4 jaar geleden bezocht Gijs Assmann Ad Gerritsen in zijn atelier. Een gesprek van kunstenaar tot kunstenaar:

In een poging ze uit het zicht van mijn twee puberende dochters te houden bewaar ik mijn verzameling boeken over amateurfotografie op een boekenplank in mijn slaapkamer net iets boven ooghoogte. Het zijn catalogi van privéverzamelingen met medische fotografie waarin de geestelijke en fysieke afwijkingen visueel worden uitgespeld, met geilmakende amateurpornografie, en politiefoto’s van het plaats delict. De foto’s werken als een mokerslag. Haast terloops, zonder nadruk op gruwel of geilheid, is er geregistreerd. Ze zijn niet opgepoetst of mooier gemaakt. Wat beklijft is de echtheid ervan. Elke dag passeer ik de plank en huiver en kijk ik even in een van deze boeken. Het zijn het soort foto’s waar ik mijn dochters liever nog even van weghoud.

I
Ad Gerritsen werd in 1940 vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in Arnhem geboren, de stad waar hij nog steeds woont. Na zijn middelbare school studeerde hij anderhalf jaar aan de kunstacademie in Arnhem, maar na een conflict met een docent, die hem (in zijn ogen) te autoritair een manier van schilderen oplegde, besloot hij zelf verder te gaan. Een moedige stap, want hij besefte tegelijkertijd dat zijn talent voor schilderen niet virtuoos was. Al in het begin van zijn loopbaan had hij verschillende tentoonstellingen waar zijn werk enthousiast werd ontvangen. Je zou dus met gemak kunnen zeggen: Gerritsen had een succesvolle carrière. Toch besloot hij, na ruim tien jaar schilderen, in 1972 te stoppen met schilderen. ‘Ik liep vast met schilderen,’ zegt Gerritsen. ‘Ik keek naar de wereld door een passe-partout, door een lijst, ik kon niet meer onbevangen kijken. En, ik wantrouwde het snelle succes.’ Hij gaat fotograferen, maakt installaties en werkt als creatief therapeut in een psychiatrische inrichting. In 1979 keert Gerritsen, even bruusk als hij vertrok, terug bij de schilderkunst.

In 1985 begon ik mijn studie aan de kunstacademie in Enschede, de Akademie voor Kunst en Industrie (AKI). Tijdens de introductieweek werden wij in een bus naar een pannenkoekenhuis in Delden gereden. Daar hield directeur Sipke Huismans een gloedvol betoog waarin hij vertelde dat wij zouden worden opgeleid tot goede mensen, en niet zozeer tot goede kunstenaars. Dat wekte mijn verbazing. Er waren voor mij destijds meer onbegrijpelijkheden in de manier waarop kunst werd onderwezen. Een van mijn docenten was destijds Ad Gerritsen en hij sprak met studenten als gelijken. ‘Ik geniet steeds meer van het moment dat het schilderij niet doet wat ik wil,’ zei hij bijvoorbeeld. Ik knikte, maar begreep er niets van. Hoe kun je als student de ervaring delen met iemand met een beroepspraktijk van 25 jaar? Alsof een blinde moet begrijpen wat ‘rood’ is. En waarom propageerde diegene die mij moest gaan leren hoe je kunst moet maken ‘het niet-weten’?
Nu, 25 jaar later, valt het me nog steeds zwaar om te genieten van een werk in wording dat niet doet wat ik wil. Mijn schilderijen werken niet altijd mee, en hetzelfde gebeurt me bij het maken van sculpturen, keramische objecten en installaties. Maar ik weet – door die ene zin van Ad – dat ik dan wel op het goede spoor zit. Hier valt immers wat te halen. Het werk fluistert mij opties toe die ik niet had voorzien. Onder mijn handen ontwikkelt het werk zich complexer dan ik met mijn hersenen had kunnen bedenken.

Bij meerdere gelegenheden heeft Gerritsen aangegeven het gevoel, of de gevoelsuitdrukking die kunst placht te zijn, te wantrouwen. ‘Ik ben geen wilde schilder. Ik heb een groot wantrouwen tegen mijn eigen expressie, mijn emoties.’ Het schilderen dient een ander doel. In de periode tussen 1972 en 1979 zocht Gerritsen al intensief naar manieren om, met behulp van rationele systemen en fotografie, de gevoelsuitdrukking objectiever in kaart te brengen. Schilderend deed hij dat door in zijn portretten expliciet te verwijzen naar fysionomie. Deze negentiende-eeuwse wetenschap ging ervan uit dat men het karakter van een persoon aan zijn uiterlijk kon aflezen, en men probeerde gevoelsuitdrukkingen te kaderen en te onderzoeken, zakelijk en objectief. ‘Ik vind dat je bij het maken van kunst een beschouwer moet zijn, afstand moet nemen tot je onderwerp, wil je er iets mee kunnen.’ In zijn schilderijen probeert hij zijn onderwerp daarom in de kaalst mogelijke vorm te laten zien, niet aangezet met bedachte concepten, geen beschouwing over de verf zelf, geen mooimakerij. Ik ben geneigd te denken dat zijn vroege jeugd in de oorlog en zijn achtergrond als autodidact en relatieve buitenstaander behulpzaam zijn bij deze objectivering.

Ad Gerritsen Attitude PassionelleIV 2003-2009 olieverf op doek 120x100cm
Ad Gerritsen Attitude PassionelleIV 2003-2009 olieverf op doek 120x100cm

II

Aanleiding voor het werk van Gerritsen zijn foto’s. Foto’s die hij in de krant vindt, maar ook foto’s uit wetenschappelijke en historische boeken en tijdschriften, zoals Het Rijk van de Vrouw, mode en dameshandwerken (weekblad voor dames), Invention of Hysteria (over de ziekte van de onrust die men waarnam bij onbevredigde vrouwen) en Überflüssige Menschen (een boek over verschoppelingen in de crisistijd voor de Tweede Wereldoorlog). De foto’s die Gerritsen kiest zijn eigenlijk altijd beladen, maar vaak ontgaat de impact of context je, bijvoorbeeld bij een portret van een familie van jodenverraders, een picknick of een samenkomst van geleerden, beeltenissen van de kinderen die door fundamentalistische vrijheidsstrijders gegijzeld werden in het Russische Beslan. Andere portretten zijn beter te plaatsen, zoals Poncke Princen of Max Beckmann met zijn vrouw Quappi schaatsend tijdens hun ballingschap in Nederland, de recente serie portretten van dictators, of de keramische schalen met beeltenis van de lijdende Christus.
Met deze foto’s gaat Gerritsen aan het werk, als een verkenning van het beeld. Daar heeft hij zo zijn methoden voor, stap voor stap, altijd beheerst en afgewogen. In sommige gevallen laat hij een heel tijdschrift waarin hij bruikbare afbeeldingen vindt intact, maar schildert hij in één kleur de voor hem niet ter zake doende informatie weg. Tekst wordt overschilderd, achtergronden verdwijnen. Toevalligerwijs lijken juist de fragmenten met symbolische of duidende kracht gespaard te blijven van overschildering. In andere gevallen worden de bronnen niet overgeschilderd maar uitgeknipt. Gerritsen mengt fragmenten van verschillende herkomst door ze tot collages samen te lijmen. Te midden van een dramatische gebeurtenis kan plots een schaars geklede vrouw verschijnen. Op een afbeelding van een evacuatie na een bomaanslag in de Londense metro glimlacht een model ons schalks toe. Ik lees deze zinnelijke verschijning als een relativering van de emotie die het drama oproept.
De overschilderingen en collages zijn noodzakelijke vertalingen van zijn bronnen, en ze vormen de basis voor een schilderij. Want uiteindelijk moet het een schilderij worden. Hij trekt ze over, of projecteert ze met een episcoop op het schildersdoek. Het is dankzij die voorbereiding, door de tussenstappen en vervolgens door zijn bijna stroeve manier van schilderen, in vereenvoudigde vlakken en in zeer uitgesproken en gearticuleerde kleuren, dat hij de noodzakelijke afstand bereikt die hij tot het onderwerp zoekt. Het ongemak van het werk zit zo niet in de opeenstapeling van hoeveelheden beelden en betekenissen, maar juist in de relatieve leegte waarmee het schilderij je als toeschouwer confronteert. Het ontbreken van handvatten om het werk te lezen wekt onrust en ongemak. Een geconstrueerd ongemak. Als kijker voel ik mij vaak betrapt: als ik kijk naar het werk van Gerritsen merk ik dat ik mij bewust word van de manier waarop ik kijk en ervaar, van mijn esthetische verlangen, mijn smaak, mijn zoeken naar betekenis en verlangen naar duiding, en dat ik betekenis en zin construeer. Het schilderij functioneert zo als spiegel.
Tegelijkertijd onderzoekt Gerritsen al werkende zijn eigen motieven en fascinaties voor de keuze van een foto. Gerritsen over het motief van het werk Maskotte: ‘Hoe komt iemand ertoe om zich gezellig te laten portretteren als hij ook voor vijftig gulden een familie joden heeft aangegeven? Maar ook: waarom fascineert mij dit zo? Het schilderen is een poging om mijn onbegrip hierover helder te krijgen. Niet dat ik er veel wijzer van word, maar ik houd er soms wel een mooi schilderij aan over.’ Door de bepaling weg te laten maakt Gerritsen mij als toeschouwer niet blind. Er ontstaat een soort leegte waarin ik – soms aan de hand van een titel van een schilderij – eenzelfde weg van verwondering, huivering en ontwaren doormaak als de maker zelf.

Dat dit niet altijd bij iedere toeschouwer lukt, bleek bij een presentatie van zes portretten uit de serie Dictators in de aula van de universiteit van Nijmegen. Twee studenten uit Zuid-Amerika stoorden zich aan het portret van Pinochet. Waarschijnlijk werd het door hen geïnterpreteerd als eerbetoon: een portret van een dictator = de dictator gelijk geven. Gerritsen stelde voor om met hen te praten, zijn motieven toe te lichten, maar de universiteit wilde het gesprek niet aan. Je had gehoopt op een meer open en onderzoekende houding, in lijn van de uitspraak van Susan Sontag in haar boek Against Interpretation (1966): ‘We must learn to see more, to hear more, to feel more (…) to show how it is and what it is, even that it is what it is, rather than to show what it means.’ Na 47 jaar is haar uitspraak nog even accuraat en relevant als toen. En bij uitstek van toepassing op de werkwijze van Gerritsen. Waar je verwacht dat zo’n serie schilderijen het begin van iets is, een opening biedt, bleek het een slotakkoord. De schilderijen werden verwijderd.

III
Tegenover de ‘ontlede’ portretten van Gerritsen komt mijn eigen werk over als uitbundig en overdadig. Ook ik maak gebruik van motieven en citaten uit niet-moderne-kunst-disciplines zoals volkskunst, de christelijke iconografie en de pornografie. Door deze motieven en citaten te mengen met humor, door het gebruik van veel felle kleuren en door materialen als glitter, knopen en applicaties toe te voegen zorg ik ervoor dat de zwartgallige inhoud hanteerbaar en draaglijk blijft. Ik zie het scheppen van kunstwerken als het verbeelden van het spanningsveld tussen onze hoop op geluk en het onvermijdelijk menselijk falen daarin. Het maken van werk is voor mij een manier om omgang te vinden met dit gevoel van melancholie, door het gebrek theatraal belachelijk te maken volgens de formule: waarheid + pijn = comedy.
‘Waarheid’ is relatief, zeker in een kunstenaarsatelier. In de voorbereiding van een opdracht kwam ik ooit in contact met een protestants kerkgenootschap. Pratend over ‘Het Goede’ legden zij mij twee tegengestelde waarheden in hun gemeenschap uit. Een groep gelovigen geloofde dat in ieder mens zowel Het Goede als Het Kwade aanwezig is. Ieder mens kan zelf een van de twee kiezen. Een andere groep gelovigen echter hing de overtuiging aan dat de mens zelf uitsluitend in staat is tot Het Kwade. Alleen door interventie van buiten, door Goddelijke genade, is de mens in staat tot Het Goede. Zelf ben ik niet zo optimistisch over het vermogen van de mens om zijn eigen lot tot iets goeds te keren. Een mens is hooguit in staat om geluk en groei te vinden in zijn relatie tot ‘de ander’.

Ad Gerritsen is voor mij die ‘ander’. In mijn atelier heb ik nooit ‘het publiek’ in gedachten, ik werk eigenlijk voor twee of drie mensen. Ze zijn virtueel aanwezig, alsof ze op mijn schouder zitten en meekijken. Ad Gerritsen is één van die mensen. Hoewel hij niet tegen me praat, geen tips of aanwijzingen influistert, is hij er wel altijd, als een extern geweten. Want hij toont de werkelijkheid zonder moraal en zonder uitleg. Het is aan de kijker die realiteit gewaar te worden, te herkennen. De ervaring die ik heb als toeschouwer zou – met een lange omweg vertaald – wel eens heel dicht bij de oorspronkelijke ervaring kunnen liggen die Gerritsen had bij het zien van de oorspronkelijke foto die hij koos als aanleiding voor het werk. Schilderen is zo ervaarbaar maken, en kennis ontsluiten via ondervinding.
Uiteindelijk is voor mij het enige dat telt ‘echtheid’. ‘Echtheid’ als in ‘waarheid’. ‘Echtheid’ komt met ervaringen, en niet uit ideeën, slimme plannetjes of concepten. Ook ik worstel met de verhalen van de boeken die in mijn slaapkamer op de plank staan. En ook het maakproces is van belang. Is het maakproces slechts uitvoering van een idee, dan valt er voor de toeschouwer – denk ik – weinig te beleven. Essentieel in dit proces is het kunnen beleven, en het loskomen van een gekende en bestaande ordening. Dat is wat Ad bedoelde op de Akademie! Maar waar Ad Gerritsen de situatie totaal open houdt, laat ik mijn wat somberder visie op de mens zien. Vaak wenste ik mij Gerritsens milde houding toe, niet alleen als kunstenaar, ook als mens. Had Sipke Huismans toch gelijk toen ik in Delden naar hem luisterde tijdens het eten van een pannenkoek. Een goed mens te zijn. Maar wel een die óók prachtige schilderijen maakt, voeg ik er dan aan toe.

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in de papieren versie van mister Motley en daar, onder hoofdreactie van Hanne hagenaars