Mister Motley heeft een boek gemaakt. Koop hier 'Dit is een vertaling'.

Image

Ik wilde voor mijn 28ste in het Stedelijk hangen

25-01-2016 Lieneke Hulshof

In gesprek met Berend Strik
Wanneer vijfentwintig jaar geleden een docent van de Rijksakademie zijn werk laat zien aan Berend Strik en diens medestudenten, zijn ze kritisch. Ze willen alles weten. De studenten stellen zulke scherpe vragen dat de docent uiteindelijk niet meer uit zijn woorden komt. Ze willen uitkomen op het punt dat ze kunnen zeggen:’’ Zie je wel, het is kut met peren, hij weet niet waar hij het over heeft.’’ De jonge aankomende kunstenaars hebben sterk het gevoel dat ze beter moeten zijn dan de kunstenaars die op dat moment hoogtij vieren, ze moeten hun plek winnen.

Vorig jaar besloot Berend Strik zijn eigen studenten mee te nemen naar zijn atelier. Geheel voorbereid te zijn op een gesprek met kritische vragen, laat hij ze zijn werk zien dat richting de galerie in New York gaat. Maar de kritische vragen blijven uit. Het werk zegt de studenten niets. 
Volgens Strik is de positie van de hedendaagse kunstenaar veranderd en dit kan verklaren waarom zijn studenten geen kritische houding hebben ten opzichte van zijn werk. Hij stelt dat het opzichzelfstaande kunstwerk tegenwoordig veel minder belangrijk is geworden. Het kunstwerk kan een heel ander ding zijn. Kunst was altijd al conceptueel, maar nu kan het ook een gesprek zijn of een object van de rommelmarkt, een printje van internet. Het is een platform geworden dat op allemaal manieren gebruikt kan worden. Het werk staat dan ook veel minder tussen de kunstenaar en zijn publiek in. Het gaat er nu om dat je als kunstenaar iets kan betekenen in de maatschappij. ‘’Het gaat meer om het kunstenaarschap in plaats van het kunstwerk en dat is wezenlijk anders’’.

Ik praat met Berend Strik in het rechter gedeelte van zijn atelier tussen de stapels boeken waar het stil en rustig is. In het andere gedeelte naaien zijn assistentes geconcentreerd garen door geprinte foto’s heen. Twintig jaar na zijn grote doorbraak met een solo in het Stedelijk Museum is Berend Strik een gevestigd kunstenaar die de Nederlandse kunstwereld en kunstmarkt door en door kent. We hebben het over welke rol succes heeft gespeeld in zijn carrière en hoe het kan dat succes altijd betrekkelijk is. 

Lieneke Hulshof (LH): ‘Heb jij het grijze gebied ervaren toen je afstudeerde van de Rijksakademie?’
Berend Strik (BS): ‘Nee, eigenlijk niet. Ik kan me nog goed herinneren dat toen ik klaar was met de Rijksakademie, ik ging verhuizen in een busje samen met vrienden van de academie. In dat busje had ik toen heel sterk het gevoel: Nu gaat het kunstenaarschap beginnen. Ik wilde een eigen weg ingaan. Destijds leefde ik anders dan nu. Je hebt weinig geld nodig, de mentaliteit is daarbij ook anders; je bent volledig open voor alles wat er op je af komt. De generaties die nu op de Rijksakademie zitten willen nog naar Goldsmith om zich verder te ontwikkelen. Ze gaan netwerken en kunnen voor weinig geld een lange tijd werken bij diverse kunstinstellingen. Zo geraffineerd waren we niet. Ik vond dat ik ook eens op eigen benen moest staan als kunstenaar. Ik wilde voor mijn 28ste in het Stedelijk hangen. En dat gebeurde ook middels een groepstentoonstelling. Ik had een enorme ambitie en voelde dat ik het voor elkaar ging krijgen.’ 

(LH): Voor je 28ste hing je al in het Stedelijk Museum. Is het van belang om al op jonge leeftijd te beginnen met exposeren? 
(BS): ‘Dat hangt van je kunstenaarschap af. Ik vond het fijn dat je door exposeren, door vallen en opstaan, leert wie je bent als kunstenaar. Ik had niet veel later een solo in het Stedelijk museum ten tijde van Rudi Fuchs. Tien ruimtes mocht ik vullen. Anderhalf jaar ben ik uit mijn dak gegaan. Sommige bezoekers en critici waren enthousiast, sommigen niet. Het was misschien verstandig geweest de vier beste werken uit te kiezen en daarmee door te breken, maar ik vond het fantastisch om te doen. Daar gaat het uiteindelijk om.’

(LH): Welke rol moet een (beginnende) kunstenaar volgens jou invullen binnen de (kunst)wereld? 
(BS): ‘Het is denk ik belangrijk dat jonge kunstenaars goed onderzoek doen naar hun eigen werk. Wat willen ze dat hun werk teweeg brengt? Stel jezelf bijvoorbeeld de vraag in wat voor terrein het werk zich bevindt. Ook moet je niet te hard gaan in het begin, dan verlies je het contact met het werk. Neem kleine stapjes: zowel vernieuwend zijn als blijven waar je voor staat. Beginnend kunstenaar zijn, of succes hebben, betekent een grote druk van buitenaf. Die druk moet je relativeren. Het begin van het kunstenaarschap is namelijk het makkelijkst. Die periode daarna, de periode van het zelf volhouden is een stuk moeilijker. Er wordt van je verwacht dat je jezelf blijft ontwikkelen, als je te veel leunt op het werk waar je succesvol mee bent worden, wordt het saai.' 

(LH): Je spreekt over het succesvol zijn als kunstenaar. Wat heb je geleerd over succes de afgelopen 25 jaar? 
(BS): ‘Voor mij betekent succes dat je kansen krijgt om je werk ergens te presenteren. Succes gaat ook over diepgang in je beeldend werk. Natuurlijk gaat het gepaard met dingen de eromheen: geld, artikelen, prijzen, Toch definieert succes voor mij vooral het gevoel van diepgang. 

Je moet als kunstenaar leren dat succes betrekkelijk is. Van jongs af aan droomde ik van Documenta: ik wilde daar bij zijn. Het is best wel pijnlijk dat ik daar niet ben gekomen. Terwijl menig kunstenaar misschien vindt dat ik me niet moet aanstellen, omdat ik wel grote solo-exposities in bijvoorbeeld New York heb gehad.
Ook is het belangrijk dat je je constant aanpast aan de omstandigheden, omdat je heel erg afhankelijk bent van andere mensen. Over succes in de beeldende kunst kan ik dan ook op geen enkele manier goed advies geven. De gunfactor in de kunstwereld is heel belangrijk. Het klinkt stom en plat, maar het is zo. Neem nou Frank Loyd Wright, hij had veel talent, maar ook geluk en gunfactoren. Toen hij het Waterfall House maakte was het eigenlijk de bedoeling dat hij iets maakte tegenover de waterval. Door zijn talent koos hij ervoor om het huis in de waterval te plaatsen. Door bovengenoemde factoren, gingen de mensen hiermee akkoord. Voor hetzelfde geld hadden ze nee gezegd omdat ze het huis liever aan de overkant wilden. 
Dit is representatief voor iedere kunstenaar. In de tijd dat Ann Goldstein artistiek directeur was bij het Stedelijk Museum, heb ik er nooit geëxposeerd. Laatst heeft ze ander half uur naar mijn expositie in New York gekeken, nu gunt ze het mij misschien wel. Alleen is haar tijd bij het Stedelijk voorbij. Zo afhankelijk ben je van andere mensen.’ 

(LH): Moet een kunstenaar een bepaalde drang bezitten om te verkopen? 
(BS): ‘Toen ik op de Rijksakademie zat moest ik rondkomen van een paar gulden. Ik stond er nooit bij stil dat het mogelijk zou zijn om van je kunst te leven. Toen ik klaar was had ik mijn eerste werk verkocht. Ik weet nog goed dat ik dacht: ‘’Wauw ik kan geld verdienen met mijn werk’’. Het probleem daarna is dat je verwacht dat je alles verkoopt wat je maakt en dat is natuurlijk niet het geval. Je raakt snel overmoedig. 

Als beginnend kunstenaar is het belangrijk om kritisch na te denken over de prijs van je werk. Toen ik lesgaf op de Rijksakademie had daar een student een werk geprijsd voor 250.000 gulden. Dat vond ik belachelijk veel. Ik denk dat je beter laag kunt beginnen om vervolgens de prijs op te hogen. Hoe had ze namelijk met deze hoge prijs nog kunnen stijgen? Werk kan groeien en daardoor kan de prijs ook groeien. Ik heb mijn prijzen nooit hoeven te verlagen omdat ik niet te hoog ben begonnen. Er moet ontwikkeling inzitten.

Wat bij succes geldt, geldt ook bij het verkopen van werk. Raak niet te snel overmoedig. Soms realiseer ik mij wat ik al verkocht heb. Toch zomaar zes aan het Boijmans van Beuningen en tien aan het Stedelijk Museum. Daarna besef ik altijd heel snel dat Picasso 16000 werken maakte en allemaal heeft verkocht. Bij die honderd die ik er heb gemaakt valt dat weer tegen. Andy Warhol zei tegen Lou Reed: Hoeveel nummers heb je vandaag gemaakt. 5? Je had er al lang 10 moeten schrijven. Ik heb al 500 schoenen ontworpen.’

De Sigaar, 1987
De Sigaar, 1987
(LH): Vind jij jezelf een succesvol kunstenaar?
(BS): ‘Ik vind het heel moeilijk om de waarde van mijn oeuvre in te schatten. De hedendaagse kunst heeft een kort geheugen. Wat is er nog over van mijn werk over honderd jaar? 
De tentoonstelling van Isa Gensken is een goed voorbeeld, de lange liggende staven op de grond vind ik ontzettend goed, maar er is ook veel bij dat volgens mij gewoon troep is. Dat is kenmerkend voor deze tijd, kunst bevat zoveel waarheden, het kan waardevol en waardeloos tegelijkertijd zijn. 

Camiel van Winkel cureerde in 2012 in Mu. Zee Oostende een groepstentoonstelling waarin ook een werk van mij uit 1987 te zien was.  Een houten kast met glas ervoor. In deze kast is een ruimte gecreëerd, maar het perspectivisch verdwijn punt ontbreekt. De toeschouwer ziet dus een ruimte die leeg is. Dit werk was het eerste werk van mij dat door het Stedelijk Museum werd aangekocht. Ik had het werk jaren lang niet gezien. Toen ik de kast weer zag in de tentoonstelling, meer dan vijftien jaar nadat ik het gemaakt had, vond ik het werk veel sterker dan dat ik had verwacht. Na vijftien jaar heb je overzicht gekregen over je oeuvre en wordt duidelijk dat dat ene beeld overeind blijft staan. De gedachte; dat werk staat er en kunnen ze me niet meer afpakken’ geeft een ontzettend gevoel van succes. Maar of die kracht ook in het werk zit dat ik nu maak weet ik niet, daar heb ik meer distantie voor nodig. 

Website Berend Strik
Vanavond om 20.00 is Berend Strik te gast in de Radioshow Kunst is Lang. Luister om 20.00 naar amsterdam.fm of woon de uitzending bij in de Oba Amsterdam. 

Ook adverteren op mistermotley.nl? Stuur dan een mail naar maurits@mistermotley.nl