Ongehaast komt ze aangeslenterd, op een mooie oktobermiddag in Enschede. Ze draagt een jack van de Olympische winterspelen in Sotsji (waar ze met Pussy Riot in 2014 een nieuwe clip presenteerde, Poetin zal je leren van het Moederland te houden, en meteen door opgetrommelde kozakken met de zweep werd afgeranseld) en loopt met ons mee het conservatorium binnen, waar een afgeladen zaal vol studenten op haar zit te wachten.

In het directiekantoor staan koffie en broodjes. Ik wil het interview voorbespreken dat we zo op het podium gaan houden. Maar Nadja Tolokonnikova wil eerst over andere zorgen praten. Het duurt nog drie maanden voor ze 28 wordt en ze is al het hele jaar bang dat ze gaat toetreden tot de Forever 27 naast onder andere Jimi Hendrix en Kurt Cobain. Maar het is nog veel te vroeg om er een einde aan te maken: er is nog zoveel te doen. Ze zegt het zoals ze alles zegt, met een lijzige glimlach die nauwelijks verhult dat het haar spijkerharde ernst is.

Haar boek Zo begin je een revolutie is een onmiddellijke klassieker in de traditie van de hemelbestormende en tegelijk fatalistische Russische avant-garde. De traditie van Majakovski, Charms, Shklovski, Vvedensky, Tolstaya, Erofeyev. Het is revolutieliteratuur en gevangenisliteratuur, een self-helpboek voor de jonge activist (Kloot niet in het rond. Werp dictators omver) en een bespiegeling op het onheilige verbond tussen staat, media en religie. Het is afwisselend oergeestig, arrogant, hartverwarmend en nergens bang voor. 

Pussy Riot
Pussy Riot

In de beginjaren, toen de drie vrouwen net 20 waren, was Pussy Riot vooral afzien en hard werken. Tolokonnikova had eindeloos veel boeken gelezen maar nog nooit een muziekinstrument aangeraakt. Toen zij en Masja Alyokhina een lezing wilden houden over Russisch punkfeminisme en ontdekten dat dat nog helemaal niet bestond besloten ze er zelf maar mee te beginnen. Ze leefden, tussen de rondjes proletarisch winkelen door (‘Winkeldiefstal! Eet vers!), op water en brood, om vast te wennen aan de gevangenis. Ze oefenden middenin de winter in een verlaten fabriekshal: de bewaker kreeg meteen zo’n driekoppige lezing over radicaal feminisme over zich heen dat hij ze maar doorliet. Ze repeteerden niet alleen hun nummers (Dood aan de seksist! Trek de straatstenen eruit! Poetin heeft in zijn broek gepist!) maar ook het opzetten en inpakken van hun instrumenten en luidsprekers binnen twintig seconden – de tijd die ze hadden voor de politie verscheen. Ze namen les in zelfverdediging: ‘Onze professoren waren gepensioneerde gangsters. Althans, laten we aannemen dat ze met pensioen waren. Tijdens een nacht verscheen de Here aan mij en bekende dat zelfs Hij niet zeker wist of ze met pensioen waren of niet. Omdat onze leraren veel te bedreven waren in het uitwissen van hun sporen en het afschudden van te nieuwsgierige lieden, in het kopen van nieuwe mobieltjes en het daarin installeren van nieuwe simkaarten, in het passeren van grenzen zonder papieren, in het zonder hulp, snel en efficiënt uitschakelen van drie tegenstanders om vervolgens met succes het hazenpad te kiezen.’

Over de twee jaar in het strafkamp, waar ze in 2012 terechtkwam na het Punkgebed van twintig seconden in de kathedraal van Christus de Verlosser (Moeder van God, jaag Poetin weg!), wil ze vandaag met de studenten niet praten. Het gaat haar om de opstand, niet om de straf. In het boek beschrijft ze het gevangeniswezen klinisch, met absoluut dédain, maar haar medegevangenen bijna teder: ‘Ze noemen haar Zeug, omdat ze de omvang heeft van twee gewone vrouwen en meer dan honderd kilo weegt. Toch is ze niet kwabbig en zwak zoals de meeste vrouwen die zwaarlijvig zijn, maar werkelijk sterk en krachtig. Twee van ons kunnen amper de industriële naaimachines, die van staal zijn en dertig kilo wegen, verplaatsen, maar Zeug verplaatst ze elegant, alsof ze een handtas draagt in plaats van een naaimachine.’
Hun werk: zestien uur per dag politie-uniformen naaien, met de stompe naalden van vooroorlogse naaimachines. Puur sadisme, zegt Tolokonnikova: jezelf afbeulen op het uniform van de mannen die je straks weer in de gevangenis gooien.

Nadja Tolokonnikova
Nadja Tolokonnikova

Met de studenten is ze genereus. Ze nestelt zich in kleermakerszit op haar stoel. De lijzige glimlach en spijkerharde ernst heeft ze meegenomen het podium op. Een jonge muzikante in het publiek vraagt haar advies: ze wil zich politiek uitspreken in haar songs maar is bang dat dat haar carrière zou kunnen schaden. Tolokonnikova, die begon in een vrieskoude fabriekshal en nu de regisseurs voor het uitkiezen heeft voor haar clips over de immigratiepolitiek van Trump, de martelmethodes op Russische politiebureaus en de kracht van haar vagina, stelt haar gerust. Het is tegenwoordig zo makkelijk om je muziek zelf de wereld in te helpen, op je eigen voorwaarden, zonder de tussenkomst van machtige mannen, dat je als muzikant vrijer bent dan ooit. 

Een ander vraagt: als je de tijd kon terugdraaien, zou je het dan anders hebben aangepakt, nu je weet hoe zwaar de straf was? Nee, zegt Tolokonnikova, want er is niets veranderd. Poetin is nog steeds aan de macht, hij heeft de kerk nog altijd in zijn zak, na elke nieuwe actie van Pussy Riot staat de gevangenis klaar. De klok loopt nog steeds vooruit. 

En Jezus was een revolutionair, zegt ze even later. Religieus is ze nooit geweest, maar in de gevangenis las ze met haar celgenote regel voor regel het Nieuwe Testament, het enige boek dat ze kon vinden. Niet het geloof zelf, zegt ze, maar de orthodoxe kerk houdt in Rusland alles bij het oude. En dus is er werk aan de winkel. Pussy Riot komt dit najaar met drie nieuwe clips en twee muziektheatervoorstellingen, in Duitsland en Engeland. Tolokonnikova zelf is bijna klaar met haar nieuwe boek. De 28 gaat ze wel halen. De revolutie is pas net begonnen.

Het optreden van Nadja Tolokonnikova vond plaats in het kader van Revolte, een programma van ArtEZ Studium Generale. 'Zo begin je een revolutie', uitgeverij Atlas Contact, €18,99. Van elk verkocht boek gaat €1 naar Zona Prava, de mensenrechtenorganisatie van Nadja Tolokonnikova.