Image

Tempel: 'Rebelse Trots' van Patricia Kaersenhout

27 Jun 2018 Simone Atangana Bekono

Wie zijn de kunstenaars achter belangrijke, kwetsbare en kritische kunstwerken? Hoe ziet hun blik op de wereld eruit en wat zeggen ze precies over de thematieken die ze met hun werk aansnijden? Museum Arnhem is in 2018 tijdelijk gesloten vanwege een uitbreiding en vernieuwing. Mister Motley gebruikt deze kans om in de collectie van het museum te duiken en kiest maandelijks een spraakmakend werk uit. Deze maand bespreekt Simone Atangana Bekono voor mister Motley het werk Rebelse Trots van Patricia Kaersenhout en onderzoekt daarmee haar kritische kunstenaarschap en de onderdrukking en strijd van de zwarte vrouw in Nederland. 

Ze staan met z’n twaalven naast elkaar. Lachend, voor zich uit starend, luisterend en met de handen in de zij zijn ze op het doek vastgelegd. Materiaal: textiel, kralen, garen. Twee meter breed lijkt haast niet groot genoeg voor de verhalen die op het stuk textiel zijn afgebeeld. Het doek Rebelse Trots (2015) van Patricia Kaersenhout is een verzameling portretten van vrouwen die aan de basis stonden van de zwarte vrouwenbeweging die in de jaren ’80 met de nieuwe feministische golf een stem eiste voor zwarte-, immigranten- en vluchtelingenvrouwen (ZMV-vrouwen) in Nederland. Gloria Wekker, Mercedes Zandwijken, Julia da Lima, Philomena Essed en andere belangrijke figuren zijn verenigd op een breed portretdoek: een manier van afbeelden die zijn herkomst in Afrika vindt. Een imposant werk, waar het verleden in het heden doorleeft met behulp van stiksels en stof, alsof Kaersenhout de verhalen van deze vrouwen zo stevig mogelijk wilde verbinden en vastleggen. Rebelse Trots kent niet de statige dreiging die we kennen van de meeste politieke portretten, maar juist de individuele karakters van de afgebeelde vrouwen. Ja, de één kijkt statig terug, maar de ander lacht, kijkt over haar schouder, nog iemand lijkt de rest toe te spreken. Iets aan de techniek intrigeert mij. Het stikken, het verbinden van korte lijnen, het voelt bijna symbolisch voor de manier waarop ik in aanraking kwam met Kaersenhouts werk, met de feministische golf die zij heeft geportretteerd. Het toeval heeft een grote rol gespeeld. Het voelt alsof ze met het borduren probeert uit te leggen hoe bijzonder het is dat ik met hun gedachtegoed in aanraking ben gekomen.

 

Op 12 maart 2017 presenteerde Patricia Kaersenhout in Museum Arnhem het doek aan het publiek. De lezing ging over hoe zij tot het maken van het doek kwam, een ontdekkingsreis die begon bij haar Surinaamse achtergrond. Een onderzoek dat steeds verder de geschiedenis in ging, maar ook sprongen terug maakte naar het heden. Een heldere uiteenzetting van dezelfde reis die jonge, geëngageerde kunstenaars nu maken, als zij een maatschappelijke betrokkenheid voelen en meer willen maken dan kunst om de kunst. Ook ik groeide op zonder de wetenschap dat mensen als Gloria Wekker of Alem Desta bestonden. Gloria Wekker kende ik van het boek White Innocence, de andere vrouwen die op Rebelse Trots staan waren lang vreemden voor mij. Ook ik groeide op zonder de wetenschap dat er vrouwen rondliepen in Nederland die hadden gevochten voor niet alleen vrouwen, maar ook zwarte vrouwen specifiek, dat er kunst werd gemaakt die mijn achtergrond en persoonlijke strijd representeerde. Ik wist lange tijd simpelweg niet dat er een verhaal bestond waar ik mee verbonden was en trots op kon zijn. Het borduursel van Kaersenhout getuigt van de vrouwen die probeerden een debat over feminisme te creëren waar ook zij in werden gerepresenteerd, dat ook ging over gender en racisme, dat niet alleen kritiek had op onze samenleving omdat vrouwen benadeeld werden, maar ook omdat er een patroon van onderdrukking is dat dieper gaat dan man-vrouwverhoudingen. Waarom word dit mij nu pas verteld? Waarom weet ik bij toeval nu pas hoe de zwarte vrouwenbeweging van toen met kleine stiksels, door kleine doorhalingen met mij verbonden zijn en een geheel vormen dat krachtiger is dan ik dacht? De details van Rebelse trots zijn slechts textiel en kralen, het geheel een belangrijk symbool van onderdrukking en marginalisatie.

 

Patricia Kaersenhout, Rebelse trots, gemengde technieken, 2015. Collectie Museum Arnhem
Patricia Kaersenhout, Rebelse trots, gemengde technieken, 2015. Collectie Museum Arnhem

 

Het interessante aan Rebelse Trots is dat de tijd die het borduren en het rijgen van de kralen in het doek met zich meeneemt de manier representeert waarop veel mensen zich zijn gaan leren verhouden tot de Westerse, witte blik op het verleden, de stempel die het Westen heeft gedrukt op de geschiedenis van andere landen. Er zijn andere geschiedenissen die niet aan het licht komen, niet parallel worden gelegd naast de canon, worden genegeerd. Maar deze geschiedenissen worden door kunstenaars als Kaersenhout weer opgerakeld, oude verhalen weer verteld, tegenwerpingen klinken luider. Kaersenhout weet met Rebelste Trots een tempel te creëren voor die andere geschiedenissen.

 

Het doorgeven van kennis is een centraal thema in Kaersenhouts werk. Door veel samen te werken (het werk is bijvoorbeeld deels in Senegal door jonge vrouwen gemaakt) probeert zij wat zij heeft geleerd weer op anderen over te brengen. De nalatenschap van de ZMV-beweging speelt door in de onderwerpen waar jonge, zwarte feministen nu over praten, maar zijn zij zich daar van bewust? Ik bezocht zelf in december een lezing over Afrofuturism, een kunst- en denkstroming die een plek voor zwarte mensen, kunstenaars en denkers creëert waar ze zich niet constant moeten verhouden met de dominante Westerse cultuur die hun heeft beïnvloed en hun levens infiltreert. Toen pas besefte ikzelf ook dat ik eigenlijk weinig wist van de mensen die in het verleden onderzoek hebben gedaan naar de effecten van die dominante cultuur op mijn denken, mijn zelfbeeld, mijn ervaring van mijn lichaam en werk. Als er iemand opstaat om ons te wijzen op de andere verhalen, op het bestaan van die onzichtbare mensen, wordt die stem systematisch overschreeuwd door het historisch canon dat wij op de middelbare school leren. Andere stemmen worden genegeerd, “passen niet” in het verhaal dat wij blijkbaar moeten kennen. Juist hierom is het belangrijk om de alternatieve bronnen van het koloniale debat aan het licht te brengen, om de ontwikkeling van het dekoloniale denken in een groter perspectief te brengen in plaats van versnipperd te laten zijn. Kaersenhout toont met Rebelse Trots dat er een intergenerationele connectie is die in stand gehouden en gewaarborgd moet worden.

 

Het vastleggen van wat Kaersenhout “erased histories” noemt is zo belangrijk voor haar geweest omdat het voor alle zwarte mensen een valkuil is om de kennis die wordt opgedaan weer te verliezen, juist omdat deze ondergesneeuwd wordt. Het probleem met een dominante cultuur die dicteert wat wel en niet historisch, wetenschappelijk of maatschappelijk relevant is, is dat die cultuur ook beïnvloedt wat vindbaar is, wat we feiten of fictie (of erger nog: persoonlijke mening) noemen. Zo worden die “erased histories” geïsoleerd en niet opgenomen in een geschiedkundige, literaire of kunsthistorische ontwikkelingslijn. Door licht te werpen op het verleden worden verhalen uit hun isolement gehaald en in een groter geheel geplaatst. Dit noemde Kaersenhout in haar lezing heel mooi “het narratief gebruiken om te overleven”. Zoals eerder genoemd bestaat er een bepaald soort kenniscultuur die het moeilijk maakt voor de nakomelingen van de diaspora om een connectie of definitie te vinden waar de kunst die zij maken in past, een kader dat hen niet definieert vanuit de blik van de kolonisator maar juist de (ex-)gekoloniseerde. Het narratieve element van Rebelse Trots is daarom heel belangrijk in het werk. Naast het doek is er ook een corresponderende video-installatie waarin actrice Imanuelle Grives het verhaal van de aan het begin van de 18e eeuw levende ‘Swartin’ Christina vertelt (een verhaal dat Kaersenhout vervlocht met de ervaringen van onder meer de eerder genoemde zwarte, feministische iconen). Christina is in de video een vrijgevochten slavin die in het begin van de negentiende eeuw in Amsterdam woonde en vertelt over haar deels fictieve ervaring van het zwart zijn in een witte maatschappij. Een interessante toevoeging, niet alleen omdat haar verhaal juist gaat over kracht en trots in plaats van over pijn en lijden, maar ook als je weet waar deze nadruk op het vervlechten en vertellen van verhalen vandaan komt. In de kunstwereld bestond lange tijd een zekere afschuw voor narratieve elementen in een kunstwerk. De kunst moest op zichzelf staan, de kunstenaar en diens persoonlijke motivatie waren niet belangrijk, de achtergrond van het werk mocht het werk niet overschaduwen. Maar als dit de regel is valt juist de motivatie van veel zwarte kunstenaars om kunst te maken weg. Terwijl de kunst juist de kans biedt om verwevenheid en een gedeelde ervaring aan te gaan door beelden en verhalen. Wat is er zo erg aan een kunstwerk dat staat voor iets groters, dat juist wel opgeslokt wordt door het verhaal waar het deel van uitmaakt? Mag het werk dat verhaal niet sterker maken? Mag het verhaal niet door het werk stromen en een werkelijke invloed uitoefenen op degene die dit werk bekijkt of ervaart?

 

Dit doet me denken aan een gesprek dat ik tijden terug had met twee redacteurs over mijn dichtbundel. Ik vermengde poëzie met proza, essay en briefvorm om zo associaties en secundair werk dat belangrijk voor mijn schrijverschap is, bloot te leggen. De redacteurs van de uitgeverij in kwestie wilden het werk niet per se van die combinatie ontdoen om puur de poëzie over te houden, maar konden zich in veel verwijzingen niet vinden, het was volgens hen te theoretisch en niet genoeg impliciet onderdeel van wat zij “de essentie van het werk” noemden. Daarbij vonden ze het engagement dat soms expliciet werd vernoemd, dus zonder stijlfiguren of abstracte verwijzingen, afdoen aan het werk. Maar wat hen ontging was het feit dat ik dit gebrek aan stijlfiguren bewust heb gebruikt. Ik wilde juist letterlijk verwijzen naar dingen die ik had gelezen, de context blootleggen om broodkruimels voor de lezer achter te laten die zouden leiden naar werken die ik gelezen had, die mij hadden geïnspireerd. Ik wilde een standpunt innemen dat teruggreep op andere denkers, kunstenaars, schrijvers.

Kaersenhout lijkt op eenzelfde kritiek te reageren door zich als medium op te stellen in plaats van autoriteit. Haar kunst is geen doel op zich, niet hermetisch afgesloten van de context, maar een middel: een middel om het gesprek aan te gaan, kennis door te geven, de esthetiek ondergeschikt te maken aan de spiritualiteit en filosofie die aan haar werk ten grondslag liggen. De nalatenschap van de ZMV-beweging heeft voor de kunstenaar een persoonlijke relevantie die haar kunst voedt, niet afzwakt. In de tijd dat die groep vrouwen in het Amsterdamse Vrouwenhuis vergaderde, studeerde Kaersenhout aan de Sociale academie. Ze liep hen mis toen zij het Vrouwenhuis betrad. Ze voelde zich in hetzelfde Vrouwenhuis waar de vrouwen van Rebelse Trots toen zonder haar weten vergaderden niet thuis. Via haar eigen weg vond zij later toch de stemmen waar zij naar op zoek was. Rebelse Trots toont de herkansing van wat die ontmoeting had kunnen zijn. Misschien is het zelfs haar dankbetuiging hiervoor.

 

Het voelt soms nog steeds alsof ik niet kan ontkomen aan de kracht van het verleden, en constant mijn perspectief moet valideren, mijn meningen moet bevechten, mezelf moet verklaren en verdedigen.

Rebelse Trots doet dit juist niet. Dit is geen kunstwerk dat gaat over een constante strijd maar juist over overwinning. Ze staan er nog, op het doek vereeuwigd, de vrouwen die Kaersenhout op eigen houtje vond, of misschien wel terugvond, en zo weer bij haar publiek bracht om te tonen hoe belangrijk hun gedachtegoed is. Kaersenhout haalt de geschiedenis omhoog om te tonen hoe zij nog fier staat, onderstreept haar met dikke stift om aan te tonen dat de geschiedenis zich juist niet herhaalt maar steeds verandert, en dat er hopelijk nog een hoop zal veranderen. Kijk naar de poses van de dames op het doek. Ze gaan niet gebukt onder de zwaarte van wat is gebeurd, maar zijn krachtiger, steviger gaan staan door de bagage die zij met zich meedragen.

 

Over de auteur Simone Atangana Bekono (1991) studeerde in 2016 af aan ArtEZ Creative Writing, publiceerde in samenwerking met De Nieuwe Oost en Lebowski Publishers de bundeling gedichten en brieven hoe de eerste vonken zichtbaar waren en werkt momenteel aan haar debuutroman.

 

Dit stuk is geschreven in opdracht van Museum Arnhem, zonder redactionele inspraak. Museum Arnhem is momenteel gesloten in verband met een uitbreiding en vernieuwing. Hoewel de collectie nu niet te zien is in het museum, is een groot deel van de collectie te raadplegen via de website van het museum.