Het werk van Ada Dispa (1960) is in vele opzichten in tegenspraak met opvattingen over de ware gedaante van serieuze kunstbeoefening. Toch is zij een professionele kunstenaar met een uitstekende staat van dienst. Zij schildert niet, maar tekent. Haar werk is niet conceptueel, maar uitvoerend. Ze denkt al doende. Wat in haar hoofd zit, komt uit haar vingers. Ze werkt niet abstract, maar figuratief. Haar tekeningen zijn niet autonoom maar anekdotisch en illustratief. Ze is niet plechtig maar humoristisch. Haar tekeningen zijn niet realistisch maar absurdistisch en verhalend. Ze is niet afstandelijk, maar emotioneel. En dan is er nog de paradox dat ze een Einzelgänger is die met iedereen samenwerkt. “Ik ben gewoon een narratief tekenaar die zich verlustig in reminiscenties en herinneringen,” zegt ze over zichzelf. Met haar werkwijze heeft ze een praktijk ontwikkeld die geen gelijke kent en tegelijkertijd aan van alles en nog wat in de kunst doet denken.

wij zijn verslagen, 2008
wij zijn verslagen, 2008

Ada Dispa komt uit een gereformeerd gezin en groeide op in Alkmaar. Vanaf het moment dat ze een potlood vast kon houden, heeft ze getekend. Toen in 1978 in Kampen de Christelijke Academie voor Beeldende Kunst werd opgericht, leek haar moeder dat wel wat voor Ada. In 1979 ging ze er studeren en ze voelde zich er thuis. Ze wist dat ze kunstenaar was, omdat ze niets anders kon. Voor andere dingen was ze naar haar eigen idee te onhandig. Door de godsdienst- en filosofielessen in Kampen kreeg haar natuurlijk drang om zich beeldend uit te drukken een beschouwelijke achtergrond en kon ze er buiten zichzelf om zin aan geven. Ze ontmoette op de academie Harmen Brethouwer met wie ze later een relatie kreeg. Hij was toen al overgestapt naar de kunstacademie van Arnhem, Zij ondervond inmiddels een bepaalde mate van ongedurigheid, omdat die leuke jongen er niet meer was maar vooral omdat ze van zichzelf iets in de kunst verlangde waar ze niet bij kon komen. Ze volgde Harmen naar Arnhem waar ze in een vrijere opleiding terechtkwam, die ze tegelijkertijd ook weer dogmatisch vond in wat je als kunstenaar wel of niet mocht doen. Tijdens haar jaren aan de academie tot 1985 was ‘het nieuwe schilderen’ de norm en je hoefde het niet in je hoofd te halen met een dun penseeltje te schilderen. Dat was aanstellerij. Er werd wild en met groot gebaar geschilderd. Het mocht echter niet anekdotisch of illustratief zijn. Daardoor in het nauw gedreven ontstond bij haar het streven om iets te maken wat buiten haar vermogen lag. Om daaraan te ontsnappen ging ze eerst samenwerken met Harmen Brethouwer om uit te vinden wat er voor hem en haar in de kunst mogelijk was, totdat ze een werkwijze vonden die onderscheidend was en erkenning verwierf. Ze brachten de schilderkunst en de sculptuur terug tot twee basisvormen – een vierkant paneel en een menhir – en projecteerden daarop uiteenlopende vormen van kunsthistorische stromingen en stijlen. Zo vroegen ze bevriende kunstenaars en familieleden om een menhir te maken. Er ontstond een ‘collectie’ van menhirs van ivoor, steen, bot, maar ook gehaakt en gebreid door de moeder van Ada Dispa. Als kleine monumenten riepen deze vragen op over wat kunst is en wat decoratie, of namaak. Ook stelden ze tentoonstellingen samen voor onder meer de kunstenaarsinitiatieven ‘Hooghuis’ in Arnhem en W139 in Amsterdam. Ze trokken op met academiegenoten als Kinke Kooi, Anneke van der Eerden, Kees Goudzwaard, Twan Janssen, Marcel Reijerman en Brieke Drost. 

spinperformance, 2002
spinperformance, 2002

Na enige tijd kwam Ada erachter dat Harmen zijn werk beter op eigen voorwaarden kon maken en dat haar iets anders te doen stond. Door het werk ‘Ada en ik nemen geen kinderen’ van Harmen Brethouwer zijn ze voor altijd op een bepaalde manier met elkaar verenigd, al zijn ze al lange tijd uit elkaar. Ada had een groot verlangen iets te maken wat bij haar paste, zoals ze eigenlijk altijd al had getekend, maar ze kon er in die tijd geen greep op krijgen. 

Vanaf 1992 begon Ada Dispa de tekeningen te maken waarmee ze nu nog altijd furore maakt. Het zijn compromisloze fantasierijke figuraties die rücksichtlos en radicaal lucht geven aan haar ongebreidelde en uitbundige verbeelding. Het zijn spontane reacties op wat er zich in het leven, in het bestaan, in de wereld en in haar hoofd voltrekt en dat laat ze de vrije loop. Ze moest daarvoor iets in zichzelf overwinnen, namelijk de aan zichzelf opgelegde misvatting dat als je ergens blij van wordt dat het dan niet echt goed kan zijn. Bij haar is toch echt het tegenovergestelde het geval. “Ik moest wel gaan tekenen in plaats van schilderen, want in mijn hand voelde een penseel alsof die een ton woog,” zegt ze over de noodzaak van haar werk: “Ik wilde eindelijk weleens plezier beleven aan het maken van kunst.”
Ze is een groot liefhebber van het werk van Philip Guston die pas op zijn 55ste eraan toe kwam om te gaan maken wat hij werkelijk zelf voor ogen had. Ze herkent de last waarvan hij zich bevrijdde door voor zijn eigen beeldtaal en onderwerpen te kiezen. Het is de vrijheid om te maken wat je wil. Daardoor is het werk van Guston onontkoombaar geworden. 

Philip Guston
Philip Guston

Over haar eigen werk zegt ze in die context dat het over echte, doorvoelde emoties gaat, maar wel in lullige tekeningetjes, met als tegenhanger daarvan heel vredig, stil en sereen werk dat helemaal klopt. Naast de ontzagwekkende dingen als dood, leven, angst, liefde, vreugde, vuur en schoonheid, waarvan ze bijna beroerd kan worden zo heftig, hanteert ze in haar meer meditatieve tekeningen de onbenulligste thema’s. Haar lijntekeningen zijn heel directe verbeeldingen van verhaaltjes waarmee ze zich staande houdt in het leven. Ze ziet dat werk als het afvalproduct van gedachtegangen die ze zo esthetisch en verrukkelijk mogelijk naar buiten wil brengen. In het lullige ervan zoekt ze het numineuze, en dat is het lumineuze. 

Het uitbundige, kleurrijke en vaak cartooneske gehalte ervan wordt haar wel eens te veel en ze heeft zichzelf eens behoorlijk afgebrand. Ze was blij toen ze een jaar of vijf geleden in de verwerking daarvan ontdekte dat ze de vorm van een kleurplaat kon gebruiken om daarin een heldere beeldtaal toe te passen. Door alleen in contouren te tekenen, was ze verlost van haar inmiddels dof geworden kleuren. Ze begon ermee die kleurplaten op te sturen aan collega kunstenaars met het verzoek om die op hun manier in te kleuren en weer terug te sturen. Zo vormde zich om haar heen een kunstenaarsfamilie die haar ook weer eigen werk stuurde dat zij kon bewerken. Onder de titel ‘Vreugdbewijzen’ (ontleend aan ‘Vuirstaken en Vreugtbewysen, omschrijvingen van vuurwerk in de 17e eeuw’, uit ‘Vuurwerk door de eeuwen heen’ van J. Lenselink) is ze zo een wellicht nooit eindigende reeks begonnen die ze kenschetst als ‘jamsessies op papier’. De eerste reeks ‘Vreugdbewijzen’ werd getoond in MAAS te Nijmegen, eind januari 2016.

 ‘Vreugdbewijzen’
‘Vreugdbewijzen’

Ada Dispa heeft sinds haar geboorte een vorm van dyspraxie, volgens de boeken “een stoornis bij het correct verwerken van informatie. Dit leidt tot moeilijkheden bij de motoriek en motorische vaardigheden. Bijvoorbeeld bij het uitvoeren van een taak waarvoor oefening nodig is of bij acties die niet in de hersens zijn geprogrammeerd. Zuigen en wandelen zijn voorbeelden van geprogrammeerde acties. Het schillen van een sinaasappel, het aantrekken van een jas en het papiertje van een snoepje halen zijn dat niet. Vaak gaat dyspraxie samen met problemen met de spraak, taal, waarnemen, denken en gevoelige tastzin.”  Als je dat leest, mag het een wonder heten dat Ada Dispa een kunstenaar is, hoewel het voor haar juist een vanzelfsprekende staat van leven is. Bij haar is dyspraxie wellicht vooral een vorm van zintuigelijke overgevoeligheid en om die overprikkeldheid te beheersen moet ze regelmatig de druk van de ketel halen. Dat doet ze door vuurwerkinstallaties te maken, vaak in samenwerking met pyrotechnicus Harry – Boem – Mellendijk. Of door activiteiten als Circus Dyspraxie, samen met een bevriende clown, die haar er ooit op wees dat de kenmerken van dyspraxie lijken op de kwaliteiten die een clown in huis moet hebben. Dat vond ze een goeie grap. In het kader van Circus Dyspraxie maakte zij haar eerste kleurboek: DE ZENUWEN.

Om uit te rusten maakt ze tekeningen met pennen die bijna leeg zijn. Ze heeft een la vol met onaffe tekeningen die ze kan voltooien door er bijna lege pennen helemaal op leeg te tekenen. “Ik maak ze wanneer ik me net zo leeg voel als die pennen,” karakteriseert ze dit werk dat ze tot stand brengt met ‘schrale pennen’ en ‘zieltogende pennen’ die ze leeg tekent in een eigenzinnige vorm van automatisch schrift.

Ada Dispa vindt het prima, fijn zelfs, als mensen om haar tekeningen moeten lachen, maar ze laat er zich niet op voorstaan, omdat ze bang is om dan vervolgens af te gaan. “Ik ben wellicht gewoon een schijterige clown,” zegt ze, “Maar ik vind het niet erg dat ik dat erg vind.”

 Hatsjoe! pen en inktafval
Hatsjoe! pen en inktafval

 Sta mij deze dans toe! poscastift op plastic
Sta mij deze dans toe! poscastift op plastic