Image

Marena Seeling en Stijn Kriele peilen hun positie

06 Feb 2015 Alex de Vries

In Galerie Agnes Raben te Vorden werd op zondag 1 februari 2015 de tentoonstelling ‘Ogenschouw’ van Stijn Kriele en Marena Seeling geopend. Het zijn beide kunstenaars die de plek waar ze zijn opgegroeid - respectievelijk Vlissingen en Weurt – als ijkpunt voor hun schilderkunst nemen. Alex de Vries beschrijft hoe de kunstenaars hun schilderijen onttrekken aan de achtergrond en een zelfstandige wereld verbeelden.

Een kunstenaar onderwerpt zich nergens aan, hij tekent bezwaar aan tegen de manier waarop de werkelijkheid wordt voorgesteld. Hij stelt er iets tegenover.

Waar je woont als je opgroeit, de eerste jaren van je leven, is meestal bepalend voor het ervaren van je plaats in de wereld, in het leven, in het bestaan. Wie dagelijks een dijk moet beklimmen om een rivierlandschap te ervaren, ondergaat zijn ruimtelijke aanwezigheid anders dan iemand die vanuit zijn huis een weids uitzicht heeft over een platte polder onder de zeespiegel. Wie zich het kunstenaarschap eigen maakt zal zo’n kijk op de omgeving een leidraad laten zijn bij de verbeelding van zijn blik op de werkelijkheid. Hij neemt alles in ogenschouw vanuit die eerste peiling van zijn positie.

In de kunst voldoet de werkelijkheid niet. Die wordt op tal van manieren beleefd en moet in het kunstwerk daarom worden ervaren alsof er enerzijds een samenballing van duizenden gezichten is verwerkt en anderzijds als een eindeloze uitbreiding van een enkele, willekeurige oogopslag. Als je iets al duizenden keren hebt gezien, volstaat een oogwenk om een radicale wijziging in het beeld op te merken. Wat voor de buitenstaander steeds hetzelfde oogt, is voor de insider altijd anders, dat varieert per geworpen blik.

Waar je naar kijkt zie je voor je, maar dat uitzicht wordt even zo goed bepaald, door wat er achter je ligt waar je - al zie je het niet, je hebt geen ogen in je rug - altijd weet van hebt. Stijn Kriele keek aan de noordkant van zijn ouderlijkhuis door sleufachtige ramen uit op de Zeeuwse polder bij Vlissingen, terwijl zuidelijk achter hem de duinen en de Westerschelde er hun reflectie van wind, water en licht op wierpen. Die andere kant uitkijkend, door rechthoekige staande vensters, zag dat duinlandschap met het achterliggende water er natuurlijk uit als een spiegel, zonder dat hij zichzelf erin gereflecteerd zag: een spiegel zonder spiegelbeeld, als een oneindigheid.

Stijn Kriele heeft opvallend veel schilderijen gemaakt die de smalle, langgerekte vorm hebben van die sleufachtige ramen van zijn ouderlijk huis. Het is blijkbaar nog steeds een manier van waarnemen die hij toepast als hij een beelduitsnede maakt.  Het is alsof hij door een vizier kijkt, een vizier om scherp omrand doorheen te kijken en te kadreren. Door dat langgerekte, breed getrokken formaat van zijn schilderijen wekt hij de suggestie dat er buiten het schilderij een ruimte is, die bepalend is voor wat hij daarin heeft geïsoleerd.  Grijsblauw en vaalgroen, als de weerschijn van ochtendlicht op  grondmist, een waterige lichtvang, bepalen vaak de toon van zijn doeken. De zon is er altijd verhuld. Slagschaduwen zijn er niet. De schilderijen zijn daardoor dwaaldoeken waarin je je blik maar moeilijk richten kunt, je komt in een sfeertekening die in de verf oplost, zoals je iemand in het landschap ziet verdwijnen die steeds verder voor je uitloopt, de heiige verte in. Hoe bepaald het landschap dat Kriele schildert ook is, hij is niet gebonden aan de streek waar hij is opgegroeid. De atmosfeer die hem fascineert vindt hij ook op andere plekken waar ruimtelijke verlatenheid hem terugwerpt op de persoonlijke kwetsbaarheid waaruit hij de kracht voor een gearticuleerd kunstenaarschap moet putten. Hij weet hoe hij met het landschap moet stroken. Maar eerder dan met omstandigheden van het landschap en het weer, heeft de aard van zijn schilderkunst te maken met het geven van uitdrukking aan een onbestemde tijd, een tijdsverloop binnen een doods uur waar langzaam leven in vloeit, of uit wegvloeit - maar dat is aan jezelf om te bepalen.

In het beste geval ontstaat een schilderij van Stijn Kriele binnen zijn eigen kader dat zich niet verstaat met de werkelijkheid. Het schilderij is dan niet aan de werkelijkheid ontleend, maar van de realiteit ontdaan. Er is dan sprake van een schilderkunstige probleemstelling die niet naar iets buiten het schilderij te herleiden is. Hij hoopt het schilderij naar een punt te brengen dat hem noodzaakt een ingreep te doen die een nieuw inzicht teweeg brengt. Daarvoor moet hij iets doen, wat hij nog niet eerder heeft gedaan, maar die wel de consequentie is van wat in zijn eerdere schilderijen is ontwikkeld. Steeds is de vraag welke schilderkunstige bouwstenen nog kunnen worden omgekeerd.

Stijn Kriele ondergaat het schilderdoek als een lege tafel. Wat erop en omheen aanwezig is, denkt hij weg om op het tafelblad een ruimtelijkheid te openbaren vanuit een gemoedstoestand die hem in staat stelt zaken scherp te ontleden. Stijn Kriele is gek genoeg een veel romantischer kunstenaar dan zijn schijnbaar abstract-geometrische doeken doen vermoeden. In zijn schilderijen worden we het volume van de leegte gewaar, we ontwaren ons in de verlatenheid van het landschap.

Stijn Kriele

Stijn Kriele

Stijn Kriele
Stijn Kriele

Die melancholische emotionaliteit van het werk is een aspect dat je jezelf moet toestaan. Je kunt je er ook tegen verzetten door je er vanaf te keren. Hoe dan ook ga je er een persoonlijke verhouding mee aan. Hoe dan ook wordt ieder landschap door de manier waarop we ernaar kijken gecultiveerd. Wat we waarnemen ondergaat in de verbeelding een ingreep waardoor een gedacht landschap ontstaat in een schilderkunstige gedaante.

Voor Marena Seeling is de plaats waar ze is opgegroeid – Weurt bij Nijmegen - en die ze op haar zeventiende verliet het vertrekpunt voor haar werk. Ze keert er niet naar terug, al woont ze er op de spreekwoordelijke steenworpafstand van. Je kunt niet terug naar wat niet meer bestaat. Het zou leiden tot sentimentaliteit en misplaatste nostalgie. Het feit dat ze niet terug kan keren naar wat voorbij is, zou je kunnen opvatten als een beperking, maar Marena Seeling ontdekt er oneindige mogelijkheden in. Nu is het zo dat aan het landschap van haar jeugd voortdurend iets is toegevoegd in de constructie van een industrie- en bedrijventerrein die een metamorfose van het vertrouwde uitzicht bewerkstelligde. Die architectonische toevoeging speelt vanzelfsprekend een rol in haar beleving van die plek. In haar verbeelding kan ze alles onttrekken aan wat er niet meer is, maar ook aan die toevoeging. Ze opent die mogelijkheden in een zorgvuldig schilderproces dat laag over laag tot stand komt. Zo krijgt ze toegang tot een open ruimte die ze in het schilderij weer sluitend maakt. Daar verliest ze zich in en door het schilderen kan ze daaruit weer te voorschijn komen. Ze komt dichterbij door afstand te nemen. Dat is een eigenschap van de abstracte kunst: je komt tot de kern door de werkelijkheid te ontdoen van het kenbare. Uiteindelijk is het de aanvaarding van het onvermijdelijke. Marena Seeling schildert niet wat ze waarneemt, maar ontdoet in haar werk de waarneming van de bijkomende aspecten die er niet eigen aan zijn. Hoe paradoxaal het ook mag klinken bij schilderijen die zo’n objectief karakter hebben, ze verwijdert alles wat geen persoonlijk belang kent. Daardoor ontstaan ruimtelijke composities in vorm en kleur die een innerlijke noodzakelijkheid hebben en een spanning die je kan beroeren. Dat wordt veroorzaakt doordat de schilderijen een ruimtelijkheid tonen die staat voor een persoonlijke verhouding tot het bestaan vanuit vragen die we nauwelijks kunnen beantwoorden: is het mededogen met het onvermijdelijke, is het spijt om wat teloor gaat, is het de fascinatie voor het onaanvaardbare, is het lijdelijk verzet tegen het meedogenloze, in het inzicht in haar aanwezigheid daarin? Het zijn grote vragen en daarom is het schilderkunst die ertoe doet.

Dat Marena Seeling er niet op uit is om in de beheersing van de materie ongenadig te zijn, blijkt uit de kwetsbaarheid van haar werk die ze benadrukt in de objectmatige kant ervan. Haar schilderijen zijn niet enkel rechthoekig, maar kennen ook de wijkende vorm van de wig, een keg of een spie. Ze wrikt iets tussen de waarneming, tilt die op en verandert de kijkrichting en daarmee de beleving ervan.

De rationele overwegingen die aan haar werk ten grondslag liggen, worden door de verfopbrengst, de penseelstreek, de kleurtoon en allerlei andere schilderkunstige kenmerken onwillekeurig tot gevoelsmatige uitwerkingen van raadselachtige bedoelingen. Je kunt een schilderij nog zo bedachtzaam tot stand laten komen, het resultaat onttrekt zich aan de voornemens die je had. Als dat niet zo is, kun je ervan op aan dat het schilderij is mislukt. Als een schilderij aan je verwachtingen voldoet, heb je jezelf wellicht bevestigt, maar niet overtuigd van de noodzaak om precies dit werk te maken. Een bevestiging van je kunnen is altijd minder interessant dan een schilderij die dat vermogen in twijfel trekt. Als overal een begrijpelijk en afdoende argument voor is, moet je constateren dat de werkelijke kwaliteit van een schilderij in feite niet te beargumenteren valt. Die is niet gelegen in aantoonbare feiten, maar in een confrontatie met je onwetendheid die door het kunstwerk aan het licht wordt gebracht. In het schilderij kom je erachter dat je iets niet weet. Waar Marena Seeling zich in haar werk verliest, vinden wij haar er in terug.

Galerie Agnes Raben
www.galerieagnesraben.nl

‘Ogenschouw’
Stijn Kriel en Marena Seeling
Tot 8 maart 2015

Marena Seeling
Marena Seeling

Marena Seeling
Marena Seeling

Marena Seeling
Marena Seeling