Maart 2002, Feijenoord-RKC, 15.51 uur, een legendarisch moment: De net 18 jarige A-junior Robin van Persie - zojuist ingevallen - pakt in de 63ste minuut de bal af van specialist Pierre van Hooijdonk om zelf de vrijetrap op ‘rechts randje zestien’ te nemen. RKC-keeper Sinouh ranselt de bal uit de bovenhoek. ‘Wat een brutaal ventje! Je moet er toch niet aan denken dat die vrije trap erin zou zijn gegaan’, riep Studio Sport-presentator Van Gelder geschokt. Robins inbreuk op Van Hooijdonks gezag overschaduwde het prachtige schot en de fenomenale redding. ‘Z’n vader is kunstenaar. Dat wordt dus nooit wat met die jongen’, concludeerde voetbalanalist Johan Derksen.

‘Z’n moeder José Ras is ook kunstenaar. Die jongen is dubbel belast, die Derksen zou dat eens moeten weten’, dacht ik.

Waarom is Robin toch voetballer geworden? Hebben zijn ouders het kunstenaarschap beëindigd om Robin te laten slagen? Of is het geen beletsel gebleken? Of sterker nog: was hun kunstenaarschap een pre? 
Ik denk het laatste. Kunstenaars kunnen met bestaansonzekerheid omgaan. Voor degene die ooit een studie begon aan de Academie van Beeldende Kunsten is de vraag: ‘Wat als dit alles uiteindelijk tot niks leidt’, geen issue. Kunstenaars hebben oog voor talent en beseffen dat het er jong moet inslijten. Een kereltje dat na zijn tiende voor het eerst tegen een bal schopt zal ongeacht zijn potentiële aanleg geen voetballer worden. Schoolse kennis is van later zorg. Het mantra ‘Jongen maak toch eerst je MAVO af’ kost tijd die niet meer in te halen is. 

Na de Ateliers 63 in Haarlem heb ik me eind 1973 als Hans Citroen, beginnend beroepskunstenaar in Rotterdam gevestigd. Ik kwam daar Bob van Persie tegen die ik kende van het Dalton Lyceum in Voorburg. We waren Haagse Rotterdammers. We deden Museum de Keikdoos: een vitrine in de voetgangerstunnel van het Centraal Station van Rotterdam. (Google: de keikdoos). Drie weken na de oprichting huldigden we de miljoenste bezoeker. Om de week maakten we een andere inrichting. Een leeglopende Mondriaan. een Goudse kaas met honderd muizen, stempels van Peter van Beveren, de schoorsteenmantel van Woody van Amen, de basgitaar van Cor Vaandrager, de egofoon van Jules Deelder. De Keikdoos werd in korte tijd een fenomeen. Een sculptuur met wisselende inhoud. 

Bob neigde naar het occulte en wilde zonder daar direct conclusies aan te verbinden weten wat de toekomst hem zou brengen. Hij nam me mee naar de waarzegster. Driehoog in Crooswijk verdween hij achter een velours gordijn. Weer buiten vertelde hij me dat zij in het verschiet een zoon had voorzien. Een beroemd voetballer. Bob lachte. Hij ging er soepel mee om. Hij zou hem Robin noemen, naar de Engelse strijder voor rechtvaardigheid Robin Hoed, die a la Wilhelm Tell zo scherp in het centrum van de roos richtte dat hij de ene pijl met de ander spleet. Als anticonceptie had het echtpaar de gunstige maanstand omarmd. Onverwacht was daar Kiki, en daarna kwam al spoedig Lili en bij de derde zwangerschap van José voorspelde ik Mimi, maar dat werd Robin. 

Een paar jaar na hun scheiding kreeg Bob zoon Robin in huis. Mamma José kon de tomeloze bewegingsdrift van het mannetje niet langer aan. Aanvankelijk had Bob hem op de Vrije School ondergebracht, maar toen de juf Bob ontbood, hem zei dat het balletje thuis diende te worden thuisgelaten, omdat naar de leer van Steiner het voetballen pas na het twaalfde levensjaar zijn intrede kon doen, werd Robin schielijk naar een andere school gebracht. ‘Robin is namelijk voetballer’, vertelde hij de Steiner-juf zonder spoor van ironie. Bob ging met Robin om zoals met een muziek- of dansgetalenteerde wordt omgegaan. 
Deze gelijkschakeling van voetbal met kunstzinnigheid werd met scepsis ontvangen. Ook op de nieuwe school kwam het wel eens tot een aanvaring. ‘Hij moet minder voetballen en meer tijd nemen voor zijn huiswerk’, kreeg Bob te horen bij de rapportbespreking, waarop Bob de leerkracht geduldig uitlegde dat het niet kon omdat Robin voetballer was. Hij zei dus niet ‘zou worden’. Robin was het al. Zo heeft Bob hem gepositioneerd. Rond zijn twaalfde ging Robin stotteren en werd door de huisarts verwezen naar de logopedist. Daar wilde hij niet naartoe. ‘Hoe moet jij later de pers te woord staan’, zei Bob. De volgende dag zat Robin bij de logopedist. Gemotiveerd en dus met goed gevolg. 

Van Excelsior ging hij naar Feyenoord waar hij als net achttienjaar geworden A-junior debuteerde in het eerste. Na het voorval met Van Hooijdonk verliep de al stroeve moeizame omgang met de Feyenoord-staf nog stroever. Van Marwijk en zijn assistenten kregen geen grip op Robin. ‘Een over het paard getild kereltje’, lekten zij aan rondhangende journalisten. 
In die tijd functioneerde ik in de Jeugdopleiding van Sparta Rotterdam en werd wanneer de A-jeugd van Sparta en Feyenoord tegen elkaar speelden door de onvolprezen Herman van der Graaf ontvangen in de bestuurskamer. ‘Die Van Persie schiet harder dan Koeman. Hoe die een bal aanneemt, in één beweging speelklaar! Die kan ik niks leren. Let op mijn woorden, dat wordt een grootheid’, zei oud-voetballer Stafleu, trainer van het belofteteam, die was aangeschoven aan de stamtafel. Meewarig werd er gelachen. ‘Dat mietje, harder dan Koeman, moet je die Stafleu horen.’ 
Clubicoon Wim Jansen en zijn gestampte-pot-kornuiten hadden het hoofdschuddend aangehoord. Die hadden veel verstand van voetbal, maar niet zo veel van voetballers. Zij hadden van de jeugdopleiding van Feyenoord een Moloch gemaakt; een goddelijk monster waaraan kinderen werden geofferd.

Al op zijn 20e verkaste Robin naar Arsenal. ‘Daar komt hij niet aan de bak’, zongen Derksen en Van Gelder in koor op de televisie. Opnieuw etaleerden zij hun onvermogen om personen in te schatten. In Londen kreeg Robin van trainer Wenger tijd om volwassen te worden. De visionaire Fransman onderkende zijn vermogen om met 60.000 toeschouwers op de tribune het spel naar zich toe te trekken. Hij kon met extreme spanning omgaan. Een waardevol facet van zijn talent dat zich al jaren eerder had gemanifesteerd bij het vrijetrappen-incident met Van Hooijdonk. 

In 2012 werd Robin topscoorder van de Barclays Premier League, en de Britse pers verkoos hem tot de beste voetballer. Die keuze maakten ook zijn collega-spelers van de Premier league. In een welluidende toespraak, in onberispelijk Engels, zonder spoor van stotteren, met een filmende BBC op zijn lip, bedankte hij zijn collega’s. Naturel, niet bezoedeld door mediatrainers die het merendeel van de voetballers in voorspelbare robots hebben veranderd.

Over de aanvankelijke ongerustheid van moeder José die zich afvroeg hoe hij van dat voetbal een broodwinning zou kunnen maken wordt nu in huize Van Persie smakelijk gelachen. ‘Het verschil tussen genoeg, veel en heel veel is niet merkbaar’, vertrouwde Robin me toe. Geld speelt in zijn leven een rol maar geen overheersende, is niet zijn drijfveer. Zijn kinderen gaan heel vertrouwd met hem om. Dat duidt op goed vaderschap. Hij heeft een mooie en slimme vrouw, geen type paaldanseres zoals bij voetballers gebruikelijk. Robin is voetballer, zoals zijn vader en moeder kunstenaars zijn.