Wat is de betekenis van de term ‘kunstenaar’ in een tijd waarin Subway zijn medewerkers ‘Sandwich Artists’ noemt, men op Instagram artistieke ‘portfolio’s’ maakt en RTLZ een wekelijks programma uitzendt onder de noemer ‘Iedereen een kunstenaar’? Je kan grofweg twee kanten op: 

1) de term is gedevalueerd, ontaard in een marketingtool, een kapitalistisch verkooptruc, of
2) het concept ‘kunstenaar’ is gede-institutionaliseert, langzaam als koelvloeistof uit het systeem ‘kunstwereld’ gelekt en onderdeel geworden van de alledaagse cultuur. Hoe je er ook naar kijkt, het begrip ‘kunstenaar’ (en tevens het begrip ‘kunst) is tegenwoordig, zoals de Italiaanse filosoof Paolo Virno het mooi verwoordt, ‘in de samenleving opgelost zoals een bruistablet in een glas water’.

Sinds de Romantiek zijn we de kunstenaar gaan beschouwen als een centraal figuur in onze Westerse cultuur. Volgens de Duitse Sturm und Drang Romantici, en in de vele decennia daarna ook de rest van de moderne westerlingen, was de kunstler iemand die als geen ander zijn gevoelsleven op papier, doek of piano tot uitdrukking kon brengen. De kunstenaar diende voor deze cultuurideologen als ultieme belichaming van een doordrongen humanistisch geloof: de mens als schepper, als ultieme zingever in een zinloos universum. Met zijn artistieke vitaliteit en culturele vernieuwing, opgegraven uit het diepste van zijn ziel, was de kunstenaar de vaandeldrager van een bijhorend ideaal dat uiteindelijk een gezonken cultuurgoed is geworden: expressieve autonomie. Anders geformuleerd: ons verlangen om onze eigen uniciteit en gevoeligheid tot uitdrukking te brengen. 

Dat er tegenwoordig zoveel ‘amateurkunstenaars’ actief zijn in Nederland is dan ook wellicht een uiting van het succes van dit ideaal. Uit het onderzoek van Mister Motley blijkt dat het bij deze diffuse en diverse groep ‘Sunday Painters’ voornamelijk gaat om ‘persoonlijke groei, engagement en passie’: allemaal waarden die goed passen binnen dit diepgewortelde ideaal van expressieve autonomie. Voor deze groep lijkt kunst bedrijven de vraag beantwoorden ‘wie ben ik, als mens, zelf?’. Kunst is voor deze ‘amor·teurs’ levenslange zelfverwerkelijking. 

Waarom zouden we al deze mensen ‘amateurs’ noemen als ze ogenschijnlijk voldoen aan wat we sinds de Romantiek zijn gaan zien als artistieke expressie: de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie? Moeten we de boel niet omdraaien en ons afvragen of het niet tijd wordt om de term ‘kunstenaar’ terug te geven aan de alledaagse cultuur in plaats van deze te reserveren voor biënnale-deelnemers en afgestudeerden aan kunstacademies? Er zijn geen amateurs meer, er zijn alleen maar kunstenaars. 

Wat betreft die laatste groep, de zogeheten ‘professionals’: de term ‘kunstenaar’ hoor ik steeds minder vaak voorbij komen op kunstacademies. Tegenwoordig leidt men veelal ‘ontwerpers’, ‘vormgevers’ of ‘makers’ op, maar ‘kunstenaars’? Die term hoor je daar eigenlijk steeds minder. Misschien – en laat ik hier wat speculatief zijn - is de kunstacademie, als het ‘huis van het IK’ (1), wel verworden tot het dominante cultuurmodel van onze Westerse samenleving (creatief denken en handelen zijn in het regulier onderwijs tot 21e century skill gebombardeerd) en ligt de bal voornamelijk bij de kunstacademie zelf om zich opnieuw uit te vinden. Geen gemakkelijke taak.

[1] Deze uitdrukking ontleen ik aan het boek Het huis van IK. Ideologie en theorie in het Nederlandse vormgevingsonderwijs van Jeroen van den Eijnde.