de Bewaerschole, een recent geopende presentatieplek in Zeeuws-Vlaanderen van Maartje Korstanje en natuurlijk Caesuur. Wat betreft grafiek heb je in Middelburg de Roofprintpers. Er is dus nauwelijks plek. Toen we Caesuur oprichtten was het een uitgangspunt om meer ruimte voor kunst te creëren vanuit het feit dat er zo weinig aanbod is. Instituten hebben hun naam hoog te houden, wij hoeven dat niet. Met Caesuur kunnen we inspelen op wat zich voordoet zodat we niet vastroesten en inhoudelijk in beweging blijven.’

PK: Hoe hebben jullie Caesuur tot een ruimte gemaakt waarbij kunstenaars die hier naartoe komen een laag toevoegen - het voelt alsof de ruimte in 25 jaar laag voor laag is gevormd? Hoe zorgen jullie dat de eigen voorwaarden blijven bestaan zonder in vrijblijvendheid te vervallen?
HO: ‘Bij de Apotheek zit de vloeibaarheid in de locatie. Hier wordt de ruimte inderdaad geladen met herinneringen, ervaringen en consequenties. Caesuur is een meerlagig verhaal, zoals goede kunst dat ook is, een oeuvre waarvan bezoekers hun eigen verhaal kunnen maken. Caesuur is van alle bezoekers, kunstenaars, schrijvers en organisatoren die hier zijn geweest. Het mooie aan de lijfelijke aanwezigheid is het blootgeven en de mogelijkheid het daarover te hebben. Het feit dat bij verschillende mensen verschillende tentoonstellingspraktijken resoneren, ontroert me. Ik vind dat fucking briljant!’


PK: Wat is volgens jou de kracht van de kleine oppervlakte van de ruimte?
HO: ‘Het benadrukt de waarde die we toedichten aan intimiteit en intrinsieke waarde. Doordat de gevel uit twee grote winkelramen bestaat moet de kunstenaar rekening houden met de keuzes wat betreft de inrichting om het te laten communiceren met buiten. Op een gegeven moment hebben we met stoelen uit de oude bioscoop een tribune gebouwd waar twintig mensen konden zitten. Bij tien voorstellingen vroegen we de bezoekers: ga daar zitten, kijk naar buiten. C’est tout. Dat ging over de intimiteit van de ruimte in relatie tot de straat. Mensen kijken naar binnen, jij kijkt naar buiten. Dat maakt die ruimte supergroot en onderdeel van de infrastructuur van de stad.’

PK: Wat is de waarde van Caesuur in de stad? Welke rol heeft Caesuur?
HO: ‘Nul. Het gaat hier niet om de bezoekersaantallen. Er komt een vast clubje van ongeveer veertig bezoekers terwijl er online per tentoonstelling zevenduizend tot achtduizend mensen een virtueel kijkje op de website of in de catalogus nemen. De wethouder en de beleidsambtenaar komen hier niet. Op straat zien met name kinderen de ruimte. Op vrijdag poetsen we de ramen en zien we op kindhoogte afdrukken van vingertjes en neusjes. In die zin hebben we ontzettend weinig betekenis voor de stad, maar voor individuele kunstenaars zijn we hartstikke belangrijk doordat we een veilige, vertrouwelijke plek voor experiment hebben gecreëerd.’

PK: Wat zijn de criteria die jullie hanteren in het kiezen voor kunstenaars?
HO: ‘We nodigen kunstenaars uit. Intuïtief op kwaliteit, urgentie, integriteit en of het iets te maken heeft met onze onderzoekende houding. De houdingen die wij vier hebben zijn allemaal anders. Dat zorgt voor een diversiteit binnen de tentoonstellingen bij Caesuur. Het komt daarnaast niet in me op om nee te zeggen wanneer iemand met een voorstel komt. Zoals ik al eerder over vertrouwen zei: als ik je de sleutel geef, geef ik je de sleutel. Dan is het huis van jou.’

Het komt daarnaast niet in me op om nee te zeggen wanneer iemand met een voorstel komt.

PK: Hoe werken jullie als springplank?
HO: ‘Op het moment dat er geen veilige experimentplekken meer zijn zoals Caesuur, moet je als kunstenaar in één keer de drempel nemen om naar een instituut toe te stappen. Wanneer je werk daar niet goed ontvangen wordt, ben je de lul. Hier kunnen makers in de veiligheid, in de luwte experimenteren. In die zin - en dit mag er wel in - snap ik niet dat academies dit niet tot hun staande beleid maken door in de stad waar ze niet zitten zo’n plek op te tuigen. En niet één plek, maar drie. Academies doen alsof dat allemaal in huis is nu; dat zorgt voor een veel te veilige bubbel. Bovendien bemoeit iedereen zich ermee, want de meester staat boven de leerling.’

PK: Wat zou je graag toevoegen aan de kunstwereld?
HO: ‘Wat ik ook oprecht mis, is intellectualiteit. Er is bijna geen gesprek meer op niveau. Het is identitair, het gaat over ‘het zelf’ of over gevoel. Vreselijk. Doordat cultuur een duidelijker definitie heeft dan kunst, wordt kunst aan de kant geschoven. Het is een foute gedachte dat kunst niet voor iedereen is. Op het moment dat kunst onder het kopje cultuur wordt geplaatst, wordt het bijna festivalisering van het hele beleid. Subsidies worden gekort wanneer het over kunst gaat, want “dat is alleen maar onbegrijpelijk gedoe”. Het is juist belangrijk je hard te maken voor het behoud van die subsidies, het is er dus benut het ook! Een ingewikkeld aspect aan dat de kunstwereld is meegetrokken in die neo-liberale terreur is “de kunstenaar als ondernemer”. Ik heb eerlijk gezegd nog nooit zoiets doms gehoord. Het suggereert dat wanneer je een van de twee, liefst beiden goed doet, jij de volgende Rembrandt wordt. Ik heb altijd geloofd in communities en ik heb formele argumenten waarom je het samen moet doen. Ik heb gezien dat dat werkt. Ik heb gezien dat als je met 240 duizend mensen in Amsterdam liep en zei “Nee!”, er iets niet gebeurde. Tijdens het maken van tachtig tot honderd tentoonstellingen, hebben we met minstens honderdvijftig mensen contact gehad. Dat heeft nooit tot een community geleid terwijl ik dat wel graag had zien gebeuren. Daarin heb ik mezelf teleurgesteld. Ik moet heel erg mijn best doen om niet cynisch te worden van de individuele maatschappij waarin we leven.’


PK: Zou dat te maken kunnen hebben met dat er binnen deze maatschappij vaker de gedachte in ons opkomt: ik wil dit in mijn eentje oplossen, ik begin bij mezelf en dan zal de rest wel volgen?
HO: ‘Dat is naar mijn gevoel een heel belangrijk argument. In The Guardian stond deze week een aardig artikel over dat mensen hun afval scheiden en denken dat daarmee het probleem is opgelost. Dat is nou typisch zo’n neo-liberaal ding - natuurlijk moet je dat doen, wij doen het ook - maar het is veel effectiever om met z’n honderden naar dat ene bedrijf te gaan en te zeggen: nou is het klaar met dat gezeik. Misschien zijn we weer op een punt gekomen dat we opnieuw moeten nadenken over hoe we verzet en protest vormgeven.’

Misschien zijn we weer op een punt gekomen dat we opnieuw moeten nadenken over hoe we verzet en protest vormgeven.

PK: Ondanks de teleurstelling, ben ik toch benieuwd naar wat Caesuur je brengt - als mens, als filosoof, als kunstenaar, als criticus?
HO: ‘De kern is dat Caesuur elke seconde de bevestiging geeft dat hedendaagse kunst ertoe doet. Het is voorwaardelijk en geeft context aan mijn leven. Daar ben ik trots op. Het is een voorwaardelijk fenomeen en zoals elke voorwaarde, moet je die onderhouden. Dus dan maak je een uitnodiging, typ je een persbericht, poets je de ruimte, veeg je de ramen, maak je de gaatjes dicht, haal je koffie bij de AH en wijn bij de Sligro: al dat soort volstrekt banale dingen zijn onderdeel van het noodzakelijk bestaan van deze ruimte.’

PK: Een paar honderd meter verderop zit de Vleeshal, een centrum voor hedendaagse beeldende kunst die andere voorwaarden hanteren wat betreft het maken van tentoonstellingen - welk advies geef je directeur van de Vleeshal?
HO: ‘Veel musea zitten gevangen in de hedendaagse kunstwereld en het lijkt me interessant om te zien wat er gebeurt wanneer ze veel radicalere dingen doen. Het experiment mag zich wat mij betreft weer mengen binnen de muren van de instituten om de spanning in de “gevestigde kunstwereld” terug te brengen.’ 

Zie www.caesuur.nu voor meer informatie, catalogi en tentoonstellingen of bezoek Caesuur, Lange Noordstraat 67, 4331CC Middelburg (beperkte openingstijden). 

Ook adverteren op mistermotley.nl? Stuur dan een mail naar maurits@mistermotley.nl